ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Notities van lezingen

63

OPEN VELD' ONTMOETINGEN         57e Bijeenkomst       25-27 Augustus 1967.

5e INLEIDING

onder de Leidende Gedachte:

" Alles om niet."

door Prof, Dr. F. Weinreb.

De mens, als hij hier in deze wereld komt, vraagt zich af: waartoe ben ik hier? Waartoe gebeurt dit alles in de wereld. Hij vraagt eigenlijk die voor de mens ook onstellend klinkende vraag, door alle tijden heen, de vraag die eigenlijk God hem laat vragen, namelijk: waartoe hebt Gij mij hier verlaten? Tot welk doel, met welke zin? En hij krijgt hier in deze wereld en in dit leven, als hij het geheel ondergaat, geen antwoord. Hij poogt het steeds zelf te formuleren, maar hij vat een antwoord niet. Hij ziet om zich heen: sterven, lijden; hij noemt het vaak wreedheid, onrecht, willekeur. En hij ondergaat het steeds. Er zijn maar twee wegen; het is de keus die de mens altijd voor zich krijgt, namelijk: ik onderga het, of wel: ik neem het heft zelf in handen, want zo kan het niet. Zoals hij het wel eens uitdrukt: God staat dat niet toe. Dat zou God nooit goed gevonden hebben. Hij wil dan de wereld gaan verbeteren; zoals hij noemt: leefbaar maken. Hij gaat zich zorgen maken om het beleid van de wereld. En hij laat al zijn scherpzinnigheid, hij denkt vaak ook zijn intuïtie, opkomen, om in te grijpen in deze wereld, om vrede te stichten, om zieken te genezen, om leed te voorkomen. Hij komt dan tot organisaties. Maar hij weet ergens heel diep in zich - en dat is iets anders dan intuïtie - diep in zich weet hij dat tot het einde toe er oorlogen en geruchten van oorlogen zullen zijn, en ziekte, en armoede; dat alles wat hij ook onderneemt, een soort roes opwekken is, een soort zichzelf wijs maken dat hij het verhelpen kan. Hij weet bij dit alles toch heel goed, dat hij voorbij gaat aan de ziel, aan het "waartoe" van dit alles. Is het alles alleen maar gemaakt als een poel van ellende, een tranendal, opdat de mens organisaties make om het weer op te heffen? Moet hij God verbeteren, moet hij aan de wereld een zin geven, die God dan misschien niet gegeven heeft?

Hij moet daar zich tegenovergesteld voelen zolang hij mens is. Hij kan zijn mens-zijn uitschakelen, het willen vergeten, het willen verdringen, hij kan dan zichzelf het gevoel aanspreken van: ik ben belangrijk hier, ik heb veel nieuwe inzichten verspreid in deze wereld; ik heb leed verzacht, ik heb geholpen. Men noemt dit, dit begrip van roes, van zichzelf iets aanspreken en de realiteit, zoals God die geschapen heeft, die realiteit vergeten, men noemt dit woord in het Hebreeuws roes, dronkenschap. En dat woord wordt merkwaardigerwijze precies gelijk geschreven als het woord voor loon. De mens denkt als het op de wereld goed gaat, als het hem goed gaat, dat hij dan loon ontvangen heeft, dat hij zo goed geweest is, dat nu de zegen op aarde neerdaalt voor hem en er een maatschappij ontstaat vol lieve mensen. Hij blijft veel vergeten, hij blijft vergeten dat in de natuur dingen voorkomen waarvan hij, als hij door zou willen denken, en dat doet hij toch vaak, zou zeggen: het is ontzettend wreed. Het is alles pure willekeur. Hij kan veel dingen isoleren, hij kan ziekenhuizen camoufleren, krankzinnigengestichten een beetje buiten plaatsen, begraaf-plaatsen onzichtbaar maken, en zich dan troosten met de waan: ik heb het in handen. Het is een waan, De werkelijke mens zal altijd die vraag blijven stellen: Waartoe heeft God dit zo gemaakt. Had Hij mij nodig als ingrijper, als helper, om het allemaal goed te maken wat blijkbaar bij Hem verkeerd gegaan is ? De werkelijke mens doet niet mee aan deze schijn, deze roes opwekken. De werkelijke mens ondergaat het, ondergaat het in de loop van de voor ons oneindig schijnende tijd. Hij is aan die oneindige tijd vastgespijkerd, ligt er op uitgestrekt, en ondergaat het. En de mens in het evenbeeld van God vraagt altijd inderdaad met diezelfde wanhoop: Waartoe?

