ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

F. Weinreb — Collaboratie en Verzet 1940-1945

Een poging tot ontmythologisering.

 

NABESCHOUWING 

 

De volgende analyse berust op bestudering van het overvloedige materiaal dat zich op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie bevindt en van diverse documenten uit particuliere archieven. Toen A.N. bij het Ministerie van Justitie informeerde naar de mogelijkheid om inzage te krijgen in het eigenlijke strafdossier, werd hem te verstaan gegeven dat men, gezien de hernieuwde beroering rond Weinreb, afwijzend stond tegenover een dergelijk verzoek, zeker als het doel een essayistische, om niet te zeggen journalistieke publikatie was. 

            Het is onze overtuiging dat het onderzoek door deze belemmering niet wezenlijk is geschaad en dat derhalve de conclusies er niet door worden aangetast. Immers, het dossier op Oorlogsdocumentatie behelst al het materiaal dat belangrijk genoeg was om tijdens het proces aan de orde te komen, evenals zeer veel, zo niet alles, dat buiten behandeling bleef. Bovendien was er nu het bijkomende voordeel dat wij bij het publiceren van deze studie niet gehinderd werden door de geheimhoudingsbelofte, waaraan wij gebonden zouden zijn geweest, als wij van de stukken hadden kennisgenomen uit het officiële dossier. Wij zullen er dan ook vrede mee hebben, als dit dossier uitsluitend nog zal worden geopend door de juristen die een taak zullen krijgen bij een snelle revisie van Weinrebs veroordeling.   

            Hierachter vindt men, om te beginnen, onverkort de beide vonnissen. Aangezien in verschillende publikaties is gesuggereerd dat er veel meer in staat dan er staat, en omdat niet van elke lezer van deze memoires kan worden verwacht dat hijzelf op zoek zal gaan in oude jaargangen van de jurisprudentie, was dit de enige manier om alle twijfel weg te nemen. Er is slechts één ding in de oorspronkelijke tekst gewijzigd: ter wille van de duidelijkheid voor de lezers van de memoires zijn waar nodig de echte namen vervangen door de in dit boek gebruikte pseudoniemen.   

            We zijn ons er uiteraard van bewust dat hierdoor de ware namen achter veel van de in dit boek gebruikte pseudoniemen gemakkelijk achterhaalbaar worden; ze waren dat overigens toch al voor wie bereid was zich serieus in de zaak te verdiepen. Het is nu eenmaal onmogelijk om de waarheid te zeggen en toch persoonlijkheden te verdoezelen.  

            Het is daarom goed, nog eens duidelijk te stellen waarom er in dit boek schuilnamen zijn gebruikt. Het is nimmer de bedoeling geweest het relaas oncontroleerbaar te maken voor iemand die voor dat controleren bereid was enige moeite te doen. Deze controleerbaarheid moest schade doen aan de naam van bepaalde personen. De pseudoniemen zijn bedoeld om deze schade te beperken tot het minimum dat nog in overeenstemming te brengen is met de eis, klaarheid te brengen in een zaak die van zeer groot belang is voor het inzicht in de Nederlandse samenleving en de rechtvaardigheid van Weinrebs veroordeling. Wij konden tenslotte moeilijk slechts die namen veranderen, die van personen zijn, die toevallig niet in één van beide openbare sententies genoemd werden. Daar het merendeel der lezers ongetwijfeld meer geïnteresseerd zal zijn in de grote lijnen dan in de precieze identiteit van de acteurs in de kwade rollen, leek het ons verstandig hun namen niet vrijelijk te kijk te zetten. Zoals men zich van het voorwoord zal herinneren, was de heer Weinreb dezelfde mening toegedaan. 

            Na de sententies vindt men een analyse van het proces door A. Nuis, en tenslotte een door Renate Rubinstein opgesteld uittreksel uit het dossier van de velen die na de oorlog getuigden, direct of indirect aan de actie van Weinreb hun leven te danken hebben. Wij hebben elkaars opmerking en gecontroleerd en juist bevonden en stellen ons er gezamenlijk voor verantwoordelijk.  

 

                                                                        Renate Rubinstein en A. Nuis

 

 

 

 

E. No. 25/8 der Rol.  

                                                            's-Gravenhage, de 27e November '47  

 

            Het Bijzonder Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de navolgende sententie gewezen in de zaak van 

                                                                        de Procureur-fiscaal  

                                                                                     tegen: 

                                    FRIJDERIJK WEINREB, 

geboren te Lemberg, 18 November 1910;

van beroep economisch doctorandus;  

wonende te 's-Gravenhage;  

thans in bewaring in de Cellenbarakken te Scheveningen;

                                                             Verdachte. 

Het Bijzonder Gerechtshof; 

Gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek; 

Gehoord de vordering van de Procureur-Fiscaal; 

Gehoord de verdachte,

bijgestaan door Mr. Dr. C. Smit, advocaat, te 's-Gravenhage;  

            Overwegende, dat aan verdachte bij dagvaarding, gelijk deze ter terechtzitting is gewijzigd is ten laste gelegd:  

A. dat hij te 's-Gravenhage en op andere plaatsen in bezet Nederland op verschillende tijdstippen in het tijdvak van April 1942 tot Februari 1944, gedurende welken tijd Nederland met Duitschland in oorlog was en vele Joden in Nederland, in verband met de door den vijand tegen de Joden gerichte interneerings- en deportatiemaatregelen, naar onbezette gebieden wenschten te emigreeren, opzettelijk: 

1. in het tijdvak van April 1942 tot medio Januari 1943 een groot aantal Joden en andere personen heeft bewogen tot storting van geldsbedragen, varieerende van f 100,- tot meerdere duizenden guldens bij hem of zijn medewerkers, althans een groot aantal Joden en andere personen in de gelegenheid heeft gesteld om die geldsbedragen voor emigratiedoeleinden bij hem of zijn medewerkers te storten, door hun valschelijk voor te spiegelen of hen in den waan te laten, dat zij en/of Joodsche familieleden of -relaties daardoor werden geplaatst op een lijst van Joden (bekend geworden als de eerste Weinreblijst), die door zijn bemiddeling door toedoen van zekere Duitsche relaties in de gelegenheid zouden worden gesteld om naar onbezet Frankrijk, althans naar het buitenland te emigreeren, aan welke verdichtsels door hem schijn van werkelijkheid werd gegeven door het toonen van valsche Duitsche papieren, de verzekering, dat de reis beslist zou doorgaan en dat de emigranten-treinen omstreeks eind December 1942 en begin Januari 1943 naar Frankrijk zouden vertrekken, door het keuren of laten keuren der gegadigden en door in gevallen, dat bijzonder groote bedragen werden aangeboden of verlangd om op de lijst geplaatst te worden, of een hoogere plaats daarop te verkrijgen, te beweren, dat de lijst reeds was volgeboekt en anderen, die daarop reeds eerder waren geplaatst een aanzienlijk bedrag wenschten of zouden wenschen ter compensatie van het afvoeren van of lager geplaatst worden op de lijst dan wel dat extra betaald moest worden voor arme Joden, die het vereischte inschrijfgeld niet konden betalen.  

2. in het tijdvak van September 1943 tot medio Februari 1944, in overleg met ambtenaren van den Sicherheitsdienst, die hem daartoe in de gelegenheid stelden door hem na zijn gevangenneming vrij te laten en hem een kantoor, inschrijf- en sperformulieren en valsche Duitsche papieren van officieel karakter en/of fotocopieën daarvan als werkgelegenheid en werkmateriaal te verschaffen, een groot aantal Joden en andere personen heeft bewogen tot storting van geldsbedragen, varieerende van f. 100,- tot meerdere duizenden guldens bij hem of zijn medewerkers, althans hen in de gelegenheid heeft gesteld om die geldsbedragen voor emigratiedoeleinden bij hem of zijn medewerkers te storten door hun valschelijk voor te spiegelen of hen in den waan te laten, dat zij en/of Joodsche familieleden of -relaties daardoor werden geplaatst op een uitwisselingslijst van Joden (bekend geworden als tweede Weinreblijst), die met toestemming van de Duitsche autoriteiten, ter uitwisseling met in Zuid-Amerika geïnterneerde Duitsche staatsburgers, in de gelegenheid zouden worden gesteld om naar het buitenland te emigreeren, aan welke verdichtsels door hem schijn van werkelijkheid werd gegeven door verzekeringen, dat de reis zou doorgaan, dat de betreffende treinen onverwacht zouden kunnen vertrekken, doch dat iedereen het verzamelpunt tijdig zou kunnen bereiken, door keuring der gegadigden en door het zoonoodig toonen van de valsche papieren of fotocopieën daarvan;  

            al welke gelden door hem niet zijn aangewend tot het doel (emigratie), waartoe zij waren gestort, doch gedeeltelijk te eigen bate en ten bate van anderen dan de inschrijvers en anderdeels aan S.D.-ambtenaren zijn afgedragen en aldus gedurende den tijd van voormelden oorlog opzettelijk gebruik heeft gemaakt van gelegenheid en middelen, hem door het feit der vijandelijke bezetting en door den vijand geboden om anderen in hun vermogen wederrechtelijk te benadeelen en zich en anderen wederrechtelijk te bevoordeelen.   

