ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

F. Weinreb — Collaboratie en Verzet 1940-1945

Een poging tot ontmythologisering.

Deel II: Van Windekind naar Westerbork

HOOFDSTUK 45

De maandag voor de Kerst had ik nog een laatste uitvoerige repetitie met Kotte. Het ging van een leien dakje. Ik trachtte hem te verwarren met een Duitse Six, doch hij bleef ijskoud, ik beschuldigde hem van bonnenhandel, van het verzorgen van onderduikers, en hij bleef paraat in zijn afweer, zelfs zeer vindingrijk en overtuigend. Ik liet hem, wat toen goede stijl was, flink op de Joden afgeven. Op beschaafd-intellectuele wijze. Six wilde juist zo graag meedoen; omdat Schumann de Joden Europa uit wilde hebben. Netjes eruit, zonder slaan en schreeuwen, maar wel eruit.

            We waren beiden op na deze uren spel. Deze laatste repetitie vond plaats in een pakhuis, ergens beneden achter, aan het Singel, niet ver van de Haarlemmerdijk. Het pakhuis stond vol mooie meubels en schilderijen. Ik had sterk de indruk dat het Joods goed was. Ook hier was Sottens blijkbaar een der betrokkenen. Hij bezat de sleutel, verzette wat schilderijen, stopte ze achter zware buffetten, typisch Duitse burgerlijke exemplaren. Welk een gouden tijd voor zulke types. Was dat nou gestolen Joods goed of opgeborgen Joods goed? Ik hield het op fifty-fifty.

            Sottens, die ons alleen had gelaten, kwam ons na een vier à vijf uur pas halen. We maakten de laatste afspraak. Ditmaal zou Kotte al om twaalf uur in de Hasseltsestraat komen. Ik durfde het niet nog eens te riskeren dat hij de boel liet wachten. Wij zouden dan van mijn huis uit, samen naar Sonjavsky wandelen, waar Sottens ons zou opwachten. Daar zou ik dan, in het bijzijn van Kotte, aan Sottens het geld geven, dat deze dan voor hem in bewaring zou houden tot na de oorlog. En dan zou ik met Kotte tot in de buurt van het Voorhout rijden, waarna hij voor mij uit naar de halte zou lopen. Ik zou op afstand volgen. Niet ver van de halte zou Kotte een bureau binnengaan om er te vragen waar de 'Ein- und Ausreise-Stelle' van de Wehrmacht zich bevond. Inmiddels zou ik bij de halte gaan staan en Kotte dan zien aankomen, vanuit dat bureau. 

            Zo kon er, dachten we, niets meer mislopen. Eventueel, als Kotte heel snel klaar was op het bureau, zouden we elkaar reeds op het Voorhout ontdekken, op elkaar afkomen, elkaar een hand geven en dan verder naar de halte kuieren. We zouden zogenaamd naar Scheveningen willen, waar Kotte-Six lijsten van mij in ontvangst wilde, nemen. Niet bij mij thuis, doch voor een der Duitse bureaus aan de Wittebrug. Ik zou, de lijsten thuis gaan halen en Kotte-Six had 'een en ander' te doen bij een der Duitse bureaus. Zo had hij mij gezegd en zo zou ook Koch, als hij ons ernaar vroeg, van ons vernemen.

            Mocht er iets tussen komen, vóór die maandag, dan zou het telefoontje dat Sottens de maandagochtend om negen uur met Sonjavsky zou hebben, luiden dat de koper van het schilderij zich had teruggetrokken. Zou er mijnerzijds iets niet goed zijn dan zou Sonjavsky moeten zeggen, dat de verkoop niet doorging. Via een boodschapper zou ik dan een half uur later het resultaat van het telefoongesprek vernemen.

Ik was, zoals ik reeds eerder schreef, vaak in die tijd in Amsterdam, d.w.z., zo tenminste toch eens per week. In het begin vroeg ik Frl. Slottke steeds om een reisvergunning, die ik dan zonder meer kreeg. Ze vroeg niets, ze had begrepen dat het 'legaal' was, in orde was, dat Koch ermee te maken had, en daarmee was voor haar de kous af. Ik weet niet of zij als secretaresse van Zöpf, van hem naders had gehoord over het Schumann-komplot. Het lijkt mij van niet. Zij was in die tijd meestal aan de Nieuwe Parklaan, terwijl Zöpf op het Binnenhof resideerde, naar ik begreep. Het kan natuurlijk zijn, dat zij wel door Zöpf was ingelicht, maar dan liet zij er tegenover mij niets van blijken.

            In ieder geval, toen ik gedurende een bepaalde week wat vaker kwam, opperde zij op haar koele toon, dat het 'wünschenswert wäre, wenn Sie eine Dauergenehmigung erhielten'. Ik had daar beslist geen bezwaar tegen en zei alleen nog, dat 'Herr Koch' dat zeker ook zeer zou toejuichen, omdat er veel tijd verloren ging met steeds die vergunning op te halen, die dan weer uitgetikt en gestempeld moest worden.

            'Ihre Zeit interessiert mich 'nen Dreck. Ich will nur nicht dass mir hier Juden rumlaufen. Ich fertige Ihnen gleich 'ne Dauergenehmigung an. Sagen wir mal für einen Monat und das können Sie dann hier erneuern lassen. Genügt das?'

            'Vielen Dank.' 

            Ze tikte nu de Dauergenehmigung, stempelde haar, en gaf ze mij.

            'Bitte schön. Viel Vergnügen damit. Und sehen Sie dass Sie mit Ihren Juden nun auch schnell verduften. Ihr macht uns eine Riesenarbeit; dieser ganze Papierkrieg. Wenn Sie nur wüssten wie viele Männer durch diese Judenmassnahmen von wichtigen Frontaufträgen zurück gehalten werden. Immer nur die Juden. Wer Euch erfunden hat!'

            Het leek me geraden met deze machine geen discussie te beginnen over wie met dat alles begonnen was. Alsof de Joden er een plezier aan hadden deze mannen van het front weg te houden. Voor mijn part sneuvelde de hele S.D. de volgende week bij Stalingrad. Maar de Joden saboteerden zelfs dit.

            De Dauergenehmigung gold alleen voor het reizen op het traject Den Haag-Amsterdam. Voor andere reizen zou ik dan een aparte toestemming moeten vragen.

            Ik heb Koch niets van dat papier verteld. Koch dacht dat ik steeds, voor iedere keer, een vergunning aanvroeg. Dat bleek mij later. Overigens zou Koch in die tijd zonder meer hebben meegewerkt om voor mij zulk een Dauergenehmigung te verkrijgen; tenslotte stelde Koch zich toen zeer veel van de vruchten van mijn activiteiten voor.

