ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Notities van lezingen

62

'OPEN VELD' ONTMOETINGEN

34 Bijeenkomst 20-22 Mei 1966

Onder de Leidende Gedachte: "Kunnen de Transcendenten van het Jodendom, die het als boodschap voor de wereld in zich draagt, worden onthuld als universeel Licht, zonder te verzanden in de geschillen der volkeren?"

door Professor Dr F. Weinreb

Deze inleiding staat onder de Leidende Gedachte: "Kunnen de Transcendenten van het Jodendom, die het als boodschap voor de wereld in zich draagt, worden onthuld als universeel Licht, zonder te verzanden in de geschillen der volkeren?"

Transcendenten is een niet-Nederlands woord en ik heb getracht dit automatisch te vertalen in een woord dat mij beter ligt en dat misschien U allen toch ook, omdat het nog niet beladen is met een bepaalde gevoelswaarde, beter zal liggen, Ik vond voor dit woord "Transcendenten" de uitdrukking: Hebreeër. Want de naam Hebreeër, in het Hebreeuws zelf: "Ibri", betekent " van de overkant", "van een andere wereld". Van een wereld niet alleen ergens anders liggend, maar volkomen onvergelijkbaar met deze wereld. Een wereld waar wellicht alles wat hier tegenstelling lijkt harmonie is. Een wereld welke misschien glimlacht of lacht om deze wereld.

En daarom is, als men spreekt van de Transcendenten van het Jodendom, meteen iets gebeurd als men Transcendenten vertaalt met Ibri, met Hebreeër. Want dan is het Jodendom niet meer een zaak alleen van deze wereld hier, Dan is Jodendom een universeel iets, een bron welke de hele wereld, het heelal, de mensheid voedt. Dan is Jodendom geen concurrerende kerk of godsdienst temidden van kerken en godsdiensten, maar dan is Jodendom het goddelijk bezit voor de mens. Als we dan spreken van de kerken der volkeren dan horen daartoe allerlei genootschappen, kerken, politieke verenigingen, sportverenigingen, wat U maar wilt, en dan hoort daartoe ook een aantal joodse kerkgenootschappen. Men moet dus niet verwarren, dit universele dat God aan de mens gegeven heeft, met wat we hier in deze wereld van verschijningsvorm steeds zien en dat ons steeds weer verleidt om ons in onze onzekerheid een stut te geven, te zeggen, "ik hoor toch bij een sterke club, bij een genootschap met vele leden, ik heb invloed en jij niet,"

Dat Jodendom is een mensdom waarmee God aan de wereld openbaart hoe de mens inderdaad is. In God's Woord, in de Bijbel, van a tot z, in de hele Bijbel, wordt gesproken over de mens, Maar die mens splitst zich in allerlei hoedanigheden. Er wordt verteld van 70 volkeren en van die 70 volkeren wordt weer allerlei verteld tot in verre onderdelen. Er wordt gesproken over Ezau, Amalek, Ammon, Moab, volkeren die niet eens voorkomen bij die 70 volkeren. Maar alle deze volkeren bestaan alleen in de wereld die transcendent is, in die wereld van de overkant. Alleen daar zijn ze te onderscheiden, naast elkaar. Hier in deze wereld is alles gemengd, en zo is het ook de mens die hier dit alles in zich heeft, De mens waarvan in de Bijbel verteld wordt hoe hij daar bij God is, Daarom spreekt men van deze wereld van onze verschijningsvormen als de nacht-wereld en men wacht altijd op het komen van de dag, van het Komende, als alles weer tot eenheid en tot klaarheid is gekomen, iedere dag in het scheppingsverhaal begint met de nacht, met de avond en de nacht. En het woord 'avond' in het Hebreeuws en ook het woord 'nacht', als men dit vertaalt, zoals het Hebreeuws dit letterlijk geeft, wil dan zeggen: vermenging. En nacht: in elkaar gestrengeld zijn. Omdat alles wat in de dag helder naast elkaar staat, in de nacht gemengd is. Daarom heeft ieder mens hier deze menging in zich. In ieder mens zit ook Ezau en Amalek, en in ieder mens zit Israël.

In ieder mens is dit alles vertegenwoordigd. En het is een hovaardij om in deze wereld hier te zeggen, hij is dit en die is dat.