Laat men zich dit steeds voor ogen blijven houden; al het andere is waan. Het loon is niet het loon dat hier ontstaat in de zin van vooruitgang, van technische ontwikkeling, van penicilline, van televisie, en van nog misschien veel meer dingen, die zeer zeker uit te vinden zijn en die juist in deze tijd met fenomenale vaart uitgevonden worden; alsof ons dat loon onder de neus gedrukt wordt en gezegd wordt: zie je, hier heb je het allemaal, en wat nu.

De mens is, zegt men, naar de Bijbel, in het evenbeeld van God gekomen en in de gelijkenis van God. Men citeert het zo, zoals men zoveel citeert, links en rechts. Vaak ook in het kader van het loon willen ontvangen. Maar men beseft niet eens wat dit betekent. Het Hebreeuwse woord dat men vertaalt met evenbeeld of met welke andere vertaling dan ook - en U weet, iedere vertaling is mank, is verkeerd, is onrecht aandoen aan de werkelijkheid - het woord voor evenbeeld betekent eigenlijk: de schaduw van God zijn. Of het nu zo gezien moet worden, dat God een schaduw werpt en dat dit de mens is, ik weet het niet, Alles wat hier op aarde zich aan ons voordoet, is een schaduw, is een teken. Het wil zeg-gen, het is een dimensie lager, er ontbreekt een dimensie aan. Voor de rest is de mens gelijk aan God. Gelijk aan God, doch een dimensie ontbreekt er aan. Je bent met God zo verbonden, dat wat God doet, doe jij. Je wordt door God gedaan.

Het woord voor gelijkenis in het Hebreeuws, dat is de uitdrukking van de plaats waar de mens naar deze wereld komt, waar de ontmoeting plaats vindt van hemel en aarde. Dat woord gelijkenis wil dat nu zeggen. Het wil zeggen: in datgene wat jij als tijd en ruimte ervaren zult, daar neem jij de plaats in van God.

Het woord Adam komt ook van dit woord gelijkenis, van dit woord "gelijk aan". Dat is geen frase zo maar, dat is een bijzonder ver reikende werkelijkheid. Ieder mens die dat vergeet beledigt God, handelt voor God onwaardig hier.

Als de mens in het evenbeeld van God is, in de gelijkenis van God, en de mens ondergaat hier dat lijden, dan houdt dit in, en men vergete dit niet, dat God ook hier lijdt. Dat God ook daar is, waar dit lijden een hoogtepunt bereikt, Het wordt zo uitgedrukt in de Bijbel; men leest het, men citeert het, maar men eet het niet op, dat het een stuk van onszelf wordt. Men zou die rol moeten opeten, dat het een deel van de mens werd.

Daar waar inderdaad voor onze ogen wreedheid plaats vindt, onrecht, lijden, daar is God. Niet als toeschouwer, niet als degeen die zegt: het is zo erg niet. Doch juist als degeen die dit lijden volledig ondergaat, mee ondergaat. Juist daar is Hij, waar ondergaan wordt. Omdat dit ondergaan van het lijden, de sterkste uitdrukking is van het evenbeeld Gods.

Niet waar die andere kant haar plaats heeft, de kant die graag het loon hier wil hebben. Dat woord loon, dat verband houdt met het woord dronkenschap, roes. Zo dronken kome de mens het heiligdom niet binnen, zegt God. Dat heiligdom kan men niet binnenkomen, als men loon wil hebben, geldwisselaar wil zijn, Ga, verlaat het heiligdom, als je een koopman wilt zijn, een Kananiet, zoals het woord koopman in het Hebreeuws ook luidt. Verlaat dan de plaats, de wereld, want anders kan die wereld niet het Heilige Land zijn.

