ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Notities van lezingen

Job * lijden * deze wereld * geheim * wetenschap * logica * bescheidenheid * Awoudo Soro * taal * ooievaar * Chassido * raaf * Ourew * 4 * naam * vrouw * materie * kern-kring *

            Het verhaal van Job wordt speciaal ook gelezen als het lijden sterk naar voren komt. Het is namelijk –en zo voelt de mens het gewoonlijk ook- een tragisch verhaal. De drie eerste vrienden en ook de vierde weten Job niet te bevredigen wat betreft de rechtvaardiging en de oorzaak van zijn lijden. Allen zoeken zij het in de gedragingen van Job zelf, zelfs al zouden het verborgen gedragingen zijn, misschien zelfs alleen maar gedachten. Job blijft echter steeds onbevredigd. Hij kan immers zichzelf ook vergelijken met anderen, die grof gewoon naar buiten de slechte dingen doen en die toch niet door een dergelijk ongeluk getroffen zijn als Job.

            Zo is het ook met iedere verklaring in deze wereld, want alles wat in die wereld gebeurt, is eigenlijk een lijdensverhaal, een tragisch iets en al onze vrienden, juist ook die 3-4, dus de 3½ tijden, kunnen ons geen verklaring geven. Hoe zij ook hun best doen, van welke kant zij ook het probleem aanvatten, steeds zullen wij zeggen: “Maar toch is er iets dat mij onbevredigd laat.”

            Deze tegenstelling blijft bestaan totdat als laatste in het gesprek God zelf ingrijpt. God vraagt dan aan Job of hij weet, waarom alle dingen in de natuur zo zijn als zij zijn; waarom heeft de ene boom bladeren met zo’n karteltje en de andere weer met een ander; waarom roept het ene dier op die wijze en het andere weer volkomen anders; waarom zijn er de verschillende kleuren; waarom leeft het ene ding in de natuur lang en het andere kort? Kortom alles is een onbeantwoorde vraag en als wij zo zouden doordenken is er ook niet één antwoord in de hele wereld te geven. Alle antwoorden zijn slechts pogingen tot troost, welke de vrienden van Job ook ondernamen. Als men echter over deze pogingen dieper gaat nadenken vindt men dat ze helemaal geen troost geven. En dit onbeantwoord blijven van de vragen is de eigenlijke grond van het lijden. Hoe de mens zich ook zou uitsloven, hij is niet in staat; of hij nu wetenschappelijk, langs materiele kant of langs psychologische kant werkt, nooit zal de mens dit antwoord kunnen bevredigen, en dit alles omdat de mens niet uit de kring van de wereld wil komen omdat hij de verklaring van de dingen slechts daarin wil vinden, wat hij zelf ziet, wat onder het bereik van zijn zintuigen valt. Het is het zich op de troon zetten door de mens in het bewustzijn, dat hij alle werelden beheerst en dat er niets mag zijn buiten hem. Zolang er nog iets buiten hem is, neemt hij zich voor dit te veroveren; omdat hij het veroveren wil beschouwt hij het eigenlijk al als deel van zijn gebied, een deel dat hem nog niet is toegekomen doch dat hij zeer zeker met zijn eigen kracht nog zal veroveren. Om die reden gebruikt hij slechts voortbrengselen uit zijn geest om een verklaring te geven op het waarom van de dingen. 

            Zoals uit het gesprek van God met Job blijkt, komt dit antwoord echter alleen indien men weet, dat er buiten deze wereld van de mens nog een andere wereld is en indien men de logica van die andere wereld aanvaardt, dan wordt inderdaad zoals ook bij Job alles begrijpelijker en logisch, veel begrijpelijker dan ooit zijn vrienden het hem gezamenlijk zouden hebben kunnen maken en dan ziet Job inderdaad in waarom alles zo gegaan is. 