Mijn interesse voor Amsterdam, vooral toen ik er dus na de september-arrestatie gemakkelijker kon komen, nam toe toen ik via het rusthuis aan de Den Texstraat 1, contact kon krijgen met allerlei mensen in Amsterdam die wel op mijn lijst stonden, doch nog geen kans hadden gezien onder te duiken of wel nog niet wilden onderduiken. Het leek mij van groot belang ook in Amsterdam een soort spreekuur te creëren, waar ik het nodige commentaar op mijn lijst en haar consequenties kon geven. Het zou ook verhinderen dat mensen te veel vergunningen vroegen, via de Joodse Raad weliswaar, maar die moest ze weer van de Duitsers krijgen, om mij in Scheveningen te bezoeken. Of dat ze zelfs riskeerden om zonder vergunning naar mij te reizen. Ik wilde, mede uit eigen belang, voorkomen dat er te veel drukte om mijn lijst heen was.

            In de Den Texstraat woonde de oudste zus van Miep v.d. Ster, - die inmiddels Kanin heette, - nl. Bep, getrouwd met de heer Louza, Ook Bep was een mens met een gouden hart. Zij hadden een rusthuis ingericht, een instelling waarvan er in die tijd vele ontstonden. Om de een of andere duistere reden dachten de Joden, dat de Duitsers de rusthuizen ongemoeid zouden laten. Daar waren immers mensen die rust behoefden, die verpleging nodig hadden, en daar zou zelfs het steenharde Nazi-hart begrip voor tonen. Men dacht ook, om alweer vreemde, doch alweer menselijk-begrijpelijke redenen, dat de Duitsers wel de huis-adressen der mensen hadden, doch dat zij niet wisten wie of wat er in de rusthuizen verkeerde. Zieken en gezonden, ouden en jongen, van alles solliciteerde naar de rusthuizen. Terwijl die bij de Joodse Raad, die er administratief verantwoording voor voelde en er alles van registreerde, even bekend waren als de huisadressen. Ik zei het de mensen steeds: 'Denk er om, in één actie kunnen ze alle rusthuizen opruimen. Je zit er als ratten in een val.'

            Maar sommigen dachten dat ik dat zei omdat ik gouden zaken deed met het organiseren van onderduiken en een mens gunt een ander gouden zaken niet altijd. De trek naar de rusthuizen bleef aanhouden.

            Hetzelfde speelde zich, in uiteraard wat beperkter mate, af t.a.v. de krankzinnigengestichten. Men redeneerde, alweer menselijk-begrijpelijk, dat de Duitsers niets hadden aan krankzinnigen bij de arbeidsinzet. En de krankzinnigen waren in de gestichten bovendien toch uit de maatschappelijke roulatie. Ze betekenden daar geen gevaar voor de oorlogvoering of voor de meningsvorming. Dus, een goed idee, probeer je te laten opnemen.

            Ook in dit geval probeerde ik te waarschuwen. De Duitsers namen ook tachtigjarigen mee voor de arbeidsinzet, ook baby's. De Duitsers propageerden zelf, openlijk nota bene, het, om redenen van menselijkheid, uit de wereld helpen van ongeneeslijke zieken, erfelijk belasten, krankzinnigen e.d. Als je dus niet echt krankzinnig bent, duik dan liever onder. Dan heb je nog een kans. Maar alweer, velen wisten het beter.

            Men leerde elkaar hoe men gek genoeg kon doen om opgenomen te worden. Welke verschijnselen men moest opsommen. Sommige artsen namen de simulanten op, heel goed wetende dat het simulanten waren. Ze meenden de mensen ermee te kunnen helpen. Wist men veel. Toen het erop aan kwam en de Duitsers de Joden uit die gestichten wilden hebben, waren er wel artsen, die om medische redenen zogenaamd, geen namen wilden geven. Maar tenslotte moest iedereen geloof ik toch zwichten. Ik weet niet of één der Joodse echte of gesimuleerde krankzinnigen de oorlog in een gesticht heeft overleefd. Zo ja, dan was het een wonder.

            Er waren ook artsen die tot de dood toe legaal wilden zijn en die weigerden een niet 'echte' gek op te nemen. En er waren aan de andere kant artsen, die Joden onder valse naam opnamen. Of die het gehaald hebben? Ik weet het niet. Tenslotte had zo'n inrichting allerlei soort personeel en dan hielp het niet of de arts goed was.

            Een kennis van ons, een zekere Rappaport, heeft een tijdje in de Ramaerkliniek in Den Haag gezeten. Hij had een foto van zich laten maken, waarbij hij, zijn mond half open, uiterst gevaarlijk bête keek. Hij bezocht ons vanuit die Ramaerkliniek. Dat mocht hij, omdat hij 'niet gevaarlijk' heette. En die vertelde van de drama's met de niet-gekke gekken. Want het personeel mocht niet weten dat ze niet echt gek waren. En dat leidde vaak tot vechtpartijen, dwangbuis, slaapinjecties, etc., etc. Wat zullen zich daar een drama's hebben afgespeeld. En toch verkozen velen dat, omdat het nog legaal heette, omdat men dan nog ergens op een kaart genoteerd stond, op een echte, officiële. Terwijl bij onderduiken alle draden met het officiële bestaan werden afgesneden. 

            Rappaport, hij heette met zijn voornaam Schabse, mocht ons bezoeken. En van hem hoorden wij ook van het vele geld dat aan verplegers gegeven moest worden om ze gunstig te stemmen, en hoe daaruit weer chantage groeide. Wat was er toen gemakkelijker dan een bevreesde, opgejaagde Jood te chanteren.

            Niet-gekken werden in die inrichtingen tenslotte echt-gek. En inderdaad ruimden de Duitsers alle Joden uit de gestichten, met vooraan natuurlijk het Joodse gesticht 'Het Apeldoornse Bos', op. Ik heb later verhalen gehoord hoe het in Den Haag met die opruiming was toegegaan. Ik zou het niet eens kunnen beschrijven; wat doet het er ook toe. Rappaport was daar gelukkig toen al weg; hij had mijn dringende raad gevolgd. 

            Hetzelfde lot trof ook de rusthuizen. Alleen werd men daar niet mishandeld, en niet gechanteerd. Het waren bovendien Joodse rusthuizen. Alleen de illusie van veiligheid was even gevaarlijk. Maar voor verschillende mensen waren er weinig andere mogelijkheden. Sommigen waren echt ziekelijk of gebrekkig, anderen waren te bang, weer anderen hadden geen flauw idee hoe en waar ze moesten onderduiken.