B. dat hij te 's-Gravenhage, althans in bezet Nederland, op verschillende tijdstippen in het tijdvak omstreeks medio 1942 tot Februari 1944 opzettelijk, terwijl Nederland met Duitschland in oorlog was, ten voordeele van den vijand: 

            a) door de sub A 1 omschreven handelingen vele inschrijvers heeft weerhouden om zich op andere wijze veilig te stellen en voorts zich omstreeks medio 1943 tegenover ambtenaren van den Sicherheitsdienst bereid heeft verklaard om voor den S.D. te werken, dienovereenkomstig een plan heeft opgezet en uitgewerkt om een groot aantal Joden (waaronder ondergedokenen) onder de valsche voorspiegeling van emigratie naar het buitenland, zooals sub A 2 omschreven, te laten inschrijven op een door hem, verdachte, op te maken lijst tegen storting van f. 100,- of f 200,- per meerderjarige, welke gelden aan den S.D. zouden moeten worden afgedragen, en aan dat plan uitvoering heeft gegeven door het propageeren van die lijst, van welker inschrijvers velen zich hebben laten weerhouden om van andere gelegenheden en mogelijkheden om zich in veiligheid te stellen, gebruik te maken, het incasseeren van lijstgelden tot een zeer aanzienlijk bedrag en het afdragen daarvan tot een aanzienlijk bedrag aan ambtenaren van den S.D., zulks terwijl bij vanaf den aanvang wist, dat de in het vooruitzicht gestelde emigratie van Joden nimmer zou plaats hebben; 

            b) zich tegenover ambtenaren van den S.D. bereid heeft verklaard en/of getoond om bij hem tijdens zijn gevangenschap in de cellenbarakken te Scheveningen in de cel geplaatste arrestanten en andere personen ten behoeve van den S.D. uit te hooren, zulks tusschen Juli en eind September 1943 o.m. ten aanzien van D. Letter, mevr. Letter, Dr. Van Polen, De Jong en een Hongaarsche Jood heeft gedaan of pogen te doen en door hem verkregen gegevens aan S.D.-ambtenaren heeft doorgegeven, zoo omtrent het vol-Jood zijn en zich door valsche papieren tot half-Jood laten maken van De Jong, het Jood-zijn van den Hongaar, die voor een Engelsche spion werd aangezien en daarop op transport werd gesteld en omtrent Jodenbegunstiging en het verhandelen van persoonsbewijzen door een zekere, met de familie Letter in relatie staande Mej. Schokking, tengevolge waarvan deze op 8 September 1943 door of vanwege den S.D. is gearresteerd en tot 20 April 1944 gevangen en geïnterneerd is gehouden; alsmede van illegale (Joden)hulp door een zekere K. F. Henneman, die daarop op 7 September 1943 door of vanwege den S.D. is gearresteerd en tot 19 October 1943 gevangen is gehouden.  

            c) in begin October 1942 aan den S.D.-ambtenaar Koch, althans aan den S.D. heeft medegedeeld, dat een zekere Hendriks hem valsche persoonsbewijzen zou leveren en daartoe op een bepaalden avond (6 October 1942) bij hem zou komen, waarop Hendriks op dien avond door in zijn verdachte's woning geposteerde S.D.-beambten is gearresteerd;  

            d) in begin October 1942 aan den S.D. heeft medegedeeld, dat de accountant Vingeling Jodenhulp verleende en een afspraak met hem had gemaakt omtrent het verstrekken van valsche persoonsbewijzen, waartoe hij, verdachte, op 5 October 1942 ten kantore van Vingeling zou komen, waarop Vingeling op dien datum op het afgesproken tijdstip te zijnen kantore door S.D.-beambten is gearresteerd en gedurende vijf dagen is aangehouden;  

            e) tusschen 19 Januari 1943 en medio Februari 1943, in verband met de door hem op de z.g. eerste Weinreblijst ontvangen gelden, aan den S.D. mededeelingen heeft gedaan omtrent gelden en goederen (boeken, schilderijen en waardepapieren), welke door hem aan verschillende, personen, o.m. P. Sonjavsky, W. L. Van Zon, P. J. Eekhout en Mr. S. Roest Crollius in bewaring waren gegeven, tengevolge waarvan die personen resp. op 21 Januari, 29 Januari, 3 Februari en begin Februari door den S.D. zijn gearresteerd, voorts vóór en bij confrontatie met die personen, die aanvankelijk ontkenden Joodsch bezit onder zich te hebben, tegenover den S.D. bijzonderheden heeft opgegeven omtrent den aard, de wijze van verpakking en de plaats van verberging van bepaalde geldsbedragen en goederen en ten slotte nog gedetailleerde mededeelingen heeft gedaan omtrent Jodenhulp van Sonjavsky en een zekeren Kester en het vervalschen van drie persoonsbewijzen door laatstgenoemde, waarop deze door den S.D. is gehoord; 

            door welke handelingen hij:  

1. opzettelijk gedurende den tijd van voormelden oorlog den vijand hulp heeft verleend in diens streven om gelden van Joden en ander Joodsch bezit machtig te worden, de Joden te beletten om zich aan zijn macht te onttrekken, en Jodenbegunstiging tegen te gaan, 

2. gedurende den tijd van voormelden oorlog opzettelijk De Jong, den Hongaarschen Jood, Mej. Schokking, Henneman, Hendriks, Vingeling, Sonjavsky, Van Zon, Eekhout, Mr. Roest Crollius en Kester heeft blootgesteld aan opsporing, vervolging, vrijheidsberooving of -beperking, eenige straf of eenigen maatregel door of vanwege den vijand, diens helpers of een persoon, als in artikel 21 van het Besluit Buitengewoon Strafrecht bedoeld, welke feiten de vrijheidsberooving van langer dan een maand van Mej. Schokking, Henneman en andere personen, Sonjavsky, Van Zon, Eekhout en Mr. Roest Crollius tengevolge hebben gehad. 

 

Met mededeeling aan verdachte: dat vanwege hem, Procureur-Fiscaal als getuigen zullen worden gedagvaard: 

            1. I. G. Mandel te Amsterdam, 

            2. J. J. Levino te 's-Gravenhage, 

            3. J. B. Hijmans te 's-Gravenhage, 

            4. P. de Vries te Amsterdam, 

            5. S. Kallus te 's-Gravenhage, 

            6. J. Polak te 's-Gravenhage, 

            7. Dr. F. Kanner te 's-Gravenhage, 

            8. F. E. W. Koch, thans gedetineerd, 

            9. J. H. C. Scheef, thans gedetineerd,  

            10. D. Letter te 's-Gravenhage,

            11.E. Vroom te 's-Gravenhage,

            12. G. W. Angenent te 's-Gravenhage,

            13. H. Terborg te Voorburg,

            14. N. H. Schokking te 's-Gravenhage,

            15. K. F. Henneman te 's-Gravenhage,

            16. G. W. Vingeling te 's-Gravenhage,

            17. P. Sonjavsky te 's-Gravenhage,

            18. W. L. van Zon te 's-Gravenhage,

            19. Th. J. Eekhout te 's-Gravenhage,

            20. Mr. S. Roest Crollius te 's-Gravenhage,

            21. D. Wolff te 's-Gravenhage. 

            Overwegende, dat verdachte ter terechtzitting heeft opgegeven: dat in Februari 1943 (lees: 1942) een Jood, Stiel genaamd, bij hem kwam en hem mededeelde, dat hij een oproep had ontvangen voor tewerkstelling in een werkkamp voor Joden en dat daarvan uitstel kon worden verkregen, indien aangetoond werd, dat er voor hem een immigratieverzoek was ingediend; dat hij, verdachte, zich toen in verbinding heeft gesteld met het Gewestelijk Arbeidsbureau, hetwelk mededeelde dat uitstel zou worden verleend, indien hij, verdachte, een schriftelijke verklaring aan Stiel gaf dat een emigratieverzoek loopende was; dat hij dit toen heeft gedaan, waarop Stiel uitstel verkreeg, terwijl de door hem, verdachte, afgegeven verklaring in het bezit van Stiel bleef; dat hij, verdachte, vervolgens ook eenige andere personen op die wijze heeft geholpen;  

dat, toen in Mei 1942 de Duitsche plannen tot deportatie der Joden naar Polen meer concrete vormen aannamen, steeds meer personen zich om hulp tot hem wendden; dat hij deze personen niet heeft willen afwijzen en om de zaak een meer officieel tintje te geven briefpapier heeft laten drukken met het hoofd 'General Leutnant Herbert Joachim von Schumann' en daarop een valsche verklaring heeft gesteld inhoudende dat deze Generaal voor hem verdachte en een door hem aanbevolen groep Joden een immigratie naar onbezet Frankrijk zou in orde brengen;. dat zich geleidelijk ook Joden, die in het kamp Westerbork vertoefden, tot hem wendden om hulp; dat hij ook deze personen op zijn z.g. lijst heeft geplaatst en hun daaromtrent een schriftelijke verklaring heeft verstrekt; dat deze Joden toen niet naar het Oosten werden gedeporteerd; dat hij in September 1942 ongeveer 800 Joden op zijn z.g. lijst had ingeschreven, maar dat deze lijst een fictie was en dat hij in werkelijkheid geen aanteekening hield van de namen en adressen dezer personen, doch uitsluitend op zijn geheugen werkte; dat geleidelijk ook allerlei geruchten waren begonnen te loopen omtrent zijn invloed bij de Duitschers, welke geruchten hij niet heeft tegengesproken, omdat zij slechts nuttig konden zijn voor het werk dat hij verrichtte; dat bij integendeel deze geruchten heeft versterkt en de verspreiding in de hand gewerkt; 

            dat hij voor plaatsing op de zg. lijst een bedrag van f. 100,- rekende doch ook wel, wanneer de aanvrager vermogend bleek te zijn, een hooger bedrag vroeg, dat soms meerdere duizenden guldens beliep; dat hij arme Joden wel voor niets op de lijst heeft geplaatst;  