Daar waar de mens loon wil ontvangen, probeert hij het zelf ter hand te nemen. Hij gaat oorlogen voeren, hij gaat terugslaan. Dat kan lonend zijn, men kan zelfs winnen als men terugslaat en de roes wordt nòg groter. Hij zegt: zie je wel, God is aan de kant der dronkenen. Natuurlijk hebben wij allen in de laatste tientallen jaren, de jaren waarin wij hier op aarde verschenen zijn meegeleefd met het gebeuren in deze wereld. Er zijn dingen gebeurt, zo onnoemelijk zwaar geladen met leed, dat we ze liever willen vergeten. Men zegt dan: "praat er niet over, het is niet aangenaam om deze dingen in een gesprek te berde te brengen. Praat liever over de gezellige dingen". Maar ze zijn gebeurd en het zou een belediging zijn voor Gods Leiding in de wereld, dat wij zeggen, dat was een misverstand, een vergissing van God. Dat wist Hij niet goed, op een bepaald moment had Hij geen zin, toen sliep Hij.

Ik denk aan het gebeuren - en ik wil hier niet een nadruk op leggen, ik wil het als een aanloop nemen omdat het zo tot de mens duidelijker spreekt, en het is jammer dat net dàt moet spreken, ik denk aan het gebeurde in de laatste oorlog, tussen 1940 en 1945. Ik denk aan de vernietiging van miljoenen mensen, en aan de wijze waarop dit gebeurde, en ik denk vooral aan iets waar men eigenlijk liever aan voorbij gaat, namelijk dat nagenoeg altijd - en dat is steeds weer vastgesteld - nagenoeg altijd deze mensen zich als sschapen ter slacht-bank lieten leiden. Er werd geen kik gegeven. Het is een waardigheid zo hoog, dat alleen gezegd kan worden, zo gaat God. Men heeft ook mensen gehad die in wanhoop en paniek gingen vechten, met opstanden, denk b.v. aan de Warschause ghetto opstand. Die wordt gevierd, dat had het meeste succes ook, het staat in de geschiedenisboeken der volkeren geboekstaafd als een reusachtige vechtpartij, en slachtpartij ook, natuurlijk. Dat was menselijk, gewoon natuurlijk; dat àndere was goddelijk. En ik weet zeker, dat daar op die plaatsen waar dat gebeurde, dat daar God stond. Dat Hij zei: hier ben Ik. En daarom gebeurde het zo.

Ik zei zojuist, dat dit voorbeeld jammer genoeg, genomen moet worden om de mens vol van dronkenschap door de successen van de gang van zaken in deze tijden, wakker te maken. Maar vergeet niet, dat ieder jaar gewoon - zeggen wij - miljoenen mensen sterven, niet via oorlogen. Maar de een heeft ziekte a., de andere b., de derde c.; de een is jong, de ander van middelbare leeftijd, soms is hij oud; dan zegt men, ja hij heeft zijn tijd gehad - maar het gebeurt steeds. Men wil er niet over praten, men zou aldoor moeten zeggen - en sommigen zeggen dat - hoe kan God dat toelaten. Het is toch wreed, dat die mensen lijden. En daar op die plaats waar die mens lijdt, staat ook God. Ook dáár zegt Hij; hier ben Ik. Jij hoeft daar niet te staan. Ik sta daar al.