            De organisatie, het beheer, de administratie en het werk aan de rusthuizen gaven aan velerlei mensen weer emplooi. En dat gaf deze mensen weer het gevoel van veiligheid. Men werkte bij iets dat 'officieel erkend' was. Het gold als een hele status als men zeggen kon, dat men in een rusthuis werkte, en vooral, als de Joodse Raad er een 'stempel' voor over had. Dat gezochte stempel op het persoonsbewijs, vermeldende namens de S.D. dat men 'bis auf Weiteres' 'gesperrt' was voor de 'Arbeitseinsatz'.

            Zulk een rusthuis had nu Bep Louza-v.d Ster, de zuster van Miep Kanin. Doordat mijn vrouw al jaren met Miep bevriend was, kwam ik er nogal eens, en toen ik hoorde dat Joden in Amsterdam mij wilden spreken, maakte ik, bij gebrek aan een andere mogelijkheid, een afspraak in dat rusthuis. Dat vonden de Louza's prachtig, want het hield in dat mensen geholpen konden worden en zo ontstond er een soort vast spreekuur. De op keuring verzotten werden er door dokter Vierling en door een Amsterdamse dokter Cohen gekeurd, boodschappen voor mij konden er worden afgegeven, die ik dan behandelde zodra ik er was, en... ik had een rustpunt waar ik uit allerlei bronnen kon vernemen wat er zich zoal in de Amsterdamse Jodenheid afspeelde.

            De mededelingen over de gebeurtenissen in Amsterdam achtte ik van groot belang. Men bedenke - ik herhaal een reeds vaker vermeld feit - er bestond in die tijd geen betrouwbaar communicatieorgaan. Het 'Joods Weekblad', dat wist men, was noodgedwongen de spreekbuis van de Duitsers. De andere kranten waren niet veel beter. Men wist dus eenvoudig niet wat er gebeurde, wat er gaande was, hoe het gebeurde, wie ermee te maken had, hoe de machtsverhoudingen lagen. Men wist eenvoudig niets. Natuurlijk gedijen in zulk een tijd de gekste geruchten. En dat maakte het nóg moeilijker. Als ik alleen maar naga, welke geruchten ik in Amsterdam aantrof over mijzelf en mijn lijst!

            Zo moest ik met klem tegenspreken dat uit Den Haag al een transport van 300 personen naar onbezet Frankrijk was vertrokken. (Toen was Frankrijk nog net niet helemaal bezet). Mijn ontkenning werd als tactiek gezien om de boel stil te houden. Een ander gerucht wilde dat ik geen Jood, doch Duitser was. Een 'goede' Duitser. Weer anderen vertelden dat ik regelmatig met Goedewaagen bij Seyss-Inquart kwam. Men had het zelf gezien! Men wist te vertellen dat ik tienduizend Joden mocht evacueren, doch dat ik zelf niet wilde; ik vond het te veel werk! Weer anderen wisten dat ik uit Groningen kwam en dat ik de S.D. aldaar goed kende. Laat ik maar stoppen, want nu ik aan het opschrijven ben, spuiten nog zó vele verhalen mijn herinnering binnen, dat er eenvoudig geen beginnen aan is.

            In dezelfde zin waren de andere geruchten. In het rusthuis aan de Den Texstraat kreeg ik echter prima inside-information van de bij de Joodse Raad werkende Alfred Kanin. Dat was een rustige, verstandige jongeman, Duitse jood van het goede soort, die weer diverse andere Joodse Raad-goden kende en die alles bijzonder goed in een soort 'Lage-Berichte' kon samenvatten. Zoals Monasch het in Den Haag deed, zo presteerde Kanin - op geheel andere wijze, omdat hij een heel ander soort werk had - het in Amsterdam, dat ik van alles vrij goed op de hoogte was. Iedere interne wrijving werd gemeld, iedere machtsverschuiving kwam door. We bespraken de berichten uitvoerig. Louza kon van zijn kant ook een en ander vertellen en aanvullen. Vooral ook kreeg ik een goed beeld van de werkwijze der Joodse Raden in de provincie. Amsterdam maakte zich nota bene zorgen over de radicale wijze, waarop deze provinciale goden hun taak meenden te moeten verrichten. Ik begreep het wel; de Amsterdamse heren hadden alleen met de Duitsers te maken. Zij spraken ze herhaaldelijk. In de provincie had men óók met Amsterdam te maken. En men was o zo bang dat men bij Amsterdam, bij C & A (zo noemde men het span Cohen-Asscher), in ongenade zou vallen, dat men zijn baantje, zijn positie, zijn rust en zekerheid, zou verliezen. Men had er dus en de Duitsers ter plaatse en Amsterdam te gerieven. Dus zorgde men ervoor dat noch de Duitsers noch C & A te klagen hadden. Aan de te verzenden Joden had men niets; die konden niets bieden dan hun beschikbaarheid om zich te laten verzenden. En onder zulke omstandigheden moet een mens al heel wat opbrengen om de hem opgelegde taak niet strikt en ultra-bureaucratisch uit te voeren. Kanin vertelde b.v. van een transport, dat uit de provincie in Amsterdam was aangekomen, waarbij verschillende mannen en jongens op aanwijzing van de plaatselijke Joodse Raad door de politie waren geboeid, omdat ze gezegd zouden hebben er eventueel onderweg van door te zullen gaan; dat hadden zij tegen de Joodse Raad gezegd en die nam nu het zekere voor het onzekere.

            Een ander transport was ver overtallig aangekomen. In het begeleidende schrijven - Kanin noemde het spottend 'de vrachtbrief' - was vermeld dat men, om onderduiken van de overblijvenden te voorkomen, deze alvast had meegestuurd. Dat bespaarde dan een verdere actie en bovendien was nu voor 98,5% aan het gestelde voldaan. Kanin noemde de zinswending en het getal en zei nog 'Het lijkt wel een soort Russisch productieprogram'. Flinke plaats dat. Die verdienen beslist de 'Ridder in de Bureaucratie'.

            Zó waren deze provinciale ambtenaren van de Joodse Raad opgegaan in hun werk dat zij niet eens beseften dat zij hoogst intensief aan het 'Judenrein' maken van hun plaatsen en provincies werkten. Beseften zij het werkelijk niet? Ik geloof dat niet. Zij beseften het wel, maar zij gaven alleen om hun eigen positie, rust, en veiligheid. 