            dat hij bekent, dat hij te 's-Gravenhage en andere plaatsen in bezet Nederland op verschillende tijdstippen in het tijdvak van April 1942 tot medio Januari 1943, wetende dat Nederland met Duitschland in oorlog was, en dat vele Joden in Nederland in verband met de door den vijand tegen de Joden gerichte interneerings- en deportatiemaatregelen, naar onbezette gebieden wenschten te emigreeren, opzettelijk een groot aantal Joden en andere personen heeft bewogen tot storting van geldsbedragen, varieerende van f. 100,- tot meerdere duizenden guldens bij hem of zijn medewerkers door hen valschelijk voor te spiegelen of in den waan te laten dat zij en/of Joodsche familieleden of relaties daardoor werden geplaatst op een lijst van Joden (bekend geworden als de eerste Weinreb-lijst), die door zijn bemiddeling door toedoen van zekere Duitsche relaties in de gelegenheid zouden worden gesteld om naar onbezet Frankrijk te emigreeren, en welke verdichtsels door hem een schijn van werkelijkheid werd gegeven door het toonen van valsche Duitsche papieren, de verzekering dat de reis beslist zou doorgaan en dat de emigrantentreinen omstreeks eind December 1942 en begin januari 1943 naar Frankrijk zouden vertrekken, door het keuren of laten keuren der gegadigden en door in gevallen dat bijzonder groote bedragen werden aangeboden of verlangd om op de lijst geplaatst te worden of een hoogere plaats daarop te verkrijgen, te beweren dat de lijst reeds was volgeboekt en anderen, die daarop reeds eerder waren geplaatst, een aanzienlijke bedrag wenschten of zouden wenschen ter compensatie van het afvoeren van of lager geplaatst worden op de lijst dan wel dat extra betaald moest worden voor arme Joden, die het vereischte inschrijfgeld niet konden betalen;

            dat hij deze gelden niet heeft aangewend tot het doel (emigratie), waartoe zij waren gestort, doch ze gedeeltelijk heeft behouden, gedeeltelijk ten bate van anderen gebruikt; dat hij in September 1942 door den S.D. werd gearresteerd en toen aan den getuige Koch heeft medegedeeld dat hij voor het opstellen van de lijst namens den Generaal Schumann opdracht had gekregen van een zekeren Von Rath, met wien hij meerdere malen over deze zaak had gesproken, somtijds in gezelschap van een zekeren Six, welke mededeelingen geheel en al verzonnen waren;

            dat Koch het verhaal evenwel geloofde en wenschte dat hij, verdachte, zou helpen Six en Von Rath op te sporen; dat hij zich daartoe bereid verklaarde, waarop hij in vrijheid werd gesteld onder voorwaarde dat hij zich iederen morgen moest melden op Windekind en wekelijks aan Koch verslag moest uitbrengen omtrent zijn vorderingen; dat hij later, toen Koch argwaan begon te krijgen, met een persoon uit de Amsterdamsche onderwereld heeft afgesproken dat deze zich voor een groot bedrag aan geld zou laten arresteeren en zich zou voordoen als Six; dat deze persoon toen inderdaad op zijn aanwijzingen door Koch is gearresteerd, maar na eenigen tijd door de mand is gevallen, waarop hij, verdachte, op 19 januari 1943 eveneens werd gearresteerd;  

            dat zijn vrouw en kinderen ook door de Duitschers zijn vastgezet en naar Westerbork zijn vervoerd; 

            dat de S.D., die overtuigd was dat hij in contact was geweest met vele ondergedoken Joden, hem in Juli 1943 het voorstel heeft gedaan om contact te zoeken met organisaties, die Joden hielpen, en deze dan na eenigen tijd aan den S.D. te verraden; dat hem bij dit gelegenheid of korten tijd later als belooning in het vooruitzicht werd gesteld, dat hij na dit verraad met zijn gezin zou worden overgebracht naar een kamp voor 'Verdienst-Juden'; dat hij in eerste instantie zijn medewerking heeft toegezegd omdat hij daarin een middel zag zichzelf en zijn gezin voorlopig te behouden; dat hij toen een plan heeft gemaakt en aan den S.D. heeft voorgelegd, terwijl hij daarbij liet doorschemeren dat daaraan belangrijke financieële consequenties waren verbonden; dat daarop bij verschillende besprekingen het plan voor de z.g. tweede Weinreblijst is uitgewerkt; dat hij kort daarop in vrijheid is gesteld, terwijl later zijn vrouw en kinderen eveneens werden vrijgelaten;  

            dat hij bekent, dat hij in het tijdvak van September 1943 tot medio Februari 1944, wetende dat Nederland met Duitschland in oorlog was, en dat vele Joden in Nederland in verband met de door den vijand tegen de Joden ingerichte interneerings- en deportatiemaatregelen naar onbezette gebieden wenschten te emigreeren, opzettelijk, in overleg met ambtenaren van den S.D., die hem daartoe in de gelegenheid stelden door hem na zijn gevangenneming vrij te laten en hem een kantoor, inschrijf- en Sperr-formulieren en valsche Duitsche papieren van officieel karakter en/of foto-copieën daarvan als werkgelegenheid en werkmateriaal te verschaffen, een groot aantal Joden en andere personen heeft bewogen tot storting van geldsbedragen, varieerende van f 100,- tot meerdere duizenden guldens, bij hem of zijn medewerkers, door hun valschelijk voor te spiegelen of hen in den waan te laten, dat zij en/of joodse familieleden of -relaties daardoor werden geplaatst op een uitwisselingslijst van Joden (bekend geworden als tweede Weinreb-lijst) die met toestemming van de Duitsche autoriteiten, ter uitwisseling met in Zuid-Amerika geïnterneerde Duitsche staatsburgers, in de gelegenheid zouden worden gesteld om naar het buitenland te emigreeren, en welke verdichtsels door hem schijn van werkelijkheid werd gegeven door verzekeringen dat de reis zou doorgaan, dat de betreffende treinen onverwacht zouden kunnen vertrekken, doch dat iedereen het verzamelpunt tijdig zou kunnen bereiken en door het zoo noodig toonen van de valsche papieren of foto-copieën daarvan;  

            dat hij verder bekent, dat deze gelden door hem niet zijn aangewend tot het doel (emigratie), waartoe zij waren gestort, doch gedeeltelijk ten bate van anderen dan de inschrijvers zijn gebruikt, gedeeltelijk aan S.D.ambtenaren zijn afgedragen;  

            dat hij circa 150 namen van Joden, die op deze z.g. tweede Weinreb-lijst stonden, aan den S.D. heeft doorgegeven, doch van de ondergedoken Joden alleen hun oud adres vermeldde;  

            dat hij op 7 Februari 1944 is ondergedoken daar hij voor zijn veiligheid bevreesd was geworden;  

 

            Overwegende, dat als getuigen ter terechtzitting hebben verklaard:

1. 1. G. Mandel: dat hij in Januari 1942 van een kennis hoorde, dat verdachte bezig was een emigratie van Joden voor te bereiden; dat hij daarop een gesprek heeft gehad met den verdachte, die hem vertelde dat hij Goedewaagen goed kende en dezen had verweten dat de Nationaal-Socialisten eigenlijk plutocraten waren omdat alleen rijke Joden gelegenheid kregen zich te redden, waarop Goedewaagen hem zou hebben toegestaan een actie te beginnen ten bate van niet-rijke Joden; dat verdachte hem later vertelde, dat hij een brief had van een Generaal von Schumann, die hetzij in orginali, hetzij in den vorm van een fotocopie, na eenige aarzeling van de zijde van verdachte aan hem werd getoond; dat daarin stond dat verdachte een emigratie van Joden naar Frankrijk mocht tot stand brengen; dat hij toen na geneeskundig onderzoek met een aantal hem nastaande personen op de lijst is geplaatst, hetgeen beteekende, naar hij uit de woorden van verdachte opmaakte, dat zij waren aangenomen als deelnemers aan een emigratie naar Zuid-Frankrijk, die door verdachte werd voorbereid en waarvoor hem reeds van Duitsche zijde toestemming was verleend; dat hij voor deze plaatsing op de lijst f. 100.- per persoon betaalde, welke gelden volgens beweren van verdachte bestemd waren voor onkosten en vooral om uit te betalen aan Duitsche instanties, die toestemming moesten geven of hadden gegeven voor de reis; dat hij deze gelden niet aan verdachte zou hebben betaald, indien hij geweten had dat er geen sprake was dat de reis door zou gaan; dat hij later heeft bemerkt dat vele anderen zich ook op de lijst lieten plaatsen en daarvoor meestal f. 100.- per persoon, doch soms ook meer betaalden; dat al deze personen vast overtuigd waren dat het hier een ernstig gemeende emigratie betrof;

 

2. P. de Vries: dat hij in December 1943 aan den verdachte f. 10.000.- heeft betaald voor de plaatsing op de zg. tweede Weinreb-lijst van vijf familieleden, die toen in Westerbork verbleven; dat desniettemin deze menschen kort daarop naar het Oosten zijn vervoerd omdat de z.g. Weinreb-Sperre inmiddels was gesprongen; dat hij sedertdien niets meer van hen heeft vernomen en aanneemt, dat zij overleden zijn; dat hij bij de betaling in de meening verkeerde, dat plaatsing op deze lijst beteekende dat men was aangenomen als deelnemer aan een emigratie naar Portugal, die door verdachte werd georganiseerd en waarvoor de Duitschers reeds toestemming hadden verleend en dat in afwachting van het tot standkomen van deze emigratie de deelnemers niet naar het Oosten zouden worden weggevoerd; dat verdachte hem in dien waan had gebracht en hem o.m. officieele papieren of fotocopieën daarvan met stempels e.d. had vertoond waardoor deze voorstelling aannemelijk werd gemaakt; dat hij dit bedrag niet zou hebben afgegeven, indien hij vermoed had dat de reis niet zou doorgaan; 