Men kan hier niet aanwijzen, Maar toch staat men hier in verbinding met die wereld van de Ibri, die lijn die is niet stuk, is niet afgesneden, is met gebroken, De Ibri is ook in deze wereld. Dat is het wonder van de verlossing, dat ook de Ibri in deze wereld is en in deze mens is, in hem kan zijn, Men beseft niet welk wonder men beleeft, welk geschenk men heeft gekregen doordat deze Ibri ook bij ons is. In ieder mens zit dat waarvan hij weet "ik kom toch ergens anders vandaan. En dit alles hier, kan me eigenlijk niet zo heel veel schelen, hoewel het me toch erg scheelt". Hij is nog hier in tegenstelling ermee, Beide kanten werken in hem. En soms irriteert de Ibri hem, de Ibri in hem-zelf, dat hij zegt, "wat is die Ibri weer lastig, hij herinnert mij weer aan andere dingen en ik heb het net zo goed hier Nu moet ik weer loslaten."

Zo irriteert de Ibri in onszelf ons. Zoals hij ook ons irriteert bij anderen, waarbij we zeggen, "wat een vervelend mens, waarom nou net met al deze dingen Het stoort de economie. Het stoort de gang van zaken, het stoort de politiek- Waarom dit." Ja, waarom dit. God heeft de Ibri geschonken aan deze wereld, Daarom is in de Bijbel ook het verhaal van de verlosser zo gegeven dat de verlosser een Ibri is Niet omdat hij toebehoort aan het Joodse volk, Volkeren, ach, zoek het maar uit hier, ik zou er niet aan durven beginnen Ook wetenschappelijk niet. Maar de Verlosser is een Ibri, is iemand van de andere kant die hier komt en hier daardoor op zich neemt wat de Ibri ook aldoor op zich krijgt. Hij irriteert, Zou deze Verlosser een braaf burgerlijk bestaan verkiezen, hij zou geacht zijn in de maatschappij, zeer gezien, hij zou een onderscheiding krijgen, een hoge orde, maar zou geen verlosser zijn. De Verlosser is alleen, heeft alles tegenover zich, hij herinnert de mens eraan, "pas op, je bent niet alleen van hier, je bent ook daar. Je bent gelijktijdig daar en je bent steeds daar en van daar uit leef je "

Daarom is de Verlosser niet een kwestie van een nationaliteit of van een kerk; het is van God een geschenk aan deze wereld, dat God zelf toont: "alleen zo is er een Verlosser als je de Ibri herkent". Hij is iemand van een andere wereld.

En wat hier in de verschijning als vermenging komt, is alleen maar om de mens eigenlijk de gelegenheid te geven, laat ik het zo uitdrukken, om God lief te hebben ondanks de verleiding van de verschijning, Ondanks de mogelijkheid van genot in deze verschijningsvorm, ondanks de mogelijkheid tot bevrediging van machtswellust, van ingebeeldheid, ondanks dit gevoel van te kunnen zeggen, "ik behoor bij een machtige groep, wij hebben de meerderheid der bevolking, zo machtig ben ik". Ondanks die verleiding, dat men toch zegt: "ik heb God lief, ondanks dat, terwijl ik hier niets anders krijg dan moeilijkheden„ Ik weet welke keuze ik doe En ik weet hoe die keuze gedaan wordt daar bij de Ibri ook steeds, wetende dat als de keuze eenmaal gedaan is men alle consequenties van dien ook op zich moet nemen, tot het bittere einde. Tot de laatste druppel van die beker."

En dat men het toch doet, helemaal met omdat men hier dan succes heeft, of applaus, neen, het tegendeel vaak. Maar men doet het omdat in ieder mens toch ook de Ibri kan leven. De mens zoals hij geschapen is, heeft in een van de vele facetten, ook de Ibri.

Het heeft daarom weinig zin om te spreken van allerlei volkeren, allerlei kerken, van liturgieën, om te trachten uit te vinden via theorieën, via analyses, welke de goede is, welke de minder goede is, welke de slechte is Dat is een vreselijke" verwaandheid om te menen dit te kunnen ondernemen, te willen ondernemen. Men late dat volledig na.