            Ik heb in die tijd met enkele van deze lieden uit de provincie - niet uit de door Kanin genoemde plaatsen, die ik niet eens goed memoreerde omdat Kanin ze slechts als voorbeeld uit de vele nam - nog woorden gehad. Zij wilden nl. nota bene nog op de lijst ook. Na verricht legaal werk, na de geslaagde opruiming, ook nog eens legaal emigreren. Zij vertelden mij met een zekere trots en genoegdoening hoe alles in hun ressorts praktisch wrijvingloos was verlopen. Ik kon het niet nalaten deze Brabanders... onderduiken voor te stellen. Nu, ze gingen met boze rode koppen weg. Ze konden het zich niet voorstellen dat ik 'echt geen plaats' meer had op de lijst. Voor hen niet!'Tot mijn schande moet ik toegeven, dat ik ze tenslotte toch maar opnam, bij een tweede bezoek, waarbij ik hen, nu rustiger, de betekenis van het onderduiken trachtte uit te leggen; ook voor hun zekerheid t.a.v. de emigratie. En ze begrepen het en zouden er over nadenken. Als het er op aankomt, ben ik altijd te zwak om eens rechtvaardig hard op te treden. Ik denk dan maar, dat een mens maar niet oordelen moet. Wie weet hoe zij opgegroeid en opgevoed zijn.

            Ik besprak dat verschijnsel ook met Monasch, die er dezelfde verklaring voor had als Kanin. Een hogere kan nog wel eens gunsten uitdelen, wat soepel zijn. Hoe lager men is, hoe meer afhankelijk men wordt. En tenslotte: 'Dat die kerels die functies aannemen, zegt toch al genoeg over hun mentaliteit,' concludeerde Monasch. 'En hoe zouden wij, u of ik, in die situatie reageren? Als je een gezin hebt en je denkt, als ik het niet doe, komt er wel een ander die het doet.' Monasch was door het zien van het vele lijden wijs geworden. Ik heb vanaf toen met grote activiteit getracht, wat ik uit de provincie kende, voorrang te geven bij onderduikmogelijkheden. Als zij maar wilden. Alweer, zeer velen wilden niet; waren zelfs vaak boos over dit ongehoord onfatsoenlijke aanbod. Ik kreeg in die maanden echt een speciaal dikke huid. En ik dacht aan wat Monasch zei. Inderdaad, zouden deze mensen daar op die Joodse Raad-stoelen hebben gezeten, zij zouden wellicht net zo gehandeld hebben als zij die er nu zaten. Toch hebben nog een hele reeks provincialen van deze gesprekken en mededelingen van Kanin kunnen profiteren. Zij doken op eigen kracht na een overtuigend gesprek onder of kregen gehele of gedeeltelijke hulp hierbij, waar zij zelf niet bij machte waren voor alles te zorgen.

            In november kregen de bezoeken in Amsterdam ineens een nog boeiender karakter. Mij bereikte nl., via de Joodse Raad Den Haag, een briefje van prof. Cohen met het verzoek eens bij hem te komen omdat hij mij spreken wilde. Natuurlijk was ik hoogst nieuwsgierig. Ik had hem al maanden niet gezien of gesproken. Zou er iets met mijn lijst zijn?

            Het briefje was zeer vriendelijk gesteld. Ik weet niet meer hoe de tekst precies luidde, doch het was zo iets van 'Als het u eens schikt en u moet toch in Amsterdam zijn, dan zou het mij een groot genoegen zijn als u mij eens kwam bezoeken. Ik zou het op prijs stellen als u een telefonische afspraak wilde maken, zodat u niet vergeefs hoeft te komen.' Den Haag wist niets. Edersheim meende dat het wel over de lijst zou gaan en haalde de schouders op. Men kende al mijn non-coöperatie wat het afgeven van lijsten aan de Joodse Raad betrof en men had er zich in Den Haag bij neergelegd. Tenslotte was ik volgens hun zienswijze in september als overwinnaar uit het strijdperk getreden en functioneerde mijn Sperre in Westerbork zo goed als bijna geen andere.

            Mijn nieuwsgierigheid dwong mij dezelfde dag nog te bellen. Ik kreeg, na het noemen van mijn naam, vrij snel Cohen aan de lijn. Vriendelijk als steeds, beleefd, haast verlegen. Ja, het zou hem bijzonder genoegen doen als ik langs kwam; wanneer schikte het; hij wilde mij spreken over... zijn secretaresse. Die had hem zo trouw gediend en nu wilde hij haar helpen bij haar poging om op mijn lijst te komen. Het was een prima meisje, dat echt een kans op emigratie verdiende. 

            Ik was natuurlijk een klein beetje onthutst. Natuurlijk wilde ik dat meisje helpen, al was het dan niet met emigratie nu. En vooral ook wilde ik Cohen wat nader leren kennen. Hij had in dat telefoongesprek laten doorschemeren, dat die secretaresse één van de punten was en dat hij mij gaarne zou willen ontvangen. Hij excuseerde zich nog, dat hij wegens zijn ontzettend drukke bezigheden niet naar Scheveningen kon komen, en ik kwam, zoals hij gehoord had, toch regelmatig naar Amsterdam, dus... Beleefd zei ik toen, dat hij in ieder geval de oudere was en dat ik begreep dat hij met zijn werk niet zomaar weg kon. Ik sprak meteen voor de volgende middag af.

            Het was de eerste keer sinds maanden, dat ik het gebouw van de Joodse Raad, aan de Nieuwe Keizersgracht, weer betrad. In tegenstelling tot het Haagse gebouw, in een smalle straat, pakhuisachtig, mocht het Amsterdamse er echt wezen. De drukte viel mij mee. Er liepen wel wat mensen beneden in de gang rond, maar het geheel, ook de gracht, maakte een kalme indruk.

            Ik werd onmiddellijk in een kamer, schuin links achter in de gang, gelaten, waar vrijwel gelijktijdig Cohen binnentrad, met een meisje, van naar schatting midden-twintig. Dat was dus de secretaresse.

            Vreemd genoeg is mij haar naam ontschoten. Cohen beval haar nog eens waren aan, prettig-vaderlijk. Ik vroeg vooreerst maar niets en beloofde alleen haar te zullen opnemen. Wel zei ik, dat er natuurlijk een hele wachttijd was. Dat gaf niets. Voorlopig zat ze er nog goed; als het maar 'op den duur' kon. Ik vroeg haar alle gegevens die nodig waren op de sturen. Een en ander werd geregeld en zo kwam zij dus op de lijst. Ik kan mij niet herinneren haar ooit nog te hebben ontmoet. Ik weet ook niet, wat er van haar geworden is. Ik heb zelfs niet eens gelegenheid gehad haar het 'zolang-maar-onderduiken'-recept te geven. Overigens zal zij, door haar functie van secretaresse van Cohen, wel een betere bescherming hebben gevonden dan onderduiken op dat moment kon bieden. Een andere secretaresse van Cohen is later op zijn aanwijzing nog via mij ondergedoken.