 

3. Samuel Kallus:   

            dat hij, evenals zijn neef Alex Katz en J. L. Findling, met hun families, in 1942 op de z.g. Weinreb-lijst is geplaatst tegen betaling van f. 100, -per persoon; dat Katz een zoodanig vertrouwen had in deze lijst dat hij geen andere pogingen heeft ondernomen om zichzelf en de zijnen veilig te stellen, hoewel hij vroeger zijn geld en bagage al naar Frankrijk had gezonden; dat zij meenden dat de Weinreblijst de beste en gemakkelijkste weg was om aan de Duitschers te ontkomen, daar aan clandestiene emigratie naar Frankrijk risico's waren verbonden; dat ook de familie Findling haar vroeger voorgenomen vertrek naar Frankrijk maar steeds uitstelde; dat ook deze familie groot vertrouwen had in de Weinreb-lijst; dat echter na eenigen tijd beide families door de Duitschers zijn weggevoerd naar het Oosten vanwaar zij nooit zijn teruggekomen;  

 

4. Dr. Frijderijk Kanner:  

            dat hij in Juli 1942 aan een zekeren De Vries, een medewerker van verdachte, f. 200,- heeft betaald om met in totaal 3 personen op de Weinreb-lijst te worden geplaatst;  

 

 

5. H. M. Hendriks: 

            dat hij tot eind 1942 hier te lande illegaal werkzaam is geweest en o.m. valsche persoonsbewijzen leverde aan verschillende personen, o.a. aan verdachte; dat hij in verband daarmede gewoonlijk des Maandags om acht uur 's avonds bij den verdachte aan huis kwam; dat hij zoo ook op Maandag 6 October 1942 bij den verdachte kwam; dat tijdens het onderhoud met verdachte aan de voordeur gebeld werd; dat hij toen bemerkte dat eenige personen het huis binnen kwamen en in een andere kamer werden gelaten; dat verdachte hem zeide, dat dit bezoek niet verdacht was; dat hij na het verlaten van de woning van verdachte, toen hij ongeveer honderd meter daarvan verwijderd was, gearresteerd werd; dat hij bij zijn verhoor door den S.D.-beamte Koch werd ondervraagd over aangelegenheden, die, voorzoover bij hem bekend, alleen hij, getuige, en de verdachte wisten; dat hij daags na zijn arrestatie heeft weten te ontvluchten; 

 

6. Dirk Letter:  

            dat hij op 16 Augustus 1943 is gearresteerd en bij verschillende verhooren, die hij heeft moeten ondergaan, niets heeft losgelaten omtrent zijn illegale werkzaamheden; dat hij op 31 Augustus d.a.v. in de gevangenis te Scheveningen bij den verdachten in de cel werd geplaatst; dat hij verdachte, veel, zoo niet alles, heeft verteld omtrent zijn illegale werkzaamheden, daar verdachte zijn vertrouwen volkomen had gewonnen; dat verdachte hem zeide dat hij onder geleide van een rechercheur buiten mocht wandelen, dat hij toen met verdachte heeft afgesproken, dat deze een mondelinge boodschap aan zijn vrouw zou overbrengen; dat deze boodschap inhield dat zijn vrouw verschillende met name genoemde personen, met wie hij illegaal had samengewerkt, moest waarschuwen; dat tot deze met name genoemde personen behoorde de getuige Mej. Schokking; 

            dat hij van de meeste dezer personen de adressen niet noemde, maar wel het adres van Mej. Schokking aan verdachte opgaf; dat hij in de cel aan den verdachte had verteld dat zijn illegaal contact met Mej. Schokking betrekking had op het verstrekken van valsche persoonsbewijzen en het verbergen van Joden; dat verdachte later nog eenige briefjes voor zijn vrouw heeft medegenomen, welke briefjes over het algemeen niet veel belangrijks inhielden; dat echter een dezer briefjes, dat wel belangrijk was, aan hem, getuige, door den S.D. is getoond, die hem daarover onderhield; 

 

7. Everdina Vroom: echtgenoote van getuige Letter

            dat verdachte haar eenige malen heeft bezocht, toen haar man in de gevangenis zat; dat verdachte haar bij zijn eerste bezoek op 4 September 1943 een mondelinge boodschap van haar man bracht, inhoudende dat zij verschillende met name genoemde personen moest waarschuwen; dat verdachte toen echter niet den naam van Mej. Schokking noemde; dat verdachte bij zijn vertrek werd gevolgd door haar zwager, die haar later vertelde dat hij verdachte een eind verder in een auto had zien stappen; dat zij later eenige malen van den verdachte briefjes van haar man heeft ontvangen, die niet veel bijzonders inhielden, maar dat een minder onschuldig briefje van haar man haar later is getoond door den getuige Scheef, die haar daarover heeft ondervraagd;  

 

8. G. J. Angenent:  

            dat hij, in dienst bij de politie te 's-Gravenhage, in 1943, als chauffeur van een politie-auto, met Scheef en Holman den verdachte aan de gevangenis heeft afgehaald en hem heeft gereden naar de Javastraat; dat hij onderweg hoorde dat verdachte naar Mevr. Letter moest om haar uit te hooren; dat hij opdracht kreeg om verdachte te voet te begeleiden naar den winkel van Letter hetgeen hij heeft gedaan; dat hij verdachte later, nadat deze een onderhoud had gehad met Mevr. Letter, naar de auto heeft teruggeleid;  

 

 

 

9. Justinus Terborg:  

            dat hij tot 10 October 1943 onderwijzer was in de gevangenis te Scheveningen; dat hij eens in een boek, dat aan den verdachte was uitgeleend, toen hij dit boek (weder) van verdachte terugkreeg, een briefje vond waarin iets stond over een banketbakker in de Indische buurt, bij wie iemand zou zijn ondergedoken, en van welke aangelegenheid een zekere juffrouw Schokking af wist; dat hij dit briefje aan den verdachte heeft teruggegeven; dat hij kort daarop vernam dat Mej. Schokking was gearresteerd;  

 

10. K. F. Henneman:

            dat hij, na van Mevr. Letter te hebben vernomen, dat een zekere Weinreb haar briefjes en mededeelingen van haar man uit de gevangenis bracht en dat zij deze persoon niet vertrouwde, op 6 September 1943 verdachte heeft gevolgd, toen deze den winkel van Mevr. Letter verliet; dat hij heeft gezien, dat een ander persoon zich bij verdachte voegde; dat hij deze persoon alleen van achteren heeft gezien; dat hij, wat gestalte betreft, gelijkt op getuige Koch; dat beide personen naar huize Windekind gingen, waar zij door eenige Duitschers, die voor de geopende ramen zaten, vriendelijk werden begroet;  

 

11. Neeltje Hanna Schokking:

            dat zij op 8 September 1943 te 's-Gravenhage door Scheef en Holman is gearresteerd en tot 20 April 1944 is vastgehouden; dat aan haar werd verweten het verhandelen van valsche persoonsbewijzen en het verbergen van Joden; dat zij inderdaad deze feiten had begaan en dat getuige Letter daarvan op de hoogte was; 

 

12. Paul Sonjavsky:

            dat hij op 21 Januari 1943 te 's-Gravenhage door den S.D. werd gearresteerd en tot 1 Mei d.a.v. werd vastgehouden; dat hij, toen dit hem door den S.D. werd gevraagd ontkende goederen en geld van den verdachte onder zich te hebben, hoewel hij van den verdachte, die Jood is, in bewaring had ontvangen f. 5800,-, schilderijen ter waarde van f. 5000j,-, zoomede een collectie boeken; dat hij bij verschillende latere verhooren werd geconfronteerd met den verdachte, die toen telkens een mededeeling deed over gelden of goederen, die hij van verdachte in bewaring had ontvangen; 

            dat hij zich dan telkens niet in staat gevoelde dat feit nog langer te ontkennen en daaromtrent een bekentenis heeft afgelegd; dat verdachte ook eenmaal een mededeeling deed over hulp aan ondergedoken Joden, die hij, getuige, had verschaft, welk feit hij toen ook aan den S.D. heeft moeten bekennen; 

 

13. Willem Louis van Zon:  

            dat hij sedert Augustus 1942 voor den verdachte, die Jood is, gelden bewaarde en betalingen deed; dat hij op 29 Januari 1943 te 's-Gravenhage werd gearresteerd; dat hij werd beschuldigd Joodsche gelden en goederen onder zich te hebben, hetgeen hij aanvankelijk heeft ontkend, doch kort daarop, toen hem bleek dat de S.D. vrijwel alles wist, heeft toegegeven; dat hij toen echter een feit heeft verzwegen en wel dat hij van verdachte onder zich had een bedrag van ongeveer f 24.800.-; dat dit bedrag kort tevoren vanwege verdachte bij hem was gebracht en door hem niet, zooals de andere bedragen, die hij van verdachte onder zich had gekregen, was ingeboekt; dat hij dit geld had begraven in zijn tuin dat hij eenigen tijd later met verdachte werd geconfronteerd, bij welke gelegenheid verdachte hem aanspoorde de geheele waarheid te zeggen en hem vroeg of hij dit geldsbedrag soms ook in den grond had gestopt, zooals hij wel meer had gedaan; dat hij toen den volgenden dag aan den S.D. heeft bekend ook dit bedrag aan geld onder zich te hebben; dat het hem bekend is dat een familie Cacz, die op de z.g. Weinreblijst was geplaatst, een zoodanig vertrouwen had in deze lijst, dat zij daardoor afgezien heeft van haar voorgenomen clandestien vertrek naar Frankrijk, waarheen zij al geld hadden vooruitgezonden; dat deze familie later door de Duitschers naar het Oosten is gevoerd, vanwaar zij niet is teruggekomen; 

            dat hij op 29 juni 1943 in vrijheid is gesteld;  

