ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Notities van lezingen

Mordechai, de alleenstaande
Uit ik die verborgen ben.

© Servire Den Haag

 

Mordechai, de alleenstaande.

Mordechai wordt in het Esther-verhaal de Jehudi genoemd. In de wereld van Poras u-Modai is zichtbaar alleen aanwezig het ene deel van het Bijbelse rijk, het deel Jehudah. In dat deel leeft ook Benjamin en, als de mens van de tempel is er Levi. De stam Simon trekt rond als leraar voor de kinderen. Het andere deel van het Rijk is dan al uit de zichtbaarheid verdwenen. De in de ballingschap van Babel komenden zijn dus van het Rijk Jehudah. Zo spreekt het Esther-verhaal steeds van Jehudim, dat zijn dus de mensen van Jehudah.

De Jehudim zijn, evenals alle andere bestanddelen van de beide Rijken en van het ongedeelde Rijk, Hebreeën, Iwrim dus. Jehudah is het deel waaruit de koning stamt, de koning welke met David begint. In de naam Jehudah is de naam van God als Heer opgenomen.

De ergernis van Haman zijn deze Jehudim, waarvan Mordechai de duidelijkste is, de zuivere, en die daarom in deze wereld aan de ingang van het paleis van de koning zit, die alle ingaan en uitgaan kent.

In dit begrip Jehudi is Mordechai echter van de zijde van Benjamin. In Benjamin staat de tempel; de tempel welke Nebukadnezar verwoest en welke Achashverosh, nadat de herbouw is aangevangen, toch weer niet kan laten afbouwen. Haman wil het ook niet. Hoe kan men de wetten van Meden en Perzen gehoorzamen als de tempel verder en verder klaar zou komen. De tempel is het tegendeel juist van deze wetten. In het allerheiligste van de tempel staat bijvoorbeeld de ark, welke aan iedere zijde tien ellen vrije ruimte heeft, terwijl de gehele ruimte twintig bij twintig ellen meet. En de vleugels van de Cherubim op de ark meten ieder tien ellen. Waar en hoe staat die ark dus daar? De overlevering zegt: door een wonder. En kom daar nu eens in de wereld van Achashverosh mee aan. Nee, zulk een huis waar God woont, mag niet afgebouwd worden.

Doch wel mag men er wel eens aan werken en erover praten. Dat hoort tot de list van de natuurwet. Kanaliseer alle gevoelens, nummer ze, zorg dat ze in het oog worden gehouden. Het is nuttig dat er aan een tempel wordt gebouwd. Men kan dan nu eens sneller en dan weer eens langzamer bouwen, men kan ook wel in sommige fasen zeggen dat er nu echt geen tijd voor is en dat men de bouw maar moet stopzetten. Alleen moet men er voor zorgen dat die tempel niet klaar komt.

Mordechai is van Benjamin, van de plaats waar de tempel staat. Vanuit Jehudah is er een strook welke door Benjamin loopt en in de tempel eindigt. In de tempel, bij het altaar met de vier hoeken, ontmoeten Jehudah en Benjamin elkaar.

Ook in Mordechai ontmoeten Jehudah en Benjamin elkaar. Hij wordt als Benjaminiet ook Jehudi genoemd. Rachel en Leah ontmoeten elkaar weer en worden tot eenheid. Zoals ook Jehudah en Josef tot eenheid worden.

De overlevering zegt dit zo, dat Mordechai zowel van Jehudah als van Benjamin stamt. Ook wordt er gewezen op de voorvader van Mordechai, op Shimi de zoon van Gera, welke op Davids weg kwam toen deze zijn opstandige zoon Absalom had, (2 Sam. 19). David luistert dan niet naar de raad van Abishai en hij laat Shimi leven. Omdat David 'weet', dat uit Shimi deze Mordechai voortkomt.

Ja, wat er zo al niet uit iets kan voortkomen! Zo vertelt de overlevering dat Haman, het zestiende geslacht van Amalek, kleinzonen had die tot het jodendom behoorden en Thora leerden. Zoals ook kleinkinderen van Sisera met kinderen leerden in Jeruzalem en kleinkinderen van Sancherib de Thora in het openbaar doceerden. Een van de kleinzonen van Haman, Samuel bar Shilath, wordt door de overlevering op speciale wijze als voorbeeld vermeld.

Omdat David dus Shimi laat voortbestaan - eerst als Shimi de twee knechten achtervolgt maakt de zoon van David, Salomo, een einde aan zijn bestaan - wordt Mordechai naar David de Jehudi genoemd.

En tenslotte leest de overlevering jehudi hier als jechidi, hetgeen zeggen wil: de alleenstaande, de afzonderlijk staande.

Want wie de weg van de goden, de weg van de ontwikkeling niet gaat, wordt jehudi genoemd. En zo is Mordechai dus ook de jehudi, ook de alleen staande, de Iwri, de anders zijnde. Hij staat alleen omdat hij steeds en overal de eenheid van God aanwijst.