            Toen het zakelijke deel was afgehandeld en de secretaresse met een beschaafd 'dank u wel' weer verdween, wenkte Cohen mij apart, de gang in.

            'Ik wilde u nog een paar algemene dingen vragen. Laten we even hier binnengaan, daar worden we niet zo gauw gestoord.' 

            We gingen een kamer binnen, waaruit twee mannen, die er hadden zitten werken of praten, op verzoek van Cohen vertrokken. Al gauw bleek waar Cohen heen wilde. Hij wilde weten, wat ik van de toestand dacht, van de toekomst van de Joodse Raad, van mijn eigen lijst, wat ik van Fischer wist, van Den Haag überhaupt.

            'We zitten eigenlijk zo hopeloos geïsoleerd. Je bent genoodzaakt tot handelen, tot besluiten, en je zit als in een dichte nevel. U hebt toch een unieke positie met al uw contacten. Wat zegt men in Berlijn ervan? Wat denkt u van Rauter, wat wil men precies.' 

            'Ik moet u een beetje uit de waan helpen. Ik weet misschien nog veel minder dan u. Van Berlijn weet ik helemaal niets. Daarvan vertelt niemand mij wat. En in Den Haag heb ik mijn beetje kennis via uw medewerkers. Werkelijk, ik weet niets, u moet me geloven.' 

            Cohen knikt peinzend. Hij borduurt nu verder. Het is allemaal zo onoverzichtelijk, meent hij. Men wordt gedwongen tot besluiten en de mensen verwachten dat je wat doet, terwijl ze heel goed kunnen weten dat je ook niets kunt, dat je van allerlei grillen afhankelijk bent.

            'U doet tenminste iets positiefs, bij u is er een uitzicht. Waarom kon men niet voor alle Joden een emigratie voorbereiden, voor na de oorlog mijnentwege. Dat was toch de praktijk in Duitsland en in Wenen.' 

            Nu knik ik wat peinzend. Ik voel deze man als een goed mens aan, die merkt dat alles hem te veel gaat worden, die merkt dat alles anders gaat, heel anders, dan hij zich had voorgesteld. En die geen uitweg ziet. Wat valt er nu te zeggen zonder heel erg goedkoop te worden. Ik voel mij bovendien ineens wat klein met mijn pseudo-generaal. Wat zou er geweest zijn zonder Joodse Raad?

            Daar schieten mij de provinciale goden te binnen. Het lijkt mij een goede aanloop voor een gesprek. Zonder bronnen te noemen, begin ik, heel in het algemeen, te vertellen over het kwaad dat anderen kunnen aanrichten als men hen macht over mensen geeft. Ik ontwikkel een privé-theorietje over het machtsstreven in ieder mens en hoe dit, bij mensen die vaak als ondergeschikte heel wat te verduren hebben gehad, tot een ziekelijk iets kan uitgroeien. Ik wijs erop, dat in deze tijd van onderdrukking en vervolging, het geven van macht aan zulke onderdrukten over andere onderdrukten, uiterst gevaarlijk kan zijn. Voorzichtig vraag ik hem of hij niet te geïsoleerd zit, in een ivoren toren, om dat te kunnen waarnemen. Ik laat doorschemeren, dat het zelfs mogelijk is, dat hij, bij de vele zorgen die hij al heeft, dit punt liever niet eens wil weten.

            Cohen mompelt af en toe 'ook dat nog' en 'het zal wel zo zijn, ja, u hebt natuurlijk gelijk.' 

            Het heeft geen zin om in dit stadium van de Joodse Raad nog met de argumenten te komen die ik in het voorjaar in Den Haag heb geloosd. Dat zou nu pure theorie zijn. De Duitsers hadden nu toch al alle lijsten en gegevens. Zouden Cohen en Asscher er mee stoppen, er stonden dozijnen anderen klaar om het over te nemen. Die waren als paddestoelen opgeschoten, ook notabelen, ook organisatoren. Je had zelfs kans dat 90% van de staf aanbleef en de routine na dat ene kabbelingetje toch zou voortgaan. En ik houd niet van het lege gebaar, van een soort harakiri ter wille van de eer of van het historie-schrijvende nageslacht. Ja, als je harakiri tot gevolg heeft dat die hele administratie-robot in de lucht vliegt, dan mag je het doen, als je de moed en de overtuiging ertoe hebt. Maar nu? Men zou het nauwelijks vernemen. De Duitsers zouden een pracht-smoes drukken. 'De voorzitters van de Joodse Raad wegens fraude met geld door een Sondergericht ter dood veroordeeld.' Of: 'Op transport gesteld naar de arbeidsinzet', of 'naar Mauthausen'. Terwijl niemand wat zou weten van hun echte bedoelingen. Stel, ze zouden een brief nalaten. Wie verspreidde hem dan, wie drukte hem, wie zorgde ervoor dat hij de Joden bereikte?

            We hebben in die tijd, bij mij thuis met mijn medewerkers, wel eens over dergelijke mogelijkheden gepraat. En steeds werd het afgewezen als volkomen zinloos. Zin had nu alleen de direct-helpende daad, de stimulans althans om tot daden te komen. Gebaren, hoe mooi en heldhaftig ook in romans, leken nu meer op een zich onttrekken aan de verantwoording. En ieder mens behoorde nu verantwoording te voelen. Een oorlog behoeft niet per se met uniformen aan gevoerd te worden, en volgens boekjes over rangen, een oorlog hoeft ook niet en masse gevoerd te worden. Als iedereen zich maar bewust is dat hij nu in oorlog is, dat hij voortdurend moet opletten en handelen, dan zal hij wel zorgen dat de vijand niets verovert. Als de vijand mensen wil roven, dan is het oorlogsdoel: 'onttrek die mensen aan hem'. En daar ligt dan ieders verantwoordelijkheid. Maar wie voelt er echt verantwoording voor de ander? In een oorlog wordt dat, als een razernij, opgewekt door marsmuziek, veel parades, gedaver van tanks en kanonnen, door ophitsende redes. En dan gaat men zelfs voor onzin de dood in. Maar zonder dat kan men het niet. De opvoeding, de maatschappij, heeft dat belemmerd. Men zegt: 'Het zijn mijn zaken niet.' 

            Daarentegen loert in zulk een maatschappij iedereen op een veilig baantje. Liefst veilig plus machtgevend. De impotente zoekt macht, de mens vol minderwaardigheidsgevoel, zoekt macht. Stel je voor wie er in de plaats van Cohen en Asscher kunnen komen. De Duitsers hebben intussen ervaring gekregen en zij weten welke Joodse notabelen de plaatsen zullen kunnen innemen.

            Cohen komt er nu zelf op. Wat gebeurt er als hij eens zei, dat hij het niet verder deed. En hij antwoordt zichzelf. Ik waag nu een voorzichtige zwenking naar eventueel positief werk. 