 

14. Theodorus Josephus Eekhout: 

            dat hij in 1942 boodschappen deed voor verdachte; dat hij voorts van dezen in bewaring had ontvangen een bedrag van f. 10.000.-; dat hij op 3 Februari 1943 te 's-Gravenhage door Koch werd gearresteerd; dat hij ontkende f. 10.000.- van verdachte onder zich te hebben; dat van dit feit, voorzoover hem bekend, alleen op de hoogte waren de verdachte, zijn, getuige's vrouw, en hijzelf; dat toen de S.D.-beambte hem echter bijzonderheden mededeelde over de enveloppe waarin het geld verpakt was geweest, hij dit feit aan den S.D. heeft bekend en heeft medegedeeld waar het geld was verborgen; dat bij tot Augustus 1943 van zijn vrijheid is beroofd;  

 

15. Mr. Simon Roest Crollius: 

            dat hij van verdachte een bedrag aan geld, groot ongeveer f. 20.000.-, in bewaring had ontvangen; dat Koch en Holman met nog een S.D.-man in begin Februari 1943 bij hem te 's-Gravenhage kwamen en vroegen waar de f. 20.000.- van Weinreb was; dat hij ontkende iets van verdachte onder zich te hebben, waarop zij een huiszoeking hebben gehouden en in zijn brandkast het geld vonden en in beslag namen; dat Koch hem toen mededeelde dat hij was verraden door verdachte, die ook had medegedeeld hoe het geld verpakt was geweest; dat de mededeelingen van Koch omtrent de verpakking juist waren; dat hij werd gearresteerd en gedurende twee maanden van zijn vrijheid is beroofd;  

 

16. Fritz Ernst Wilhelm Koch:  

            dat hij als Kriminalsecretär van Mei 1940. tot aan de capitulatie van Duitschland in dienst van den S.D. hier te lande werkzaam is geweest, dat zijn bureau een tijdlang was gevestigd in Huize Windekind aan de Nieuwe Parklaan te 's-Gravenhage; 

            dat hij den verdachte heeft verhoord in verband met de eerste Weinreblijst; dat verdachte hem toen verschillende papieren toonde, o.a. een brief van een zekere Generaal Von Schumann, wien verdachte zeide een dienst te hebben bewezen, waarop deze hem uit dankbaarheid zou hebben toegezegd dat hij met een aantal families mocht emigreeren naar onbezet Frankrijk; dat verdachte hem voorts de namen Von Rath en Six noemde, dat hij den verdachte geloofde en, toen een onderzoek had uitgewezen dat de genoemde personen onbekend waren, dacht dat verdachte het slachtoffer was geworden van eenige Duitsche oplichters; dat hij er bij verdachte op aangedrongen heeft dat deze hem in contact zou brengen met Six en Von Rath; dat na eenigen tijd op aanwijzing van verdachte een persoon gearresteerd is, die zich Six noemde; dat deze persoon later door den mand viel; dat toen verdachte en zijn vrouw en kinderen zijn gearresteerd; dat verdachte bekende dat alles slechts zwendel was en dat hij dit alles had gedaan om aan geld te komen; dat Holman hem later heeft verteld dat verdachte voor den S.D. zou willen werken; dat voorts Holman en Scheef aan hem hebben verteld, dat zij verdachte gebruikten om andere gevangenen uit te hooren; dat hij zelf verklaringen van verdachte heeft opgenomen omtrent geld en boeken, die hij aan Van Zon en omtrent gelden die hij aan Eekhout en aan Roest Crollius zei in bewaring te hebben gegeven; dat hij destijds heeft vernomen dat getuige Hendriks bij de woning van verdachte is gearresteerd; dat Holman hem toen vertelde dat deze door verdachte was verraden; dat de z.g. tweede Weinreb-lijst werk van Holman was; dat het hem bekend was, dat daarvoor een valsche brief zou worden vervaardigd; dat hij in verband met deze aangelegenheid van verdachte f. 10.000,- heeft ontvangen; 

 

17. Johannes Hendricus Christiaan Scheef: 

            dat hij tijdens den oorlog rechercheur van politie was; dat verdachte verschillende personen aan den S.D. heeft verraden; dat Holman en verdachte hebben gesproken over een mondelinge boodschap, die verdachte voor Letter, die toen evenals verdachte in de gevangenis zat, moest overbrengen aan Mevr. Letter;  

 

            Overwegende dat ter terechtszitting is voorgelezen een ambtseedig proces-verbaal van A.B. Domburg en M. van Paassen, rechercheurs bij den P.R.A. te 's-Gravenhage, tevens onbezoldigde rijksveldwachters, gemerkt Rood II, voorzoover inhoudende (bladzijde 66) de verklaring van Antonie Holman, zakelijk luidende:  

            Ik heb gewerkt voor den S.D. In het najaar van 1942 had Weinreb aan Koch medegedeeld dat een zekere Hendriks 's avonds om 19 uur bij hem zou komen. Ik kreeg met een ander opdracht deze persoon te arresteeren. Wij werden door de echtgenoote van Weinreb in de voorkamer gelaten. Even later kwam Weinreb bij ons en verzocht ons Hendriks niet in huis te arresteeren, doch op straat. Hij vertelde ons dat deze gekleed was in een lichte regenjas en een parapluie bij zich had. Wij hebben de woning verlaten en buiten staan wachten totdat iemand, die aan de beschrijving voldeed, de woning verliet. Wij hebben deze persoon een eind gevolgd en hem toen gearresteerd. Wij brachten hem over naar Huize Windekind waar hij den volgenden dag is ontvlucht.  

            Kort na de arrestatie van Weinreb zijn verschillende personen die geld of goederen van hem in bewaring hadden, gearresteerd, zoo o.a. Sonjavsky, Roest Crollius en Eekhout.  

            Ik kan met zekerheid verklaren dat Weinreb door Koch, Scheef en anderen werd gebruikt om andere gevangenen in de cel uit te hooren. Deze personen werden dan geplaatst in de cel van Weinreb. Dit uithooren heeft resultaten opgeleverd voor den S.D. Soms gaf Weinreb ons briefjes met aanteekeningen betreffende het resultaat van het uithooren, soms deed hij ons mondelinge mededelingen. Mejuffrouw Schokking is gearresteerd naar aanleiding van het uithooren van Letter door Weinreb.  

            Omtrent de tweede Weinreb-lijst kan ik verklaren, dat ik niet weet wie het eerst dit denkbeeld heeft geopperd. Wel weet ik, dat Weinreb Koch heeft voorgespiegeld, dat er veel geld zou binnenkomen van de Joden, die op de lijst geplaatst zouden worden. Voor deze lijst zijn verschillende brieven opgesteld door Weinreb. Het briefpapier heeft Scheef laten drukken. De stempels heb ik er op aanwijzing en verzoek van Weinreb op geteekend; ook de handteekeningen, die er op staan, zijn er door mij op verzoek en aanwijzing van Weinreb op gesteld; de tekst dezer stukken heeft Weinreb getikt. 

 

            Overwegende, dat verder ter terechtzitting is voorgelezen een ambtseedig proces-verbaal van den Raadsheer-Commissaris bij dit Gerechtshof, voorzoover inhoudende de verklaring van Ragnhild Stapel, zakelijk luidende: 

            'Eind 1943 of begin 1944, het kan wel in de maand Februari zijn geweest, is Scheef eens bij mij geweest. Hij deelde mij toen mee, dat eenige dagen tevoren Weinreb ondergedoken was met zijn geheele familie. Hij vertelde mij dat Weinreb dat heel handig gedaan had, want dat hij hem den vorigen avond nog getelefoneerd had, denkelijk om den S.D. gerust te stellen. Den dag daarop, toen de S.D. van plan was om hem te arresteeren, was de vogel echter gevlogen. Een paar dagen daarna is Scheef bij mij aan huis geweest en hebben wij een lang en vertrouwelijk onderhoud gehad. Bij die gelegenheid vertelde hij mij, dat er een afspraak was gemaakt tusschen Koch en Weinreb, dat Weinreb een tweede lijst zou samenstellen en dat de S.D. daardoor te weten zou komen adressen van ondergedoken Joden. Op die lijst kwamen ook voor de namen van Joden, die in Westerbork opgesloten waren, maar dat was alleen gedaan voor camouflage. Hij heeft mij toen niet verteld, dat door die lijst al verschillende Joden waren gearresteerd, maar wel vertelde hij mij dat de S.D. Weinreb had willen arresteeren omdat Weinreb financieel geknoeid had. Scheef vertelde toen ook, dat om op die lijst geplaatst te worden, Joden twee honderd gulden per persoon moesten betalen. Maar hij vertelde er ook bij dat Weinreb ook wel eens meer vroeg.   

            Wel weet ik dat ik in dien tijd gehoord heb, het is mogelijk dat ik dat van Scheef gehoord heb, maar het is ook goed mogelijk dat ik dat van een cliënt van mij gehoord heb, dat Weinreb zich in Scheveningen in de cel liet opsluiten om zoodoende gegevens te verkrijgen van medegevangenen. Het was in de periode dat Weinreb zelf daar opgesloten was.'  