God is alleen zich terugtrekkend, daar waar om loon gevraagd wordt. Waar gevochten wordt, waar georganiseerd wordt, waar geconfereerd wordt om de wereld beter te maken. De wereldverbeteraars, zijn de in mijn gevoel steeds ellendigste en meest zielige wezens. Men maakt zich ongerust: de wereldbevolking zou te snel kunnen toenemen! Stel je voor, God heeft het niet voorzien, dat het gebeuren kon! God geeft de mens de mogelijkheid zich voort te planten, lichamelijk te blijven bestaan hier, en God zou in zijn planning vergeten hebben, in te brengen deze factor dat er een bepaald moment te veel mensen zouden kunnen komen. Men maakt zich grote zorgen, men grijpt in, men wil zelf het nu regelen. Ik heb hierbij eens als voorbeeld - toen ik college gaf voor statistiek - genomen dat als de gehele wereldbevolking zoals die nu is, drie miljard ruim, als die hele wereldbevolking geplaatst zou worden in het land dat wij kennen als de Verenigde Staten van Noord-Amerika - dat betrekkelijk kleine land op de wereld-kaart, weliswaar een groot land, maar toch op de wereldkaart slechts een vrij klein stukje - als die hele wereldbevolking op dat gebied van de Verenigde Staten zou worden geplaatst, dan was de dichtheid van de bevolking daar precies zo groot als nu in Nederland. Dan bleef de rest van de wereld onbewoond. In mijn jeugd zei men ook al, het waren mijn leraren, mijn leraren van de volkeren: och, steenkolen dat raakt op, in het jaar 2000 hebben we geen steenkolen meer, wat dan ? Ik heb me echt geen zorgen gemaakt. Intussen is er olie gekomen, atoomenergie. Men weet niet eens meer wat. Maar dit zich zorgen maken daarvoor. Het zich zorgen maken om de vrede, men wil de oorlogen voorkomen - en er komen steeds meer oorlogen, hoe meer we het voorkomen willen. Steeds meer ziektes, hoe meer men voorkomen wil. De mensen worden allemaal aangetast. Het is de aantasting door die dronkenschap.

Daar waar dit gebeurt, daar kan men zeggen, is God niet aanwezig, in die zin niet aanwezig, niet als God. Daar komen andere krachten, daar gaat het leven in een vaart zich ontwikkelen, weg van God, zich afwendend van God. Ik zei, niet op deze wijze, niet in deze vorm is God er aanwezig. Natuurlijk is God overal aanwezig, God is ook daar aanwezig, bij die dronkenen, bij die zelf-helpers.

De vraag is dus: waartoe is dit gemaakt? Want als inderdaad het lijden een diepe zin heeft, wat is de zin daar dan van? Lijden in het Hebreeuws houdt verband, is nagenoeg hetzelfde woord, als het woord voor vorm-worden op deze wereld. En als gezegd wordt: God gaat mee in deze schepping, dan houdt dit al in, dat God meegaat en dat dit het lijden betekent.

Want deze schepping heeft een geheim. Het geheim van de zin van dit lijden. Het antwoord op de vraag: waartoe hebt ge mij verlaten? Waartoe hebt Gij mij geofferd hier? En dan is het antwoord dat woord, dat ook in de Leidende Gedachte voor deze inleiding voorkomt, het woord dat men vertaalt in het Nederlands met " om niet ". En dat woord in het Hebreeuws luidt bechinom. Het Hebreeuwse woord bechinom dat inderdaad dan ook " om niet" betekent, maar dat ook - en daar komen we straks op - betekent " voor niets".  Het is voor niets geweest. Het was, en het heeft niet geholpen. Laat ik zo zeggen: het was allemaal vergeefs, wat nog veel erger is. Dat woord  bechinom heeft als stam het woord, dat wij kennen als "liefde", genade hulp. Zò moeten wij dat woord zien. Wij moeten het vertalen naar de sfeer van het menselijke. Het menselijke daar waar het menselijke inderdaad goddelijk is. Want dan betekent het dat de motivering, het "waartoe", niet anders is dan dat God de mens oneindig lief heeft en het daarom doet. Hij doet dit in dit op Zich nemen, en dit is een daad van oneindige liefde. En daar valt óók onder deze hele schepping, met wat wij daarin menen te herkennen en terecht herkennen en ondergaan, als leed en onrecht, als wreedheid. Dat is het mysterie. In het woord dat aan het begin van de schepping staat, is al opgesloten het beginsel liefhebben. En hier op deze aarde uit het zich zó, als wreedheid ook, als onrecht, als dood ook. Dat is het mysterie.