            'Ik weet, dat het apparaat er nu eenmaal is en dat, als u het niet doet, anderen gereed staan om het werk over te nemen. Maar zou men niet iets kunnen ondernemen in de zin van het onttrekken van Joden aan deze ophalerijen?'

            Cohen kijkt niet eens verbaasd, en helemaal niet verontwaardigd. Hij ziet er erg moe en afgetobd uit. Hij knikt bedachtzaam en zegt:

            'Dat gebeurt toch al. Meer dan er al gebeurt kan werkelijk niet. We mogen aannemen dat de toestand de maximale benutting van de mogelijkheden al teweegbrengt. Door onze pogingen tot vertraging van de arbeidsinzet geven we de grootste kans aan diegenen die weg willen en weg kunnen. U weet natuurlijk dat heel velen niet willen. Van kunnen dan nog niet eens gesproken.' 

            'Maar camoufleert de Joodse Raad dan niet te veel het gevaar, wekt hij niet illusies van veiligheid? Hier en in zekere zin ook in de arbeidskampen?'

            Weer zit Cohen te peinzen. Bijna lijkt het alsof hij slaapt. Dan komt zijn stem, mat, vol wanhoop. Het lijkt even of hij misselijk is.

            'Zij die gevaar duchten, geven zich niet aan illusies over; die proberen wel hun maatregelen te nemen. En de anderen hebben nu behoefte aan die illusies. Als de Joodse Raad geen illusie voor hen was, zoals u het belieft te noemen, dan zochten ze wel andere illusies. Vroeger bedronk men zich. Nu, nou ja, vult u zelf maar in.' En na een kleine pauze:

            'De mens is traag. Dat is hij altijd geweest, hij is het liefst passief. Wat kunnen wij met zulk een massa beginnen? En ik geloof, dat we voor verscheidene duizenden toch nog heel wat zijn. Als we die duizenden, zeg tien- of twintigduizend, hier in Nederland kunnen behouden, en als die tot de beste van onze Joodse bevolking behoren, dan hebben wij toch nog heel wat gedaan. Men zal ons misschien nog eens dankbaar daarvoor zijn. En die anderen, ach, een mens kan zich aanpassen. Zij zullen grotendeels terugkomen; gehard, misschien ook bitter. Denkt U, dat als ik er wat aan kon doen, ik het niet deed?' 

            Tijdens het praten richtte hij zich wat op, werd hij wat levendiger.

            'Zou niet toch een geste uwerzijds en van de heer Asscher en van nog enige vooraanstaande leden, begrepen worden? Ik bedoel, als u allen collectief onderdook. Zou zulk een voorbeeld niet spreken? Goed, er komen anderen in uw plaats, maar er duiken dan misschien ook een duizend mensen méér onder dan nu. Is dat het niet al waard?'

            Het idee was ineens bij mij opgekomen. Het leek me echt een goede geste.

            'En de Duitsers pakken als straf een paar duizend medewerkers van de Joodse Raad op. Represaille. Is u dat onbekend? Mogen we dat onze medewerkers aandoen? En denkt u, dat wij zomaar kunnen onderduiken? Wie neemt ons? Dat is toch voor iedereen levensgevaarlijk. Dat mogen we toch ook onze Ariërs niet aandoen?' 

            Ik zakte weer ineen. Hij had gelijk. Mooi gebaar zou het zijn. Doch mocht je gebaren maken ten koste van anderen? Moeilijke, heel moeilijke keus. 

            We zitten een minuutje zwijgend tegenover elkaar. Ik had met hem te doen.

            De deur gaat open en een vrij jonge man, kalend, met een opvallend keurig pak, steekt zijn hoofd de kamer binnen. 

            'Professor, we zoeken u overal. We gaan zo beginnen. Het is al laat.'

            Cohen antwoordt met een handgebaar: 'Ogenblik nog, ik kom, laat de heren...,' de man heeft de deur weer gesloten en Cohen maakt de zin niet af.

            'Ik moet nu naar een vergadering. Ik dank u voor uw komst. Komt u,wanneer u wilt, verder met mij praten. Ik heb behoefte om eens met iemand te praten die niet in dit alles geëngageerd is. Laten we zeggen, dat u iedere week hier even aankomt. Maar bel eerst op of ik er ben. Ik moet u toch ook nog eens laten vertellen over uw werk. Ik dank u voor uw openhartige raad, u bent een wijs mens, al bent u nog jong.' 

            Hij was tijdens het praten opgestaan. Nu gaf hij mij een hand, en ineens gestrekt, kaarsrecht:

            'Maar weest u er wel van overtuigd, dat ik naar eer en geweten handel, dat ik het beste doe wat er nu gedaan kan worden, dat ik het uiterst zwaar heb, en ondankbaarheid moet verdragen. Wij allen hier werken hard, want we weten dat er heel velen van afhangen, duizenden en duizenden.' 

            Het duurde wat lang, dat hand-vasthouden. Ik voelde me toch weer moedeloos worden. Met een 'Ik wens u heel veel sterkte', dat ik misschien wel wat onverstaanbaar mompelde, ging ik ook de gang in. 

            Daar stonden nu meer mensen. Men wees op mij, een vrouw kwam naar me toe en begon te betogen dat zij per se meteen op de lijst moest, omdat ze vannacht gehaald zou worden. Met haar dochtertje van veertien. Anderen drongen nu ook op. Blijkbaar was het bekend geworden dat ik er was. De hemel weet, wat men er allemaal van dacht en zei nu men zag dat ik met Prof. Cohen had zitten praten. Welk een bron voor speculaties! Als ze eens wisten waar we over gesproken hadden.

            Ineens viel er stilte. Achter uit de gang kwam een stoet. Voorop een wat langere man, in het zwart gekleed, keurig, echt het type van een top-ambtenaar. Onder zijn arm enige dossiermappen. Flonkerende brilleglazen, ijzige blik, recht vooruit starend, alsof de mensen in de gang en hall hem niet aangingen; hij zag ze eenvoudig niet. Zelden, nee, nooit in mijn leven zag ik zulk een toonbeeld van zelfingebeelde waardigheid, zulk een hautaine trots. Deze man opende de rij met een air alsof van hem en hem alleen het lot van, ja, van wat, van mensen, afhing. Ik zei zojuist trots; dat was het niet helemaal, het was meer een onmetelijke zelfingenomenheid. Wie was deze man, deze typische intellectuele ambtenaar? Deze opgeblazen hoge raadsheer.

            In de gang gefluister.

            'Dat zijn ze. Dat is de vergadering die de lijsten vaststelt. Wie er vannacht gehaald worden en wie niet.'