 

            Overwegende, dat verdachte ter terechtzitting heeft opgegeven, dat hij wist dat Nederland in het tijdvak van September 1942 tot Februari 1944 met Duitschland in oorlog was;  

 

            Overwegende, dat het Bijzonder Gerechtshof op grond van den inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat verdachte het sub A ten laste gelegde heeft begaan, met uitzondering van de woorden 'door keuring der gegadigden' in het ten laste gelegde sub 2 en met dien verstande, dat niet bewezen is, dat de gelden zijn aangewend te eigen bate; en voorts: 

b. dat hij te 's-Gravenhage, althans in bezet Nederland, op verschillende tijdstippen in het tijdvak van September/October 1942 tot Februari 1944 opzettelijk, terwijl Nederland met Duitschland in oorlog was, ten voordeele van den vijand zich tegenover ambtenaren van den S.D. bereid heeft verklaard en/of getoond om bij hem tijdens zijn gevangenschap in de cellenbarakken te Scheveningen in de cel geplaatste arrestanten ten behoeve van den S.D. uit te hooren, zulks tusschen Juli en eind September 1943, o.m. ten aanzien van D. Letter, heeft gedaan of pogen te doen en de door hem verkregen gegevens aan S.D.-ambtenaren heeft doorgegeven, zoo omtrent het verhandelen van persoonsbewijzen door een zekere, met de familie Letter in relatie staande Mej. Schokking, tengevolge waarvan deze op 8 September 1943 door of vanwege den S.D. is gearresteerd en tot 20 April 1944 gevangen en geïnterneerd is gehouden;  

 

c. in begin October 1942 aan den S.D. heeft medegedeeld, dat een zekere Hendriks hem valsche persoonsbewijzen zou leveren en daartoe op een bepaalden avond (6? October 1942) bij hem zou komen, waarop Hendriks op dien avond door in zijn, verdachte's, woning geposteerde S.D.-beambten is gearresteerd;   

 

d. tusschen 19 Januari en medio Februari 1943, in verband met de door hem op de zg. eerste Weinreb-lijst ontvangen gelden, aan den S.D. mededeelingen heeft gedaan omtrent gelden en goederen (boeken, schilderijen en waardepapieren), welke door hem aan verschillende personen P. Sonjavsky, W. K. van Zon, P. J. Eekhout en Mr. S. Roest Crollius in bewaring waren gegeven, tengevolge waarvan die personen resp. op 21 januari, 29 januari, 3 Februari en in Februari door den S.D. zijn gearresteerd, voorts vóór en bij confrontatie met die personen, die aan­vankelijk ontkenden Joodsch bezit onder zich te hebben, tegenover den S.D., bijzonderheden heeft opgegeven omtrent den aard, de wijze van verpakking en de plaats van verberging van bepaalde geldsbedragen en goederen en ten slotte nog gedetailleerde mededeelingen heeft gedaan omtrent Jodenhulp van Sonjavsky, 

            door welke handelingen hij:  

1. opzettelijk gedurende den tijd van voormelden oorlog den vijand hulp heeft verleend in diens streven om gelden van Joden en ander Joodsch bezit machtig te worden en Jodenbegunstiging tegen te gaan;  

2. gedurende den tijd van voormelden oorlog opzettelijk Mej. Schokking, Hendriks, Sonjavsky, Van Zon, Eekhout en Mi. Roest Crollius heeft blootgesteld aan opsporing, vervolging, vrijbeidsberooving, eenige straf of eenigen maatregel door of vanwege den vijand, welke feiten de vrijheidsberooving van langer dan een maand van Mej. Schokking, Sonjavsky, Van Zon, Eekhout en Mr. Roest Crollius tengevolge hebben gehad;  

 

            Overwegende, dat het Hof van oordeel is dat verdachte door gelden aan te nemen en te behouden of te geven aan anderen dan degenen van wie hij ze had ontvangen, zichzelf of anderen wederrechtelijk heeft bevoordeeld en de gevers in hun vermogen wederrechtelijk heeft benadeeld; 

            dat verdachte te zijner verdediging wel heeft aangevoerd dat hij deze gelden niet voor privé-doeleinden heeft gebezigd, doch ze heeft gebruikt om andere Joden, die in moeilijke omstandigheden verkeerden, te helpen, maar dat de feitelijke juistheid van dit verweer in dit verband niet behoeft te worden onderzocht, omdat het den verdachte toch niet kan baten, daar de gelden aan hem waren verstrekt voor de organisatie en de uitvoering van een emigratie naar Frankrijk, respectievelijk Portugal, en het den verdachte niet vrijstond daaraan zonder toestemming van de betrokkenen een andere bestemming te geven; 

 

            Overwegende, dat tot deze beslissing reden geven de in vorenstaande bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden; 

 

            Overwegende, dat niet bewezen is hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard; 

 

            Overwegende, dat het aldus bewezene oplevert de misdrijven van: 

1. gedurende den tijd van den huidigen oorlog opzettelijk gebruik maken van gelegenheid door den vijand of door het feit der vijandelijke bezetting geboden, om een en ander in zijn vermogen wederrechtelijk te benadeelen en om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, meermalen gepleegd,  

2. opzettelijk in tijd van oorlog den vijand hulp verleenen, meermalen gepleegd,

3. het voortgezet misdrijf van opzettelijk in tijd van oorlog den vijand hulp verlenen, 

4. gedurende den tijd van den huldigen oorlog opzettelijk een ander blootstellen aan opsporing, vervolging, vrijheidsberooving, eenige straf of eenigen maatregel door of vanwege den vijand, vrijheidsberooving van langer dan een maand tengevolge hebbende, meermalen gepleegd,  

5. gedurende den tijd van den huldigen oorlog opzettelijk een ander blootstellen aan opsporing, vervolging, vrijheidsberooving, eenige straf of eenigen maatregel door of vanwege den vijand, 

strafbaar gesteld bij de artikelen 26 en 27 van het Besluit Buitengewoon Strafrecht, 56 en 102 van het Wetboek van Strafrecht; 

            Overwegende, dat verdachte deswege strafbaar is, zijnde toch niet gebleken van eenige omstandigheid, die de strafbaarheid, van verdachte zoude opheffen of uitsluiten.  

 

            Overwegende, dat verdachte en zijn raadsman voor wat betreft het sub A ten laste gelegde een beroep hebben gedaan op artikel 10 van het Besluit Buitengewoon Strafrecht; 

 

            Overwegende, dat dit verweer in de eerste plaats niet opgaat, omdat artikel 10 niet van toepassing is op het misdrijf omschreven in artikel 27 van dat Besluit;  

 

            dat toch, blijkens den tekst, er een nauw verband bestaat tusschen het begin van artikel 10 en den aanhef van artikel 1 en daaruit is af te leiden, dat artikel 10 alleen van toepassing is op de strafbare feiten genoemd in artikel 1 sub 2°, waartoe artikel 27 niet behoort;     

 

            dat het in dit verband de aandacht verdient, dat in artikel 26, hetwelk evenals artikel 27 niet wordt genoemd in artikel 1 sub 2, maar wel in artikel 1 sub 1, in het vijfde lid uitdrukkelijk is voorgeschreven, dat niet strafbaar is hij, die het feit heeft gepleegd met het oogmerk om het algemeen belang te dienen;

 

            dat ook de ratio voor deze uitlegging pleit, omdat artikel 27 zich alleen richt tegen wederrechtelijke handelingen en de wetgever daarom het klaarblijkelijk niet noodig heeft gedacht artikel 10 toepasselijk te verklaren op het misdrijf omschreven in artikel 27;  

 

            Overwegende, dat in de tweede plaats artikel 10 niet van toepassing is, omdat niet is gebleken, dat verdachte het feit heeft begaan om den vijand te benadeelen of door of vanwege den vijand of diens helpers beraamde maatregelen te beletten, belemmeren of verijdelen;  

 

            dat verdachte wel heeft betoogd, dat hij het feit alleen heeft begaan om Joden te helpen ontkomen aan deportatie of interneering, doch dat voor wat de eerste lijst betreft niet is in te zien waarom hij dan van deze lieden een bedrag in geld vroeg;  

 

            dat de bewering van verdachte, dat hij dit wel moest doen omdat men anders zijn actie niet ernstig zou hebben genomen, niet geloofwaardig voorkomt, terwijl het bovendien niet past in deze voorstelling van verdachte dat hij aan sommige rijke lieden belangrijk grootere bedragen heeft gevraagd, hetgeen te meer klemt omdat verdachte deze groote bedragen niet noodig had voor het philantropisch werk, dat hij zegt te hebben verricht, daar is komen vast te staan dat verdachte toen groote geldsbedragen onder zich had; 

 

            dat het Hof dan ook aanneemt, dat het in de eerste en voornaamste plaats de bedoeling van den verdachte was bij de eerste lijst om geld te verdienen en bij de tweede lijst om zichzelf en zijn gezin te redden en dat de hulp, die hij door zijn activiteit aan andere Joden dacht te verleenen, slechts op de tweede plaats kwam;  

 

            dat derhalve niet is gebleken, dat het in artikel 10 geëischte oogmerk bij den verdachte heeft bestaan;  

 

            Overwegende wat betreft de op te leggen straf, dat ter terechtzitting is beweerd, dat de activiteit van verdachte aan velen het leven heeft gekost omdat zij zoo zeer vertrouwden op de bescherming, die de Weinreb-lijst hun bood, dat zij hebben nagelaten andere maatregelen te nemen en daardoor, toen deze zg. lijsten waardeloos bleken, in handen der Duitschers zijn gevallen;  

 

            dat dit echter niet opgaat, voor wat betreft de tweede lijst, omdat toen vrijwel alle Joden, die voor interneering of deportatie in aanmerking kwamen, waren gegrepen of ondergedoken en niet is gebleken dat verdachte ondergedoken Joden aan de Duitschers heeft verraden;  