Kerken, volkeren, dat is dat begrip dat in de Bijbel genoemd wordt tegenover de Ibri: de volkeren. Ieder mens heeft deze volkeren in zich. In ieder mens wroeten zij en woelen zij. In ieder mens willen zij tot heerschappij komen En met dit volk is beter dan het andere. Het lot van deze facetten, van deze volkeren, is het geheim van God, is een mysterie. Dat wel eens ook geopenbaard zal worden. Maar hier is er alleen de keuze: Israël of de volkeren; de Ibri in ieder mens of al dat andere, die veelheid; de keuze tussen het ene volk en de vele volkeren. De vele volkeren die steeds trachten die ene te verleiden. En die ene, die toch ook zo graag naar die verleiding kijkt, er naar lonkt, en steeds de kans zou hebben af te glijden, maar hij kanniet, want hij is van een andere wereld. Het wordt niet toegelaten.

Hij wordt weggenomen van de verleiding. Hij krijgt de kans niet Als ik dus spreek over het Jodendom dan hoop ik, dat U nu begrijpt, dat ik niet spreek over een concurrerend kerkgenootschap. Er bestaan joodse kerkgenootschappen, ze zijn niet beter, niet slechter dan de andere, ik weet het niet. Het zijn mensen met dezelfde zwakheden behept, met dezelfde moed vaak, met dezelfde grootsheid, die we overal bij mensen kunnen vinden. Maar als ik hier spreek dus over Jodendom, dan spreek ik, zoals de Leidende Gedachte dit ook naar voren brengt, over de Transcendenten, de Ibri, de mens die anders is. En in ons datgene dat anders is. En daarom wil ik trachten met U enige facetten van die Ibri te bekijken. Wat vertelt de openbaring van de Ibri.

In de eerste plaats, hij is altijd alleen; tegenover de anderen. Hij voelt zich eenzaam, maar toch vol vreugde in zijn eenzaamheid. Vreugde toch ook gemengd met verdriet. Vreugde zonder die menging is niet waar, bestaat hier niet.

En van die Ibri wordt verteld, vanaf zijn eerste verschijning reeds, in de Bijbel zich uitdrukkend in het verhaal van de aartsvaders, en het gaat verder tot het laatste stuk van de openbaringen. In de Bijbel, bij de eerste verschijning van de Ibri, bij de aartsvader Abraham, zien wij al direct, welke de hoedanigheid van die Ibri is. Ten eerste, vertelt het verhaal al, dat de wereld hem eigenlijk niet geboren wil doen worden. Het is al moeilijk voor hij ter wereld komt. Typisch hetzelfde verhaal als in het Nieuwe Testament verteld wordt, vertelt de Midrasch van het geboren worden van Abraham. Dat bij Koning Nimrod, zoals bij Herodes, al reeds gezegd werd, " er schijnt een nieuwe tijd te komen. Er zijn tekenen ervan, laten wij alles doen om die nieuwe tijd geen kans te geven. Laten wij meer welvaart brengen, laten wij de mensen nog meer verstrooiing geven, meer televisie, meer ontspanning, meer toerisme, meer reizen overal heen, want stel dat het nieuwe toch zou komen. Geef ze loonsverhogingen, doe alles maar, opdat ze vergeten, dat er iets nieuws kan komen".

En zij vechten en vechten tegen dat nieuwe. En zo wordt er verteld: terwijl de groten van Nimrod, van de koning die bang is voor het nieuwe, de wereld die angst heeft voor dat nieuwe, terwijl de groten van Nimrod bij een van zijn hoofdlieden, bij Therach verzameld zijn aan een maaltijd, wordt in datzelfde huis Abraham geboren, de Ibri. Terwijl zij rondom vechten. Bij hunzelf wordt hij geboren! Terwijl zij tegen zijn!

Zoals in het verhaal van Egypte Pharao alles doet om die Verlosser uit Egypte te doen doden. Hij onderneemt alles en hijzelf voedt hem op, zijn eigen dochter vindt hem, bij hem in zijn paleis wordt hij opgevoed. Het is de wetmatigheid van God die zegt: "spelen jullie, met een glimlach kijk ik er naar. Ik heb er reusachtig plezier om. Het is humoristisch jullie te zien. Hoe jullie bezig bent de Ibri uit te roeien en toch bij jezelf groeit hij op. Je hebt geen kans hem wat te doen. Hij moet er komen, of je wilt of niet wilt, of je voor of tegen bent. Ach, wat weet je, je zoekt hem daar en hij is hier".