Het is de vraag ook welke in het Oude Testament Mozes aan God stelt en zegt - om het even samen te vatten, het gehele gesprek in enkele zinnen - hoe is het mogelijk, dat het allemaal zo toegaat? B.v. de openbaring die aan de mens gegeven is op Sinai. God heeft tot hem gesproken en de mens maakt het gouden kalf, en zegt daarbij notabene: dat is je God, die je bevrijd heeft. Hoe kan dat, waartoe? Wat is de zin van dit alles? Wat is de zin dat ik, Mozes, dit allemaal moet doen? Ik heb er niet om gevraagd. Ik wil niet eens en ik moet het doen. Ik heb liever ook mij terug te trekken, maar ik word steeds gejaagd om het te doen. Wat iedere profeet steeds zegt: ik wil niet. Neem een ander, want dat verdraag ik niet. Laat het aan mij voorbij-gaan. Dan antwoordt God hem en zegt: Ik zal aan je voorbijtrekken en dan zul je zien. En dan trekt God aan Mozes voorbij.

God trekt aan de mens voorbij, de mens die uitgetrokken is uit de stroom van de tijd. De naam Mozes zegt dat. God trekt aan hem voorbij en hoort God zeggen: Zijn Naam uitsprekend, Gods Naam. En die naam is: de Heer, de barmhartige, de liefdevolle, de genadige. Je zou denken: Mozes is verbouwereerd van al dit goeds dat aan hem voorbijtrekt, en Mozes kent toch deze wereld en deze mens en begrijpt zeer zeker niet wat dit dan te betekenen heeft, hoe dat kan, hoe dat rijmt. En dan ziet hij God. Als Hij voorbijgetrokken is kan Mozes God zien. En in de overlevering wordt verteld, wat Mozes dan van God ziet. Mozes ziet dan van God - als we het even antropomorfisch moetenn voorstellen, maar het is zo, de mens is de schaduw van God, de dingen houden verband, zijn projectie zou je kunnen zeggen, zijn lagere dimensie - Mozes ziet van God dan een knoop, een knoop die ook bij de mens aanwezig is, de mens die naar het evenbeeld van God gemaakt is. En dan zegt God aan Mozes: zò ben jij gemaakt, kijk maar, dat ben jij. En de mens heeft ook een knoop daar waar de overgang is tussen het hoofd en de romp. Het is een knoop van zwart licht, geen knoop van zichtbaarheid. Het is een knoop van het beginsel duisternis, van het beginsel "niet-hier-zijn", het tegen-zijn van dit leven, van deze wereld. Maar de mens heeft dit, het is hem ingeschapen, het is hem geopenbaard, dat hij het heeft. Het is hem tot in details geopenbaard, zoals een vader aan zijn kind vertelt wat de zin van alles is. Het is hem gezegd: kijk, dat wat boven is, dat heb je ook. Om jouw hoofd heen een strook van deze zwarte band. Deze band van duisternis, van iets van een andere wereld, van een andere realiteit, van vóór deze schepping. En deze band gaat verder naar beneden. Maar bij de overgang tussen boven en beneden, daar is een onontwarbare knoop, zodat wat boven rechts is, beneden misschien links is, en misschien niet; het is onontwarbaar. Probeer dus niet met je intellect, met jouw verstand hier, samenhangen te zien, causaliteiten te gaan zien, tussen boven en beneden. Boven is er pertinent, en dat heb je nu ervaren en gehoord en gezien: liefde, genade, barmhartigheid, goedheid, vergeven. Dat is boven, weet dat. Beneden kan het er anders uitzien; want Ik zou zo graag willen, en het zou haast moeten, je bent immers Mijn evenbeeld hier, dat wat Ik met de schepping meemaak, om die schepping mogelijk te maken, alsjeblieft, onderga dit ook. Hierin sta met Mij. Sta niet tegen Mij, probeer niet te verklaren, probeer niet te veranderen. Want de zin van de schepping is dat. Je zult zien wat dit is. Niet hier; als je het zien zou hier, zou je loon ontvangen hier. Als je verklaren kon wat het was, was het een roes, een dronkenschap, die Hij je gaf. Niet hier, maar doe Me dit enorme genoegen, deze grote vreugde en draag dit met diezelfde liefde, met ditzelfde vertrouwen, waarmee Ik alles gemaakt heb.