 

            dat, voor wat betreft de eerste lijst, de getuigenverklaringen elkaar tegenspreken;  

 

            dat het Hof aanneemt, dat sommigen inderdaad door het vertrouwen dat zij in de Weinreb-lijst stelden, er toe zijn gekomen om andere maatregelen achterwege te laten en daardoor een gemakkelijke prooi zijn geworden voor de Duitschers, maar dat hierbij tevens in aanmerking moet worden genomen, dat dit voor een deel eigenschuld was omdat uiteraard rekening had moeten worden gehouden met de mogelijkheid dat het transport, dat verdachte zeide te organiseeren, niet zou doorgaan; 

 

            dat anderzijds ter terechtzitting is gebleken dat meerdere andere Joden het uitstel, dat de werkzaamheid van verdachte hun bood, hebben kunnen benutten om op een of andere wijze de gevaren, die hun bedreigden, te ontkomen;  

 

            dat het Hof, een en ander tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat dit voordeel opweegt tegen het nadeel dat anderen hebben ondervonden, en daarom voor de bepaling van de straf, die aan verdachte moet worden opgelegd in verband met het sub A bewezen verklaarde, er alleen rekening mede wil houden dat verdachte een groot aantal personen door bedrieglijke middelen geld afhandig heeft gemaakt om dit te bezigen voor andere doeleinden dan waarvoor het hem was gegeven en verder nog wil aannemen, dat verdachte in de meening kan hebben verkeerd, dat hij zijn slachtoffers een contra-prestatie verstrekte, t.w. uitstel van deportatie, die ruimschoots opwoog tegen het bedrag in geld, dat zij hem betaalden;   

 

            dat het, voor wat het sub B bewezen verklaarde betreft, opvallend is dat geen der gevallen, waarin verdachte als verrader is opgetreden, ernstige gevolgen heeft gehad:  

 

            dat het Hof er verder rekening mede wil houden, dat verdachte en zijn familie tijdens het plegen van dit verraad in zeer moeilijke omstandigheden verkeerden;  

 

            dat deze omstandigheid aan dit verraad, dat overigens niet is goed te praten, een minder ernstig karakter geeft; 

 

            dat het Hof op grond van één en ander na te melden straf in overeenstemming acht met den ernst van de gepleegde misdrijven en de ter terechtzitting gebleken omstandigheden, waaronder zij werden begaan, zoomede met den persoon en de persoonlijke omstandigheden van den verdachte;  

 

            Gezien de artikelen 10, 27, 28 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2, 9, 11 van het Besluit Buitengewoon Strafrecht; 

 

RECHTDOENDE:   

            Verklaart verdachte schuldig aan het hierboven bewezen verklaarde en gequalificeerde misdrijf en hem deswege strafbaar;  

 

            Veroordeelt verdachte te dier zake tot gevangenisstraf voor den tijd van

             drie jaar en zes maanden.

 

            Bepaalt, dat de tijd door veroordeelde tot op de dag dezer uitspraak in bewaring doorgebracht, bij de uitvoering der hem opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;  

 

            Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard;  

 

            Spreekt hem daarvan vrij.   

 

            Ontzet de veroordeelde van het recht tot het kiezen en de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen voor de duur van het leven;  

 

            Verleent aan de veroordeelde verlof om tegen deze sententie beroep in cassatie in te stellen. 

 

Aldus gewezen bij  

Jhr. Mr. P. G. M. v. Meeuwen                         President 

Mr. H. Burgersdijk                                           Raadsheer

Mr. W. B. H. A. Heskes                                  Raadsheer

Kol. W. H. C. Hoog en                                    Militaire

V. E. Wilmar                                                    Raadsheeren

in het bijzijn van Mr. v. d. Sluys                      Griffier  

 

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van voornoemd Bijzonder Gerechtshof de 27e November 1947. 

 

w.g. Van Meeuwen, w.g. H. Burgersdijk, w.g. W. B. H. A. Heskes, w.g. W. H. C. Hoog, w.g. V. E. Wilmar, w.g. M. v. d. Sluys. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

No.750  

BIJZ. RAAD VAN CASSATIE (Tweede Kamer), 25 October 1948

(Mrs. Prof. Dr. Verzijl, Veegens, Scholten, Mouton, Kol. Tollenaar.) 

 

 

Zaak-Weinreb. Strafmaat en motivering. 

            Uitvoerige motivering der gevangenisstraf (door den Bijz. Raad van Cassatie verhoogd van 31/2 tot 6 jaar). Req. heeft in zijn benarde positie - waarin hij reeds tot verraad van celgenoten was afgedaald - in de eerste plaats zichzelf en zijn gezin willen redden, zelfs door (Joodse) geloofsgenoten geld af te troggelen ten behoeve van S.D.-beambten; de hulp aan die geloofsgenoten kwam bij hem slechts op de tweede plaats. Tegen de strekking van req.'s eigen verweer in - zijn houding van overwinnaar in een groot spel met den S.D. - neemt de Raad te zijner verontschuldiging in aanmerking, dat in het verloop van de uitvoering van zijn met goede bedoelingen opgezette oorspronkelijke plan tot redding van zoveel mogelijk, i.h.b. ook onbemiddelde Joden, req. tegenover den S.D. meer dan eens in een positie is gekomen, waarin hij meende offers aan den S.D. te mogen voorwerpen.  

            Zijn hoogmoedige vertrouwen in eigen intelligentie en zijn zelfgenoegzame zedelijke oordeel omtrent wat bij het voortzetten van zijn grote spel nog geoorloofd en niet meer geoorloofd was, hebben hem verblind en geleid tot het opofferen van individuele personen tot redding van zichzelf, zijn gezin en een grotere groep. De rechtsorde gedoogt niet, dat enig mens, in vertrouwen op eigen kunnen en naar eigen morele maatstaf, aldus beschikt over leven en lot van anderen. Wie een vermetel plan opzet, zonder het verdere verloop te kunnen overzien, in het bewustzijn van deszelfs risico's en zonder degenen die hij bij de uitvoering daarvan betrekt, naar waarheid in te lichten, neemt daarmede een zware persoonlijke verantwoordelijkheid op zich voor de gevolgen, die eruit kunnen voortvloeien en kan zich niet meer aan die verantwoordelijkheid onttrekken, wanneer hij dientengevolge in dwangpositie geraakt. 

 

            (Sr. artt. 9-36 en 40; Sv. art. 359; B.B.S. art. I) 

 

            Op de beroepen van: I. Den Proc.-Fiscaal bij het Bijzondere Gerechtshof te 's-Gravenhage, II. Fr. Weinreb, geboren te Lemberg (Polen), 18 November 1910, van beroep economisch doctorandus, requiranten van cassatie tegen een sententie van het Bijzondere Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 Nov. 1947, waarbij de tweede requirant werd schuldig verklaard aan de misdrijven van: 

            1. 'Gedurende den tijd van den huidigen oorlog opzettelijk gebruik maken van gelegenheid door den vijand of door het feit der vijandelijke bezetting geboden, om een ander in zijn vermogen wederrechtelijk te benadelen en om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen', meermalen gepleegd; 

            2. 'Opzettelijk in tijd van oorlog den vijand hulp verlenen', meermalen gepleegd;  

            3. 'Het voortgezet misdrijf van opzettelijk in tijd van oorlog den vijand hulp verlenen';   

            4. 'Gedurende den tijd van den huidigen oorlog opzettelijk een ander blootstellen aan opsporing, vervolging, vrijheidsberoving, enige straf of enigen maatregel door of vanwege den vijand, vrijheidsberoving van langer dan een maand tengevolge hebbende', meermalen gepleegd;  

            5. 'Gedurende den tijd van den huidigen oorlog opzettelijk een ander blootstellen aan opsporing, vervolging, vrijheidsberoving, enige straf of enigen maatregel door of vanwege den vijand',    

            en met toepassing van de artt. 10, 27, 28, 56, 57 en 102 Sr., 1, 2, 9, 11, 26 en 27 B.B.S., werd veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van drie jaar en zes maanden, met bepaling dat de tijd door den veroordeelde tot op den dag dezer uitspraak in bewaring doorgebracht, bij de uitvoering der hem opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, tevens met ontzetting van het recht tot het kiezen en de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen voor den duur van het leven. 