Zo komt ook de eerste Ibri Abraham en men zoekt hem nog steeds te verdelgen. En je zou zeggen, dat Abraham zich dan toch stil moet houden, want hij wordt toch gezocht. Maar de bezigheden van Abraham zijn een steeds maar aandacht trekken. Er wordt verteld dat bij vader Therach thuis twaalf goden staan, de twaalf goden. En Abraham verbrijzelt die goden. En als dan gevraagd wordt door Therach: " hoe komt dat dat zij gebroken zijn, wie heeft ze verbrijzeld", dan zegt Abraham, "ach, dat kwam zo, ze kregen ruzie onder elkaar en toen gingen ze vechten en er bleef niets, zelfs geen staart, over. Zij sloegen elkaar in scherven". Waarop Therach zegt, "maar dat kan toch niet, die goden", en dat moet hij nou toch zeggen, " die goden hebben wij toch zelf gemaakt, die kunnen toch niet vechten, als wij niet willen". "Ja", zegt Abraham, "nou, dit waren je goden dus, die jezelf gemaakt hebt." En dat is wat een Ibri doet, die zegt, "och, jullie wetenschap, geweldig interessant, jullie politiek, nog mooier, jullie kerkgenootschappen, geweldig", en hij slaat ze kapot, tegen elkaar in, laat de wetenschap de kerkdogma's ontzenuwen, laat de kerk de wetenschap maar aanvallen, het is immers allemaal product van jezelf.

En de Ibri in jezelf is steeds bezig om ze te verbrijzelen Die Ibri geeft je toch geen rust, al wil je hem steeds onderdrukken, hij trekt de aandacht En die Ibri om ons heen, net zo Dat je langzaam het gevoel krijgt van paniek: " ik kan er met meer tegenop hij doet het toch " Er is iets anders dat met hem doet Niet hij doet, hij wordt gedaan Hij is gezonden Het is God zelf die hem zendt, En dan komt die grote angst en ook afkeer van deze verschijnende mens hier tegenover dat ander e

Zo gaat het, verhaal van die eerste Ibri ook verder, Hij is de enige andere in die wereld van vooruitgang, van ontwikkeling. Van die wereld van Nimrod, waarover verteld wordt, hoe enorm die was, hoe de mensen alles konden Het is dezelfde wereld waarvan wij lezen van de torenbouw van Babel, van de wereld die de hemel wil veroveren, die aan de grens staat van de hemel Alleen, zij hebben de onjuiste maatstaven: over die grens heen kunnen ze nooit komen Want zij meten met, maatstaven van deze wereld, zij kunnen nooit doorbreken, maar zij zijn tot het toppunt van hun kundigheden gekomen, tot het hoogste van hun kennis zijn zij gekomen; verder kan niet- In die wereld is alles stil gemaakt, wat tegen was, alles is verleid. De verleiding aan het einde is zo groot, dat iedereen spreekt in de termen, in de taal van die verleiding. Iedereen letterlijk, iedereen doet er aan mee, behalve de Ibri En in ieder mens zelf is alles meedoende, zeggende, " het is toch wel mooi, toch is er vrede, toch is er welvaart, toch is er penicilline toch is alles er. "Maar het is verleid En toch is er altijd in de mensen die ene Ibri, die nog ergens in hem wroet en zegt; " er is misschien toch wel wat anders''.

En dat geeft hem onvrede, ondanks welvaart. Dat maakt hem tot provo misschien, tot ik weet niet wat. Hij heeft onvrede , hij heeft er geen zin in Omdat in zijn diepste wezen er toch die Ibri is, die zegt: "ach, het is toch maar schijn, weet je niet waar je vandaan komt, dat je een zoon bent van ergens anders en jij als zoon van die andere wereld kunt toch zo niet zijn."

En dan vertelt het verhaal dat beeldend is naar alle tijden, ook naar deze verschijningsvorm hier, dat, Nimrod deze laatste Ibri, deze Abraham dan pakt en zegt, "ik zal jou nu ook verdelgen Ook jij zult nu sterven. Dan pas ben ik werkelijk koning van het Heelal".

En dan is er het verhaal dat Abraham geworpen wordt in een kalkoven, dat heeft wel wat te betekenen, maar dat laat ik even hier in het midden, hij wordt verbrand, hij wordt gedood zoals iedere verlosser door de mens hier gedood wordt bij hemzelf Maar Abraham ziet hij dan toch en iedereen ziet hem, wandelen eigenlijk door dat vuur heen, doorbreken Bij Nimrod is hij dood maar dáár leeft hij toch En hij blijft leven.