            Het gaat er dus om een wereld te erkennen, die wat geest betreft boven de onze staat. Erkent men die wereld, dan krijgt men ook het niveau van de geest uit deze wereld. Dit antwoord, dat door God aan Job gegeven werd, kan nog steeds als het laatste deel van het gesprek gezien worden en is het ook inderdaad. Als alle antwoorden hebben gefaald, alle pogingen tot troost op niets zijn uitgelopen, grijpt altijd aan het eind (al is het dan het eind) van de tijd het antwoord van God in. Dan komt het woord van God en vertelt van een andere wereld en dan ineens gaat de wereld open en ziet men de samenhang der dingen. Zoals in het kernverhaal God zelf tot Job sprak, ook daadwerkelijk, zo spreekt in het kringverhaal God ook steeds tot de wereld op de wijze uit de kring, namelijk via het woord. In dit woord is het antwoord begrepen. Als men dit woord aanvaardt, er van af ziet, dat het een menselijk product is, doch een geschenk, dat wij kunnen nemen, dan vindt men ook het antwoord. Een mens neemt echter niet gaarne geschenken aan, zoals men zegt: “geven is beter dan nemen”. Het stoort het zelfbewustzijn en geeft een gevoel van afhankelijkheid. Daarom wil de mens nog liever van een één-cellig wezen afstammen, een soort aap-mens als voorouder gehad hebben dan afhankelijkheid erkennen van een schepper, die hem gemaakt heeft en hem ook uit die wereld kan wegnemen. Zoals men ook wel in het menselijke verkeer zegt: “liever een bedelaar en vrij dan onderworpen aan de afhankelijkheid van iets anders” en zoals een Germaans spreekwoord zei: “liever dood dan slaaf” en zoals alles uit deze wereld in verhouding staat tot het absolute, staat ook deze afhankelijkheid in verhouding tot het absolute. Iemand, die zich in deze wereldbeschouwing heer en meester kan voelen, is ook tegenover God arrogant. Van de goede koningen uit de Bijbel wordt juist verteld hoe bescheiden zij waren en hoe onopvallend zij wilden zijn. Zodra een koning gaat protsen met zijn macht en kennis, dan eindigt hij ook in een opstand tegen God. Het is daarom juist het moeilijkste om in de wereld een grote positie te hebben zonder dan ook een zelfbewustzijn te krijgen, dat in opstand dreigt te raken tegen God.

            En zo aanvaardt de mens slechts datgene, dat uit deze wereld voortkwam, slechts datgene, dat zijn geest kan produceren, hij weigert eenvoudig andere dingen zelfs in discussie te nemen. Dit is eigenlijk een psychische ziekte want bij voorbeeld juist in het woord gaf God de mens het geheim van de dingen. Als wij in onze taal bij voorbeeld zeggen “ooievaar” dan zegt dit –juist omdat dit een kring-taal geworden is- nagenoeg niets meer, doch nemen wij het Bijbelse woord voor ooievaar, bij voorbeeld, namelijk Chasida dan krijgen wij ineens inzicht in het waarom van dit ding, immers dit woord is de vrouwelijke vorm van de rechtvaardige, de goede. Altijd wordt dit begrip “rechtvaardig” en “goed” mannelijk gegeven, omdat rechtvaardigheid, genade, goedheid iets is, dat een kernkracht moet bezitten, dat door alles heen moet gaan, dat niet mag bestaan uit een omhulling alleen. Een ooievaar daarentegen is dus volgens zijn Bijbelse woord datgene, dat als omhulling zou dienen voor het goede, doch het is het vrouwelijke alleen, het is dus niets anders dan omhulling. Inderdaad staat die ooievaar ook biologisch om enige zeer typische dingen bekend, bij voorbeeld de ooievaar zorgt heel speciaal op zeer liefdevolle wijze voor zijn kinderen, maar dan ook typisch alleen voor zijn kinderen. Anderen laten hem volkomen koud. Het is de goedheid, die slechts goed kan zijn als zij de causaliteit, de oorzaak, ervan begrijpt. Voor zijn kinderen is men goed omdat men weet dat het de eigen kinderen zijn, doch de logica houdt op als men voor anderen goed moet zijn. De mannelijke goedheid, dus vanuit de kern, is goed tegenover alles; de vrouwelijke goedheid kent slechts de uiterlijke logica en is goed voor zijn kinderen. Dat is een biologisch feit en dit toont al aan hoe de naam “goedheid” in de vrouwelijke vorm inderdaad iets heel bijzonders zegt van dit wezen en aantoont dat dit wezen uitdrukking is van een eigenschap, die God met alle andere eigenschappen in grote verscheidenheid in de wereld heeft geplaatst tegenover de mens, die de keus heeft tussen alle eigenschappen en de verbinding, de eenheid tussen alle eigenschappen kan worden.

            De ooievaar behoort tot de onreine dieren. Ook de houding van de ooievaar om op één poot te rusten is typisch een uitdrukking van zijn wezen. Het wezen moet zijn dat het op een tweeheid rust, zoals ook de reine zoogdieren op de tweeheid van hun gespleten hoeven rusten en niet op de eenheid, welke de onreine dieren hebben. Slechts datgene, dat wet dat deze wereld een tweeheid is, is rein. De typische stand van de ooievaar is het rusten op het ene hoewel hij weet dat er twee zijn en dat hij de twee in zich heeft.

            Het getal van Chasida 8-60-10-4-5 is 87 en 87 is het typische geboortegetal, immers de verhouding van het aantal geboorten heeft altijd het getal 87 als coëfficiënt. Zo begrijpt men misschien ook wel waarom de overlevering de ooievaar in verband brengt met geboorte. Men noemt dit in de moderne wereld “bakerpraatjes, alleen geldig voor kleine kinderen” doch in wezen zijn deze verhalen juister en dieper dan bij voorbeeld een biologische beschrijving van de ooievaar, de lengte van zijn nek, de wijze waarop hij eieren legt en waar, zonder dat door al deze dingen op het waarom wordt geantwoord.