Deze band draagt de mens. God zelf toont de mens waar die band is. Het is een band tegenover het hart, op de linkerarm; het is de band om het hoofd, het is de verbinding met de andere wereld, die alleen de mens heeft. En dat is het evenbeeld Gods. Want wat Mozes van God ziet is alleen dat, juist dat zwarte, dat duisternis-stuk. En verder ziet hij niets.

Het is de vraag aan de mens: zou je dit kunnen ondergaan en Mij toch kunnen blijven vertrouwen? want Ik ben geen leugenaar. Als Ik jou het eeuwige leven beloof, dat is dat zo, en zeg dan niet: maar ik zie toch mensen doodgaan, Vertrouw Mij en geloof, dat het niet zo is. De mensen denken: God liegt, of Hij heeft ons vergeten of het is misgegaan, of Hij bestaat zelfs niet, het is maar een fictie. Maar God zegt: dit is trouw. Emoena - het woord dat wij ook gebruiken als wij amen zeggen; trouw. Ik vertrouw het. Dat betekent "amen".

Als een mens in de wereld dingen ontmoet, eet, drinkt, ziet ondergaat en hij denkt dan aan God, dan zegt hij volgens oud gebruik: "alles hier bestaat door Zijn Woord". En dan zegt degeen die het hoort: "Amen; ik vertrouw het, ik geloof het. Want het lijkt weliswaar naar niets. Het bestaat zo op het gezicht eigenlijk alleen volgens het plan van de mens, volgens allerlei regelingen en wetten van de mens. Doch neen, het bestaat door Gods Woord. Door Zijn Woord bestaat het."

Het is een opgave die bijna en inderdaad meer dan bijna, aan de grens staat van het niet-kunnen. En eigenlijk hier niet vervuld kan worden, deze echte trouw. Want op het allerlaatste moment zegt de mens toch weer steeds: maar dat kan toch niet. Doch gevraagd wordt hem: probeer deze trouw Mij te geven. Onderga het, neem geen roesmiddelen om loon hier te krijgen. Probeer Mij na te doen, probeer Mij na te volgen en onderga het, zoals Ik het onderga. Zoals Ik zeg, juist daar waar het ondragelijk is, en Ik, God, zeg dan: hier sta Ik sta dan naast Mij, bij dit alles! Want dan doe je iets wat beslist voor de wereld onmaatschappelijk schijnt, onlogisch, je slaat niet eens terug, je laat je leiden, zoals het gaat, als een schaap. Ze zullen zeggen: dat kan toch niet, dat is toch onredelijk, dat hoeft toch helemaal niet. Het hoeft niet, maar het mag. En God hoopt dat het gebeurt. En als het weer niet gebeurt, ja, letterlijk wordt dat gezegd: God zucht dan ook, dat het weer niet gebeurt.

Het herhaalt zich oneindig vele keren, en iedere keer wordt gevraagd: zou je dit toch kunnen doen, want je hebt toch die band boven. Je bent verbonden, beneden met boven, alleen niet via jouw logica, niet via jouw causaliteiten, doch via iets wat van Mijn kant liefde heet, genade, en van jouw kant vertrouwen heet. En ook dat is liefde. Die band heen en weer is een band van vertrouwen en liefde. Geen band van berekening. Berekening is alleen tijd-ruimtelijk. De andere bindingen liggen in een ander vlak. Die kun je niet berekenen, Je kunt niet zeggen: dat leed dat iemand mij aangedaan heeft door mij te beledigen is minder erg dan het leed dat die ander onderging door hem te onthoofden. Dat leed van belediging kan veel zwaarder wegen, dat weet men niet. Dat kan met niet meten en wegen, Het is van een andere hoedanigheid. Ik zei daarnet: het voord bechinom, om niet, betekent ook voor niets, het heeft niet geholpen, het was voor niets. Bechinom is ook zo te gebruiken, het wordt dan ook vaak inderdaad zo gebruikt. Want hier is eigenlijk het punt waarvan ik zei: dit is de grens, waarbij de mens tenslotte zegt: "Neen, en hier moet ik als mens falen. Ik zou wel willen, maar ik kan niet. En toch is er ook hier een menselijk iets dat toch niet faalt.