En dan vertelt het verhaal van een broer van Abraham, van Haran, die zag welk groot loon er was als men Ibri is, want men blijft immers leven En Haran zegt dan ineens, 'ook ik ben Ibri. Ik ben óók tegen de goden, ook ik ben er tegen" En Haran wordt dan ook gegrepen, ook in die oven geworpen en Haran verbrandt wel Waarom? Omdat hij wist dat er een loon was. En omdat hij wist dat hij zou blijven leven. Abraham wist het niet, Abraham is bang, hij heeft geen voorbeeld nog gezien Hij is toch ook mens, Hij zegt- ' laat het maar aan mij voorbijgaan, liever niet Waarom dat. Hoe klopt dat nou eigenlijk. Toch word ik gegrepen Ik dacht dat het niet gebeuren zou en nu gebeurt het toch

Ik zei al: geluk is vermengd met verdriet Overtuiging toch met de twijfel Daarom is die overtuiging zo groot , omdat het andere erbij is. Niet één ding alleen. Daarom is er bij Abraham dood en leven tegelijk Van de ene kant dood, van de andere kant leven Maar hij die zegt, "dat is een goede partij, daar ga ik aan mee doen, want dat geeft het leven ondanks alles. Ik word Ibri omdat het sugeeft".

Als er succes is, is er geen Ibri De Ibri heeft geen succes Als je dat meende, is het toch ook weer verleid worden, verleid door schijn Bij de Ibri is er altijd die grote angst en twijfel en daarom dit " doen om niet" Dat betekent zich opofferen Doch opofferen terwijl men weet dat men het hiernamaals, het paradijs, binnenschrijdt, met opgeheven hoofd en onder engelengezang, ja, ach, dat is erg mooi. Maar men weet er niets van, men ziet het tegendeel. Men ziet zwartheid, donkerte, alles wijst in het tegendeel.

Daarom: die Ibri heelt geen gemakkelijk bestaan. Ook bij U allen niet. Ik kan mij dat voorstellen, maar toch is hij bij U allen.

Van deze Ibri -wordt ook verteld, dat hij een band krijgt, men vertaalt het met " verbond" met God. En dit Verbond noemt men het Verbond van de Besnijdenis. Ook hier verschijning en wezen. Besnijdenis wil niets anders zeggen dan het wegdoen van de omhullende schijn opdat de kern zichtbaar worde„ De kern waaruit het zaad voor de vrucht gaat komen, dat die zichtbaar wordt„ De schijn wordt terzijde geschoven, niet helemaal weggenomen, hij wordt alleen naar achteren gedrukt en er wordt dan geopenbaard hoe je leven kunt als Ibri, Hoe je zelfs hier altijd leven kunt als Ibri. En dat is: " laat de schijn terzijde geschoven worden". Dat is de betekenis van de besnijdenis. En dat heet het Verbond met God. Het verbond is er pas als men die omhullende schijn kan wegnemen door alles heen, dus ook van de dingen die men ziet. Men moet kunnen zeggen, " als ik een kind van Abraham ben - en alle mensheid is een kind van Abraham, - als ik een kind van Abraham ben, en alle volkeren komen van hem, - zijn naam is immers Vader der Volkeren, dat betekent Abraham, de vader van de vele volkeren, - als ik een kind van Abraham ben en nieet hem verloochen in bepaalde momenten, misschien in een heel leven, als ik een kind van Abraham ben, dan moet ik door die schijn niet alleen heen kunnen kijken, ik moet die schijn hebben weggenomen,, Mijn blik moet zo worden, dat ik anders kan kijken. En dit verbond met Abraham is het Verbond waarover altijd wordt gesproken, dat altijd genoemd wordt, als men zegt: " het verbond met de vaderen", Onzer aller vaderen ook. Het verbond met de vaderen, waardoor die belofte blijft, en waardoor ook de openbaring blijft. De openbaring wordt alleen gegeven aan de kinderen van Abraham. Daar waar dit verbond bestaat, dat men door de schijn kan heenkijken.