Hij staat zelfs zo alleen, dat de overlevering meedeelt dat niet eens alle Jehudim Mordechai, nadat Haman was overwonnen en Mordechai bij de koning de uitvoerder werd, apprecieerden. Wel waardeerde een groot deel hem. Doch van de leidenden trok een deel zich van Mordechai terug.

Zo is het lot van de verlosser in de ballingschap. Ondanks alles, hij wordt niet herkend, niet gezien. Mordechai is de voorloper, de uitdrukking in deze wereld. Daarom blijft hij ook stil, bescheiden.

 

De herkenning brengt het eschatologische.

Dit is dus de typering van Mordechai. Het is de mens temidden van de groei. Het is in de mens zelve dat wat aankondiger is van iets anders, dat wat niet van zins is toe te geven aan de macht en de rijkdom van Haman. Het is echter nimmer een gemeenschap. Mordechai is alleen; als Mordechai staat men altijd alleen. De anderen, een eventuele gemeenschap, luisteren wel, willig of onwillig, met haar eigen bedoelingen, is wel blij met het resultaat, is er zelfs verbijsterd door, doch zij blijven steeds de gemeenschap tegenover Mordechai, Zelfs de Jehudim staan passief, zien toe, ondergaan mede. Doch Mordechai is degeen die doet. De Neshamah kan niet zwijgen als het gaat om erkenning van Haman, van de goden der ontwikkeling.

Als Mordechai en Haman elkaar hebben herkend, begint het verhaal het hoogtepunt te naderen. Als de ontwikkeling de andere kracht herkent, komt de crisis. Het Esther-verhaal vertelt van deze herkenning. Het is het verhaal van de lotgevallen van de wereld van de ontwikkeling, van de wereld gelovend aan de macht der natuurwetten. Het vertelt hoe deze wereld een crisispunt bereikt, het geeft ook het eschatologische aspect. Het vertelt van de ineenstorting, van de ontwaarding aller waarden, en het vertelt van 'daarna'. En het vertelt hetzelfde van ieder mensenleven afzonderlijk, waarin hetzelfde patroon is afgedrukt omdat ieder mens de wereld is. Ieder moment zelfs heeft in zijn komen en gaan hetzelfde patroon. De ruach ha-kodesh vertelt het wezenlijke, vertelt van het zegel van God.

Nu de personen, de karakters, getypeerd zijn, kan het verhaal beginnen. Men zal nu wellicht de oneindige wijdheid en diepte van een verhaal, geschreven met de 'ruach ha-kodesh', kunnen aanvoelen.

blz.138

 

 

Mordechai irriteert Haman.

 

Hamans groei is enorm. Hij is de rijkste, de machtigste. Hij voert consequent uit wat Achashverosh is. De rijkdom der wereld is een vrucht van de ontwikkeling. Alles buigt voor de gunsten die Haman kan uitdelen. Haman heeft op zijn kleed, zegt de overlevering, de goden welke hem groot maken en welke hij daarom dient en vereert.

Eén is er echter die niet meedoet. Hoe kan Mordechai overigens als Iwri, als van een andere zijde komend, meedoen? Mordechai met de mirre in zijn naam.

Mordechai zit echter aan de poort van de koning, alles passeert daar, ook Haman die in- en uitgaat. En Mordechai kan daar niet weg. De Iwri moet daar zitten, de Iwri is vlak bij de koning, hij is de enige in die poort; ook een eenzame. Hij behoedt de verborgene, het verborgene, hij is de mannelijke kant van Esther. De Iwri is hoogst belangrijk, daar in het absolute. Hij moet zien wat bij de koning in en uitgaat, wat er in deze wereld gebeurt.

En Mordechai wordt de grote ergernis voor Haman. Want Mordechai laat Haman toch steeds ook denken aan de eenzijdigheid van dat leven van steeds maar verder en verder, en aan de troosteloosheid van zulk een leven. Mordechai maakt met zijn aanwezigheid alle gewichtigheid van Haman belachelijk, voor Haman zelf, toont hem, dat alles wat Haman doet een nutteloos, doelloos spel is.

Mordechai doet eenvoudig niet mee. En iedereen ziet dat. Men maakt er Haman attent op dat Mordechai eenvoudig de voorschriften van Achashverosh overtreedt. De wereld van Poras en Modai wil dat men de ontwikkeling dient, het is het nut en daarom de zin van die wereld. Maar Mordechai overtreedt liever de wetten van deze wereld en doet niet mee aan het verafgoden der ontwikkeling. Hij weverder om voor de goden op Hamans verschijning te bukken. Mordechai provoceert, bij roept om moeilijkheden. Hij kan niet eens anders. hij moet daar aan de poort zitten en iedereen moet merken hoe zijn houding is.

 

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.