En ik denk hierbij aan het stuk in de Bijbel waar voor het eerst eigenlijk duidelijk verteld wordt van het einde van de wereld. Daar waar in het l0e geslacht van Adam, van de mens, aan het einde eigenlijk van een wereld, van een realiteit, God de wereld laat ondergaan. Het is het verhaal van de zondvloed, van Noach. En dan komt daar een zin voor die in vertaling alweer wat vreemd klinkt en waar de mensen zich graag van afmaken omdat het inderdaad een beetje vreemd klinkt. God zegt daar namelijk zoiets in de geest van: Ik heb er spijt van dat Ik de mens gemaakt heb. (Gen.6:6) Hoe kan God spijt hebben, dat Hij iets gemaakt heeft?

Het woord in het Hebreeuws luidt helemaal niet in de zin van: ik heb er spijt van. Alleen het is zo onnoemelijk zwaar om dat woord anders te vertalen op die plek. Maar toch moet het anders vertaald worden. Het woord in het Hebreeuws luidt : Vajinachem en eigenlijk betekent dat: en Hij troostte zich. Typisch dat de naam van de verlosser ook is: Menachem, de trooster. Dat het woord liefde, genade, dat ik noemde, om niet, bechinom, in zich heeft de letters, ook de noen en de cheth van het troosten. Dat het troosten hier door alles heenspeelt. En typisch ook dat de naam Menachem in de Joodse overlevering steeds verbonden wordt met een andere naam. Men spreekt ook altijd van Menachem Mendel. En Mendel is een jiddisch woord, dat komt van amandel. En van de amandel wordt verteld: de amandel is in de vruchten diegene die het snelste bloeit, die het snelst te voorschijn komt. Want de Trooster haast zich. Is er altijd, is er al in het vooruit. Het is niet een zaak waar je op wachten moet. Neen, het is met zulk een haast overrompelend over je heen komend, dat je gewoon blind moet zijn om hem niet te zien en doof om het niet te horen. Hij is er al. Het is Menachem. Niet die ééns gaat komen, die berekend kan worden. Neen, niet berekenen. De bijbelse rekening geeft een getal aan voor het moment van het einde dat precies het woord is voor genade en voor dit Menachem. D.w.z, het is er altijd. Je gaat toch niet met je hersenen rekenen. Het is geen koude rekenkunde; het is het woord voor troost en voor liefde. God troost zich. Want wat gebeurt er juist in dit geslacht? Dan is er in de mens datgene wat wij Noach noemen. Dezelfde letters weer als in het woord Menachem.

En Noach heeft het Woord begrepen, het Woord gehoord. Hij vertrouwt het Woord. De opdracht aan Noach is een vreemde opdracht. In het beeld is die opdracht als volgt: bouw een schip op het droge, want dat zal je behouden. Maar je kunt geen vreemdere opdracht krijgen. Een schip in het water bouwen, tot daar aan toe; maar ver weg, bij een berg, een schip bouwen, waar in de verste verte geen water te bespeuren is, waartoe? Het woord voor schip, voor deze ark van Noach, teva, is in het Hebreeuws hetzelfde woord, eigenlijk veel vaker gebruikte woord, voor datgene wat wij "het Woord" noemen. De opdracht, het verzoek van God is: alsjeblieft herken het Woord, herken het geheim in het Woord, herken de Trooster in het Woord. Herken het eeuwige in het Woord. Herken dat het woord van Mij afkomt, zegt God. Dat dàt de verbinding is met jou. Ga in in dit Woord, geloof dit Woord. Het Woord dat Ik jou openbaar, dat helemaal geen zin in die wereld schijnt te hebben. De mensen lachen je uit. Je bent de risé van de mensheid met dit Woord. Zij zullen zeggen: "er zijn toch veel belang-rijkere andere dingen: studeer scheikunde, natuurkunde, medicijnen, maar dat Woord, daar hebben we geen tijd voor. Maar jij, bouw aan dit Woord. Geloof dit Voord, vertrouw wat er met dit Voord gezegd wordt. Geef de liefde met dat Woord. En dan blijkt inderdaad, dat dit de Troost is. Want de wereld gaat onder. Het wil zeggen, er wordt een nieuwe wereld geboren. En met het Woord heeft de mens de verbinding tussen deze wereld en de andere, Door het Woord komt hij daar. Niet het woord als een magische formule. Doch het Woord dat hij vertrouwt, het Woord dat hij gelooft, ondanks alles. Dat hij om niet gelooft. Terwijl alles er anders uitziet, gelooft hij dit Woord.