De openbaring, verteld aan de mens die de besnijdenis niet heeft, laat hem slechts een verhaal zien, een historisch verhaal. Hij zegt dan: " dat is mijn verhaal, mijn verlosser, mijn kerk. Jij hebt een andere kerk, die zie ik niet,"

Die openbaring is de openbaring voor de Ibri, die geschreven is, gezegd is, verteld is, uitgedrukt is, in de taal van de Ibri. De taal, die, zoals de naam zegt, eveneens van een andere wereld komt. Alleen die taal kennende, niet grammaticaal, doch letterlijk, alleen die taal kennende, kan men de openbaring verstaan. De taal die zegt: " zoek de openbaring niet in de omhullende schijn van de tijd, van deze of gene tijd, neen, de openbaring komt van een andere wereld, zij spreekt in uitdrukkingen van die andere wereld. Maar jij bent een Ibri, jij hebt het in je, jij kunt daar ook zijn, je hoeft niet alleen maar hier te zijn. Aan jou is steeds de keus, iedere seconde, Laat er eens een seconde bij je zijn, dat die band toch gelegd is, dat je Ibri bent, en die taal herkent" .

Want ook die openbaring kan hier gedood worden, zoals de Ibri steeds gedood kan worden en ook herhaaldelijk bij de mens gedood wordt. De openbaring wordt gedood door haar in een tijd te zetten. Toen gebeurde er dat en daarna gebeurde er dat en nu gebeurt er niets. Dat is gemakkelijker als er niets gebeurt nu, dan ben je van de ellende af. Want stel je voor dat het nu gebeurde, al die deining, Neen, liever lang geleden! Toen liepen er engelen rond en waren er Romeinen, en Joden; dat is alles heel lang geleden, goed voor een historische film, maar niet voor deze tijd. Men zet haar in een ver verleden, men brengt haar in een bepaalde historische tijd, die openbaring. En men vergeet dat het een dodelijke ernst is, dat God elke seconde tegenover ons staat met die openbaring en zegt: "Ik heb het je toch gegeven, het is in je gelegd. Niet dat je zeggen kunt, wie haalt het voor me uit de hemel, of van de overkant van de zee. Neen, zegt God, zegt de openbaring, " in jezelf is het ".

Daarom is het zo ontzettend, zo dodend, als men die openbaring in een tijd zet en dan liefst in oude tijden, waarvan men anderzijds toch ook weer een sprankje tastbare zekerheid wil hebben door met de spade te gaan graven " Ik heb een scherf gevonden, er staat een tekentje op, het zal wel van toen zijn."

En dat we dan in een vitrine zetten, in een museum, of in een kerk.

De Ibri is er steeds en de openbaring voor de Ibri is er ook steeds. En het doden van de Ibri is er ook steeds en het doden van de Verlosser ook. Maar het is altijd het doden bij jezelf. Je kunt de verlosser toch niet doden? Je kunt God niet doden, bij God is dood en leven één, er is geen tegenstelling tussen dood en leven, alleen hier in de verschijningsvorm, daar is dood. Maar daarom wordt ook gezegd: "heb dit verbond met God en leef eeuwig". Door het verbond, door de verbinding met de Ibri, met de Transcendenten, leef je eeuwig, werkelijk. Maar men moet die Ibri een kans geven. Men moet hem gastvrij bij zich opnemen. Men moet hem zelfs eren, als gast. Doch meestal gebruikt men de uitdrukking, die de mensheid heeft gecreëerd voor die vervelende - -, zij gebruiken erger woorden, maar die wil ik niet bezigen hier - voor die vervelende rot-Ibri, die mij steeds maar irriteert", die Ibri laat die maar weg gaan, Het is het niet eraan willen herinnerd worden dat hij bestaat. Want hij bestaat bij iedereen. Dat is het ergerlijke Je kunt er niet van af!

Zo is er dus dit verbond van de Besnijdenis waardoor het Verbond van de Openbaring komt en die Openbaring vertelt hoe de wereld is, waartoe zij is waarom zij is. Het is geen spelletje van geheimzinnigheden Het is geopenbaard. Niet opdat je in een wiskundesom, die Je kunt uitrekenen, kunt zien hoe het in elkaar zit Openbaring betekent ook: het gevoel voor mysterie, dat men begrijpt, dat het mysterie iets groots is. Dat het geheim, dat kuisheid, iets bijzonders is. Dat men niet alles in het openbaar in de geïllustreerde bladen, in de televisie hoeft te tonen, maar dat er ook een kuisheid bestaat. Het mysterie is belangrijk. Door het mysterie komt de vruchtbaarheid, groeit de wereld, bestaat de wereld, leeft de wereld. Maar houdt het mysterie heilig Openbaring wil niet zeggen wat veel mensen denken, "nu heb ik een tabel met allerlei gegevens, een soort periodiek systeem van elementen, waarbij men kan gaan uitrekenen waar iets bijhoort", neen, openbaring wil zeggen: het ook geopenbaard worden van het mysterie. En dan ziet men wat het mysterie oplevert Men heeft dan de grote gelukzaligheid van de confrontatie met het mysterie