            Dit verband hoeden met de lichamelijke geboorte geeft typisch ook weer de verbinding met de naam Chasida namelijk de uiterlijke, de menselijke logische goedheid, want de lichamelijke geboorte is slechts de kring. Als men alleen dit lichaam ziet en deze wereld, ziet men alleen de kring en alle logica en goedheid is slechts zeer betrekkelijk en laat altijd los als zij in andere omstandigheden komt.

            Zo leert dit woord in de Bijbelse taal ons al veel meer van het wezen van bij voorbeeld de ooievaar dan alle zogenaamde wetenschappelijke onderzoekingen kunnen leren. Zo zou bij voorbeeld de raaf een heel ander wezen, een wezen dat met “dood” in verband gebracht wordt, ook door zijn Bijbelse woord begrepen kunnen worden. Het woord voor “raaf” is Orew en dit betekent “vermenging”, is ook de opbouw van het woord “honger” en heeft ook in de stam “vier”. Waarom de raaf zo’n griezelig dier is, weten wij wetenschappelijk niet; slechts sprookjes uit vroeger tijden vertellen dat het zo is, doch de woordopbouw in de Bijbelse taal leert ons het wezen er van. De vermenging namelijk is een uitdrukking van de dood; de vier toont het lijden, de honger het onvoltooid zijn en de raaf is een uitdrukking daarvan, is één van de vele facetten, die de wereld ons toont en die wij juist tot een eenheid moeten maken. Dit één-maken kan slechts gebeuren door die vragen op de juiste wijze te beantwoorden, want als het antwoord uit de kern komt, zijn de dingen, die de vraag voorstelt tevens verlost en heeft de mens, die dit antwoord gekregen heeft, de vrede ermee gekregen, in zichzelf eigenlijk het weten, het zien van God en daarmee heeft het de wereld bevrijd. Daarom presenteren alle dingen zich aan ons als een vraag; zij hunkeren naar een antwoord. Wij geven echter wetenschappelijke antwoorden, die de kern niet raken, de dingen, zoals zij tegenover ons staan, ook eigenlijk onaangeroerd latend en daarmee onbevrijd. Om die reden herhaalt zich iedere dag die vraag en wacht iedere dag op het antwoord. Zoals het verhaal van Job ons leert, wordt dit antwoord gegeven door God te laten spreken en in deze wereld, in de kring die wij meemaken, spreekt God met ons door zijn woord, door datgene, dat Hij ons voor deze kring als het Zijne heeft meegegeven. Als wij naar dit gesprek luisteren, kunnen wij evenals Job de sleutel van het geheel vinden, dan weten wij wat er buiten deze wereld is, waarom het er is en waarom alles hier zo is als het zich aan ons presenteert. Dan krijgt Job alles weer terug, zelfs in voltooider mate dan de eerste keer. Hij krijgt zelfs zijn dochters, die hij eerst naamloos had, nu terug met een naam. Omdat de materie nooit zichzelf blijft, ieder moment verandert, iets dat altijd een andere vorm aanneemt, kan geen naam hebben. Een naam heeft slechts iets, dat constant blijft. De dochters van Job vóór het gesprek, waren nog materie, zoals wij dit nu nog kennen en die nooit gelijk blijft. De dochters, die Job na het gesprek kreeg, hadden namen. Toen was de materie iets van blijvende aard. Vóór het gesprek hield de materie al het lijden in zich, want het eerst veranderen van de vorm, van de stof, bergt het lijden in zich. Één van de oorzaken van dit gesprek waren ook deze naamloze dochters, doch na het gesprek, na het antwoord van God werd de vorm vast, constant en hield juist deze sterke bron van lijden op te bestaan.

            Van Job wordt ook verteld, dat hij één van de drie raadgevers van Farao was. Hij was de raadgever, welke eigenlijk de keus ontliep; hij onttrok zich aan het antwoord. Bileam gaf het antwoord in negatieve zin, het heidense antwoord en werd vernietigd; hij kon op deze wereld uiteindelijk geen plaats meer behouden. Wat hij kon doen was slechts de Messias aankondigen. Jetro, gaf het positieve antwoord en moest daarom vluchten uit die wereld, uit Egypte, doch werd de schoonvader van Mozes. Job onttrok zich aan het antwoord. Hij wilde niets slechts doen, maar was ook bang het goede te zeggen en juist deze figuur is het, die die wereld nu representeert. Daarom is het verhaal van Job in het boek Job ook tijdloos. Juist het niet antwoord willen geven op de dingen brengt het lijden mee. Maar uit het lijden komt vanzelf het antwoord omdat God deze twee-wereld, die de keuze zo moeilijk maakt, juist aan ons gegeven heeft ter wille van dit gesprek, ter wille van dit antwoord en zo wordt de wereld van Job uiteindelijk ook bevrijd.

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.