En zo breekt de oude wereld, en breekt er een nieuwe wereld door. Wie weet, zien we in onze dagen, wie weet, niemand weet het, misschien, maar wie weet zien we hier een doorbreken van een wereld, Op allerlei wijzen, of de mens wil of niet, breekt hij door een schaal heen, zoals een vogel die geboren gaat worden uit een ei. Hij doet het nog vreemd, tastend. Hij merkt dat er middelen zijn, die zijn geest naar een andere wereld kunnen brengen, en middelen die hem lichamelijk elders kunnen brengen. Het is de dierkant, de aarde-kant van dit doorbreken. Misschien is er gelijktijdig - niet gepaard met al dat lawaai, met die storm, met die oorlogen - maar heel stil, met die aparte stilte waarmee God verschijnt, ook iets aan het doorbreken. Misschien werkelijk is het nu de tijd waar we leed hebben meegemaakt en om ons heen zien steeds, dat zo groot is, dat juist nu je zegt: " ja, het is wel onnoemelijk veel gevraagd, maar ik geloof het, ik doe mee, ik lijd inderdaad mee, niet als toeschouwer". Vergeet dit vooral, dat God toekijkt. God lijdt mee, Het is voor God geen spelletje. Al deze dingen niet. Ook Golgotha is geen spelletje van: hij zal wel merken dat het goed is. Het is het uiterste wat God aan de mens vraagt, om dat op zich te nemen. Omdat er een volkomen andere band bestaat, een band die bij de mens ook leeft.

Daarom is inderdaad de opdracht " alles om niet ". Vraag niet om loon, vraag niet om verklaring. Daar waar God besluit de wereld, zeggen wij, te vernietigen, bestaat er geen vernietiging. Daar wordt gezegd: uitwissen. Het woord uitwissen, heel typisch, heeft als stam hetzelfde woord als wij kennen voor het woord "hersenen". D.w.z. je zult zo intellectueel worden dat je wereld vergaan zal. Dat is je ondergang, dat je alleen maar dit zien zult: verklaringen en nog eens verklaringen, berekeningen en nog eens berekeningen. Hoofdsteden met computers die alles regelen. En dat is jouw ondergang. Dat is het uitwissen van de mens op deze wereld. De mens die dan in uiterste paniek zal zijn en we zien het al, hij verdraagt het niet. Hij wordt angstiger en angstiger, hij grijpt zich aan alles vast, hij weet niet meer waar hij is: dit is het uitwissen.

De vraag " alles om niet" is een opdracht aan de mens God na te volgen. God vraagt hem: Ik doe dit, Ik sta bij dit alles, sta naast Mij, sta met Mij, dat is dan de zin van je bestaan. Je krijgt geen loon. Ook niet in de vorm dat je zegt: nu voel ik mij gelukkig en verheven en vrij. Dat was dan weer loon. Neen, onderga het.

Maar, je hebt een andere verbinding. Er is iets in je dat je zegt: het kan me eigenlijk hier niet zoveel schelen, De betrekkelijkheid van al het overrompelende hier. Het is er wel, maar ik weet diep in mij: ik onderga het allemaal tot het uiterste, ik onderga het wel. Ik maak mij niet dronken, maar ik weet dat ik door alles te ondergaan, door het met blijdschap op mij te nemen, toch iets heb. Iets uit een andere wereld. Dat er dan een aparte band bestaat tussen mij en God. Ik geloof dat. Ik geloof ook " om niet".

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.