En zo is tenslotte ook het verhaal van de verlossing een Ibri-verhaal. Ik zei het in het begin al De verlosser kan alleen een Ibri zijn. Hij kan niet van Ezau komen, hij kan niet van Egypte komen, hij moet zijn van die andere wereld, van die ene wereld die bij God is

Van daar moet de verlossing komen En daarom is de verlossing een en al mysterie voor deze wereld. We kunnen niet hier gaan determineren, uitpluizen en aantonen dat is zus en dat is zo. Het is een mysterie, de verlossing. Probeer niet na te speuren; je kunt ook niet een graankorrel die in de grond gezaaid is en kiemen gaat, even onderzoeken hoe ver die gekiemd is. Dit mysterie groeit. wel laat dat maar over

De verlossing zelve is ook een mysterie; tracht haar niet te binden aan een kerkgenootschap aan een dogma , aan analyses van beelden van vader en zoon en dergelijke. Die begrippen bestaan natuurlijk, maar niet zoals wij het hier zien De vader hier heeft ermee te maken, en de zoon hier heeft ermee te maken maar het is hemels Het is anders En daarom wordt ook gezegd, "praat niet in deze termen over verlossing, want de mensen begrijpen het niet. Ze gaan er mee spelen, ze gaan het uelkaar pluizen, er komen ongelukken van. Laat het kuis blijven. Laat het een mysterie blijven. Wees er voorzichtig mee." Maar onderga de verlossing Erken die Ibri in je en heb de vreugde dat die toch ook in je geschapen is. Dat die bij je is vanaf het begin van de wereld."

Zo gezien vormen dus de Transcendenten van het Jodendom dat eeuwige licht voor ieder mens. Het woord Jodendom losgemaakt van biologische gevoelswaarden, het begrip Jodendom gezien als Ibri, als Israël, in algemeen Goddelijke zin. En de weg van de volkeren met de kerken , met de partijen en machten, deze weg is de weg van de verleiding. En als wij dus spreken van het komen van een nieuwe tijd, en die komt, dan moeten we weten dat in die nieuwe tijd die heftige confrontatie ook zal zijn tussen de volkeren en de Ibri. Dat die gaande is, niet alleen zich uitende in oorlogen, of revoluties misschien ook daarin, maar meestal komt hij als een dief in de nacht. Voordat je het weet, terwijl je aan de maaltijd bent, in het huis van Therach wordt hij geboren bij je

In deze nieuwe tijd zal dan ook dit universele doorbreken. De mens zal zich herkennen, zal weten wie hij is, en waar vandaan hij komt. Er zal een gesprek kunnen zijn over dit alles zonder dat men zegt, " mijn liturgie is zus, en jouw ritueel is zo", Ach, ieder heeft zijn weg, de een is blond, de ander bruin, de een is man de ander is vrouw, de een is jong en de ander is oud. Maar men heeft zijn weg, men heeft de naam die aan ieder gegeven is. Doch het is alles samen één. Of de ene liturgie beter is dan de andere, ik zou niet weten hoe ik vertellen moest welke liturgie de goede was. Op het moment geeneen. Maar het komt wel, want die Ibri breekt door. Het feit dat wij op het Open Veld hier samen zijn, is al een teken ervan dat hij doorbreekt.

En het heeft ook geen zin daarom zich te verdiepen in speculaties hoe het zal zijn. Want ook dit is verleiding. Men wil het zien in de vormen, die men kent, men wil beloning zien. Probeer dit ook niet. Het is alles een grote verrassing. Het is heel anders dan men denkt. Het is gelukzaligheid gemengd met ontzetting. Een poort die men door zal gaan en waardoor een nieuwe wereld zal verschijnen.

Het is deze wereld van de Ibri die wij dus niet elders hoeven te zoeken, die hier is, die bij U allen is, als U de Ibri, als U de verlosser maar herkent.

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.