            Buiten was het al bijna donker. Al in de kamer met Cohen had ik de indruk dat het steeds donkerder werd. Doch daar waren zo vele soorten donkerte door elkaar, dat ik niet op het late uur lette.

            Iedereen staat in diep ontzag. Dit zijn nu de mannen die voor deze nacht over zijn en niet-zijn zullen beslissen. Wat zei Cohen ook weer? Duizenden werden gered. Ging dat zo toe? Als jij niet gaat, word ik niet gered? 

            Achter deze rij-opener volgen anderen, keurig in de rij. Iedereen draagt onder zijn arm een aantal dossiermappen. Alles strenge gezichten. Van rechters afgekeken? Misschien waren het 'in de vrije natuur' ook wel rechters. En van waar hadden de rechters dat gezicht afgekeken? Wie had ze dat voorgedaan? Typische ambtenaren, typische uitslovers. Ik ontwaar Cohen nu ook, die wat gehaast uit een andere kamer komt en zich in de rij voegt. Ik ken die mensen niet. Maar dat zijn géén goede mensen. Hun gezichten zijn hard, ijskoud, sluw in de slechte zin zelfs. Ik word ineens bang, zelden ril ik. Maar nu gebeurt het, ik voel zelfs dat ik kippevel krijg, de haren op mijn hoofd kriebelen. Zouden ze nu gaan opstaan, is dat het te berge rijzen van haren?

            Ik probeer een wat prettiger gezicht te ontwaren. Maar het is er niet. Ik heb ze niet geteld, de heren. Waren het er zes, of acht, of tien? Ze gaan nu een kamer binnen aan de voorzijde, rechts van de ingang, Ik vang een glimp op van een grote kamer, met een conferentietafel.

            Een voor een lopen ze de kamer in. Alles in die statige, afgemeten, bijna trage pas. Achter hen sluit een jongeman de deur. In de gang is de stemming gedrukt. Men zucht. Een vrouw zegt nog: 'Straks weten zij het. Dan wordt de lijst naar de Duitsers gebracht.' 

            Een ander zegt: 'Nee, de Duitsers komen hem halen.'

            Er komt wat gekibbel van. Employés roepen gedempt om stilte. Binnen wordt nu immers vergaderd. 'Wie zal gaan en wie zal niet gaan.' En morgen is er dan wellicht wéér zulk een vergadering en dan wordt er weer beslist over wie wel en wie nog niet gaat.

            Gebeurt zoiets niet ook in de hemel? Zo zegt men en misschien voelen deze mensen zich wel zo omdat zij hemeltje kunnen spelen. Spelen, want wie zijn zij zelf, met al hun opgeblazen deftigheid en waardigheid? Het ligt er toch zo dik op, als men even buiten de werkelijkheid van dit spel treedt. Eén boze blik van een S.D.-er, en de hele vergadering verhuist naar Westerbork en verderweg. Dat weten zij, maar dat willen zij niet weten. Trouwens, wie kan echt rechter zijn? Één boze blik van de hemel en hij is een hoopje as.

            Nu de vergadering blijkbaar begonnen is, dringen de mensen in de gang weer naast mij op.

            'Moet u er niet bij? U zat toch met professor Cohen te praten? Hebt u hier niets in te brengen?'

            Weer praten ze door elkaar. De bode drijft ons allen verder naar achteren. De heren mogen in hun heilige taak vooral niet gestoord worden.

            Cohen, die even bij mij gestegen was, vrij hoog zelfs, zat weer in de modder. Nee, je mag eenvoudig met zo iets niet mee doen. En vooral: als je al zo iets doet, kies dan in 's hemelsnaam andere mensen. Niet de provinciehoofden zijn de harden, hier zitten nog veel gevaarlijker mensen. Hier zitten ingebeelden, praatjesmakers, hier zitten gekken. Die provinciehoofden voelen zich van dat soort afhankelijk. 'De Nederlandse Onkreukbare Nauwkeurige Fantasieloze Ambtenaar.' Die ene man zie ik ineens weer voor mij. Grijs kostuum en grijs haar. Keurig, vouw in broek keurig, bril keurig. Is het grijze kostuum naar het haar gemaakt of het haar naar het kostuum? Hij was de derde of vierde in de rij. Die inbeelding die uit hem straalde, dat: 'Raak mij niet aan, want ik ben machtig, ik neem beslissingen.'

            En Cohen koos hen tot medewerkers? Moeten zij de leiders worden van die tien- of twintigduizend die hij zal behouden? Wee de gemeenschap die deze behoudenen heeft. Daarvan kun je nog wat verwachten aan meedogenloosheid, aan bekrompenheid. Als Cohen dat niet zag, hoe kon hij dan die provinciehoofden beoordelen? Een angstig gevoel maakte zich van mij meester dat die Cohen misschien beide in zich had. Los van elkaar. Is dat gespletenheid? Toch is Cohen een goed mens, geloof ik. Laat ik er de volgende keer toch met hem over praten.

            Ik verzoek de mensen, die mij spreken willen, naar de Den Texstraat te komen. Het is er niet zo ver vandaan. Ik durf op deze plaats niet over onderduiken te praten. Ik voel, dat ik hier verraden zal worden. De ene bode heeft al iets gemompeld van 'Polische vulles'. Die voelt zich deel van de Heren.

            Zelf loop ik voorop met de vrouw, die deze nacht gehaald zou worden. Het is nu bijna helemaal donker. En het is een donkere avond überhaupt. Tastend zoeken wij de weg. Door onze stemmen weten we waar de rest van de groep is.

            In het rusthuis is men even wat onthutst van de invasie. Rusthuizen kunnen echter onopvallend ook talrijker bezoek ontvangen. En tot acht uur mogen Joden op straat lopen. En wie herkent in deze duisternis nog Joden!

            Bij elkaar zitten en staan er nu een vijftiental mensen. Ik vraag hun namen en informeer over hun 'zekerheden'. Het blijken allen kneusjes te zijn. Ze verwachten ieder moment opgehaald te worden. Daarom hadden zij ook bij de Joodse Raad geprobeerd, op het laatste moment nog een baantje te krijgen dat nog een schijn van kans bood. Wie weet, wilden zij ook wel bode worden om dan ook 'Polisch vulles' tegen mij te zeggen. 

            Ik vraag ze dit alles in het openbaar, zelfs met Miep Kanin - v.d. Ster erbij, omdat ik de mensen om de een of andere reden niet helemaal vertrouw. Zo in het openbaar zullen ze minder snel onwaarheden zeggen, dan wanneer ze met mij alleen zijn. Nog steeds overheerst die rij deftigen met hun mappen onder de arm mijn geest. Zo marcheert de doodsengel op. Nee, die heeft beslist nog iets liefdevols; dit waren wezens zonder liefde en zonder haat. Daar was niets meer bij van Gods evenbeeld.

            Ik houd nu een kleine toespraak. Een bel onderbreekt me. Iedereen is angstig. Politie? Nee, bezoek voor het rusthuis. Men hijgt nog van de schrik. Zou die bode ook hijgen als hij zijn Joodse Raad-Sperre kwijt was en hier zat en de bel ging?

            Ik vertel, dat de lijst vol is, allang vol is. Dat er al meerdere wachtlijsten zijn. Dat men dus, als er meer dan één transport naar het buitenland gaat, in ieder geval moet rekenen op lange tussenpozen. Dat het daarom nog een hele poos zal duren voordat zij aan de beurt zouden komen. Zó lang zouden zij het in ieder geval niet houden in Amsterdam. Daarom moest iedereen zorgen dat hij of zij nog beschikbaar was als het zover was. Mocht men helemaal niets weten dan zou ik ze eventueel met mensen in contact kunnen brengen die hen dan verder konden helpen. 

            'En Westerbork dan?' werd er gevraagd. 'Kunnen we dan niet zo lang in Westerbork afwachten?' Ze hadden gehoord van het functioneren van de lijst aldaar.

            'In Westerbork kan ik jullie, op z'n best, alleen maar sperren. Maar emigreren doe je dan pas als alle anderen weg zijn. Als je dan niet al bent doorgestuurd.'

            Ik was bang voor Westerbork. Koch mocht niet merken dat Westerbork nog groeide, althans nog zó sterk groeide. Iedereen kon de druppel vormen die de emmer deed overlopen.

            'Maar ze zeggen dat Westerbork éérst gaat.'

            'Wie is nou 'ze', ze kunnen zo veel zeggen. Ik zeg, dat ik waarschuw voor Westerbork en dat ik niemand opneem die speculeert op een Sperre in Westerbork.'          'En al die mensen die er nu al gesperd zitten?' 

            'Dat zijn gevallen waar het de laatste strohalm was. Dan kon ik nog wel eens net ingrijpen. Maar ik help niet, als men naar Westerbork gaat, met de bedoeling er gesperd te worden.' 

            Geroezemoes, discussies onder elkaar. Miep is wat geschrokken van mijn openlijk, zonder het woord te noemen, aanraden van onderduiken. Het kan me nu niet veel schelen.

            Een vijftal mensen, mannen allen, vertrekken. Zij prefereren de legale weg. Wel laten zij mij hun namen noteren. Mochten zij in Westerbork terechtkomen, dan willen zij zich tot mij wenden. Om de Sperre. Dan maar geen emigratie of pas als laatste groep. Zij riskeren liever geen onderduiken. 

            Van drie krijg ik al de volgende avond een telegram. Zij waren nog dezelfde nacht opgehaald. Het telegram was overbodig. Strauss had hen al gesperd toen zij meedeelden dat zij mij hadden gesproken en dat ik hun namen had genoteerd.

            Van enige anderen noteer ik ook de namen. Zij zullen op eigen houtje onderduiken. Ik beloof hen, dat ik hun formulieren zal verzorgen. Toch krijg ik een week later hun foto's plus een verklaring van een arts dat zij gezond zijn. Ik hoop, dat ze het gehaald hebben met hun onderduik. 

            Weer een paar anderen weten niet waar onder te duiken. Ze denken wel, dat ze het allemaal kunnen bekostigen. Ook de vrouw, die me het eerste aansprak, wil nu onderduiken. Ik moet haar beloven, dat ze niet langer dan drie maanden zal hoeven te wachten in haar onderduik. Ik beloof het haar en neem de eventuele zonde van het voorbarige maar op me.

            Het hele stel heeft nu angst de nacht thuis door te brengen. Maar er zijn nog gezinsleden thuis, die weten nog van niets. Snel organiseer ik met hulp van de Louza's en van de Kanins - Alfred is intussen thuis gekomen en hij heeft een Joodse Raad avond-vergunning, - de evacuatie van die gezinnen. Het blijken bij elkaar bijna dertig mensen te zijn. Kinderen inbegrepen. Alles zit en staat nu in een kamer van het rusthuis. Het gaat warempel wel, denk ik, als ik zie wat alleen een gang-ontmoeting bij de Joodse Raad aan oogst opbrengt. Maar wat doe je, als je hetin je eentje moet doen. En wie doet met zoiets mee; voor anderen?

            Met hulp vooral van Kanin, die enorm plezier heeft in het hele geval, worden de mensen nu voorlopig over veilige, dus Joodse Raad-gesperde, adressen verdeeld. De volgende dagen worden zij naar diverse onderduikplaatsen gebracht. Alleen de vrouw met het dochtertje heeft geen geld. Zij is toen met geld uit mijn lijstfonds geholpen. Zij hebben de oorlog overleefd. Het was een mevrouw de Liema of de Lieme.

            Het werd laat voor mij, die avond. Toen ik van de Den Texstraat naar het Centraal Station liep - in Amsterdam bezat ik geen tramvergunning, - werd ik bij de ingang van het station door gehelmde Duitse politie aangehouden. Ik toonde mijn persoonsbewijs, met Joodse-Raad-stempel en mijn reisvergunning. Zonder een woord te zeggen werden zij mij teruggegeven en ik mocht passeren. In de hal hoorde ik, dat er weer een grote razzia gaande was. Zo heette het uit de huizen halen via de keurig geprepareerde lijsten. De mensen zeiden het elkaar zoals men constateert dat het buiten flink regent. Want de trams reden, de mensen lachten, de treinen kwamen en gingen. Ook ik ging de trap op, naar de trein voor Den Haag. Op het perron gejoel van kwajongens met hun meiden. En in Amsterdam, ergens in die stad, reden nu de vrachtwagens en werden Joden uit hun huis gehaald. En ik wist nu, dat een der schakels voor deze actie gevormd werd door wezens met gezichten die deftigheid en waardigheid speelden.

            Ik was een klein beetje blij, dat althans dat groepje er niet bij was. Welk toeval had hen met mij in verbinding gebracht? De secretaresse van Cohen? En ik had echt te doen met Cohen en vooral met zijn keuze van 'voor Nederland behoudenen'. Achteraf is zelfs dat voor een belangrijk deel niet eens bewaarheid. Maar ik ben overtuigd dat de meesten uit die rij wel behouden bleven. Zij zagen er echt naar uit om voor na de oorlog gespaard te blijven.

 

Vorige hoofdstuk         Terug naar de inhoudsopgave         Volgende hoofdstuk

 

Copyright © 2019 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.