 

            De Bijzondere Raad van Cassatie, enz.; 

            Gehoord het verslag van den Raadsheer Tollenaar; 

            Gelet op het middel van cassatie, door den eersten requirant voorgesteld bij schriftuur, luidende: 

            V. t. van de artt. 9, 10 en 102 Sr., en 1, 11, 26 en 27 B.B.S., door oplegging van een straf, welke niet geacht kan worden te beantwoorden aan den ernst van de door veroordeelde begane misdrijven; 

            Gelet op de middelen van cassatie, namens den tweeden requirant voorgesteld bij schriftuur, luidende: 

            l°. S., althans v. t. van art. 10 B.B.S., daar het Hof heeft aangenomen dat dit artikel niet van toepassing zou zijn op het misdrijf omschreven in art. 27 van dit Besluit; 

            2°. S., althans v. t. van de artt. 1, 2, 8, 9, 11, 22, 26 en 27 B.B.S., daar het Hof een straf heeft opgelegd, welke niet geacht kan worden te beantwoorden aan den ernst van de misdrijven, de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van den veroordeelde;  

            Gehoord den Advocaat-Fiscaal namens den Procureur-Fiscaal in zijn nadere conclusie, dat de Raad de zaak opnieuw zal aanhouden en aan den Procureur-Fiscaal een definitief antwoord zal vragen op de vraag, of een vervolging zal worden ingesteld naar de verraadzaken Reinkenstraat en Edersheim; refererende hij zich ten aanzien van het verzoek om invrijheidstelling aan het oordeel van den Raad;  

            0. dat bij de bestreden sententie ten laste van den tweeden requirant is bewezen verklaard:  

            A. dat hij te 's-Gravenhage en op andere plaatsen in bezet Nederland op verschillende tijdstippen in het tijdvak van April 1942 tot Februari 1944, gedurende welken tijd Nederland met Duitsland in oorlog was en vele Joden in Nederland, in verband met de door den vijand tegen de Joden gerichte internerings- en deportatiemaatregelen, naar onbezette gebieden wensten te emigreren, opzettelijk:   

            1. in het tijdvak van April 1942 tot medio Januari 1943 een groot aantal Joden en andere personen heeft bewogen tot storting van geldsbedragen, variërende van f 100 tot meerdere duizenden guldens bij hem of zijn medewerkers, althans een groot aantal Joden en andere personen in de gelegenheid heeft gesteld om die geldsbedragen voor emigratiedoeleinden bij hem of zijn medewerkers te storten, door hun valselijk voor te spiegelen of hen in de waan te laten, dat zij en/of Joodse familileden of -relaties daardoor werden verplaatst op een lijst van Joden (bekend geworden als de eerste Weinreblijst), die door zijn bemiddeling door toedoen van zekere Duitse relaties in de gelegenheid zouden worden gesteld om naar onbezet Frankrijk, althans naar het buitenland te emigreren, aan welke verdichtsels door hem schijn van werkelijkheid werd gegeven door het tonen van valse Duitse papieren, de verzekering, dat de reis beslist zou doorgaan en dat de emigrantentreinen omstreeks eind December 1942 en begin januari 1943 naar Frankrijk zouden vertrekken, door het keuren of laten keuren der gegadigden en door in gevallen, dat bijzonder grote bedragen werden aangeboden of verlangd om op de lijst geplaatst te worden, of een hogere plaats daarop te verkrijgen, te beweren, dat de lijst reeds was volgeboekt en anderen, die daarop reeds eerder waren geplaatst een aanzienlijk bedrag wensten of zouden wensen ter compensatie van het afvoeren van of lager geplaatst worden op de lijst dan wel dat extra betaald moest worden voor arme joden die het vereiste inschrijfgeld niet konden betalen;   

            2. in het tijdvak van September 1943 tot medio Februari 1944, in overleg met ambtenaren van den Sicherheitsdienst, die hem daartoe in de gelegenheid stelden door hem na zijn gevangenneming vrij te laten en hem een kantoor, inschrijf en sperformulieren en valse Duitse papieren van officieel karakter en/of fotocopieën daarvan als werkgelegenheid en werkmateriaal te verschaffen, een groot aantal Joden en andere personen heeft bewogen tot storting van geldsbedragen, varierende van f 100 tot meerdere duizenden guldens bij hem of zijn medewerkers te storten door hun valselijk voor te spiegelen of hem in de waan te laten, dat zij en/of Joodse familieleden of -relaties daardoor worden geplaatst op een uitwisselingslijst van Joden (bekend geworden als tweede Weinreblijst), die met toestemming van de Duitse autoriteiten, ter uitwisseling met in Zuid-Amerika geïnterneerde Duitse Staatsburgers, in de gelegenheid zouden worden gesteld om naar het buitenland te emigreren, aan welke verdichtsels door hem schijn van werkelijkheid werd gegeven door verzekeringen, dat de reis zou doorgaan, dat de betreffende treinen onverwacht zouden kunnen vertrekken, doch dat iedereen het verzamelpunt tijdig zou kunnen bereiken en door het zo nodig tonen van de valse papieren of fotocopieën daarvan, 

            al welke gelden door hem niet zijn aangewend tot het doel (emigratie) waartoe zij waren gestort, doch gedeeltelijk ten bate van andere dan de inschrijvers en anderdeels aan S.D.-ambtenaren zijn afgedragen 

            en aldus 

            gedurende den tijd van voormelden oorlog opzettelijk gebruik heeft gemaakt van gelegenheid en middelen hem door het feit der vijandelijke bezetting en door den vijand geboden om anderen in hun vermogen wederrechtelijk te benadelen en zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen;  

            B. b. dat hij te 's-Gravenhage, althans in bezet Nederland, op verschillende tijdstippen in het tijdvak van September/October 1942 tot Februari 1944 opzettelijk terwijl Nederland met Duitsland in oorlog was, ten voordele van den vijand zich tegenover ambtenaren van de S.D. bereid heeft verklaard en/of getoond om bij hem tijdens zijn gevangenschap in de cellenbarakken te Scheveningen in de cel geplaatste arrestanten ten behoeve van den S.D. uit te horen, zulks tussen juli en eind September 1943, o.m. ten aanzien van D. Letter, heeft gedaan of pogen te doen en de door hem verkregen gegevens aan S.D.-ambtenaren heeft doorgegeven zo omtrent het verhandelen van persoonsbewijzen door een zekere, met de familie Letter in relatie staande Mej. Schokking, tengevolge waarvan deze op 8 September 1943 door of vanwege den S.D. is gearresteerd en tot 20 April 1944 gevangen en geïnterneerd is gehouden;   

            c. in begin October 1942 aan den S.D. heeft medegedeeld, dat een zekere Hendriks hem valse persoonsbewijzen zou leveren en daartoe op een bepaalden avond (6 October 1942) bij hem zou komen, waarop Hendriks op dien avond door in zijn, verdachte's woning geposteerde S.D.-beambten is gearresteerd;   

            e. tussen 19 Januari 1943 en medio Februari 1943, in verband met de door hem op de z.g. eerste Weinreblijst ontvangen gelden, aan den S.S. mededelingen heeft gedaan omtrent gelden en goederen (boeken, schilderijen en waardepapieren), welke door hem aan verschillende personen P. Sonjavsky, W. I van Zon, P. J. Eekhout en Mr. S. Roest Crollius in bewaring waren gegeven, tengevolge waarvan die personen resp. Op 21 Januari, 29 Januari, 3 Februari en in Februari door den S.D. zijn gearresteerd, voorts vóór en bij confrontatie met die personen, die aanvankelijk ontkenden Joods bezit onder zich te hebben, tegenover den S.D., bijzonderheden heeft opgegeven omtrent den aard, de wijze van verpakking en de plaats van verberging van bepaalde geldsbedragen en goederen en tenslotte nog gedetailleerde mededelingen heeft gedaan omtrent Jodenhulp van Sonjavsky,  

            door welke handelingen hij:   

            1. opzettelijk gedurende den tijd van voormelden oorlog den vijand hulp heeft verleend in diens streven om gelden van Joden en ander Joods bezit machtig te worden en Jodenbegunstiging tegen te gaan; 

            2. gedurende den tijd van voormelden oorlog opzettelijk Mej. Schokking, Hendriks, Sonjavsky, van Zon, Eekhout en Mr. S. Roest Crollius heeft blootgesteld aan opsporing, vervolging, vrijheidsberoving, enige straf of enigen maatregel door of vanwege den vijand, welke feiten de vrijheidsberoving van langer dan een maand van Mej. Schokking, Sonjavsky, van Zon, Eekhout en Mr. Roest Crollius tengevolge hebben gehad;  

            Gelet op 's Raads interlocutoir arrest van 19 April 1948, waarbij de stukken zijn gesteld in handen van den Raadsheer-Commissaris bij het Bijzondere Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde een nader onderzoek in te stellen naar de gevallen van celspionnage door gerequireerde-incidenteel requirant Weinreb nader te noemen requirant of requirant Weinreb, als bedoeld onder B b der telastelegging, in het bijzonder ten aanzien van de gevallen Kalker, Ritmeester en 'Joodse schoenmaker', en waarbij aan het Bijzondere Gerechtshof is verzocht om bij de mededeling van de resultaten van het nader onderzoek tevens aan den Raad te berichten, of ter zake van een aan requirant Weinreb toegeschreven geval van verraad van een groot aantal Joden in de Reinkenstraat te 's-Gravenhage door den Procureur-Fiscaal bij genoemd Hof een nadere vervolging is of zal worden ingesteld en in welk stadium die vervolging verkeert;  

            Mede gelet op de processen-verbaal van verhoor door den Raadsheer-Commissaris voornoemd en de verdere stukken van bedoeld nader onderzoek, alsmede op de brieven van de Procureur-Fiscaal bij genoemd Hof van 17 juli 1948, waarbij deze aanvankelijk heeft bericht van verdere vervolging ter zake van het geval Reinkenstraat af te zien, van 3 September 1948, waarbij mededeling wordt gedaan van nadere verhoren van getuigen, in het bijzonder den naar Nederland teruggebrachten Duitser Lemcke, op diezelfde zaak betrekking hebbend, en van 20 September 1948 waarin, naar aanleiding van die nadere verhoren, de beslissing omtrent verdere vervolging in zekere mate afhankelijk wordt gesteld van de door den Raad aan requirant op te leggen straf;

            O. dat voor zover de verdediging er over heeft geklaagd, dat in het nadere onderzoek nieuwe bezwarende aanwijzingen zijn betrokken omtrent feiten, verband houdende met de in algemenen zin bewezen verklaarde celspionage, de Raadsheer-Commissaris bij het Bijzondere Gerechtshof te 's Gravenhage en de Procureur-Fiscaal bij dat Hof terecht alsnog aan den Raad hebben doen toekomen alle desbetreffende gegevens, welke de Raad blijkens zijn tussenarrest behoefde voor het vormen van zijn eindoordeel over de, vooral in het licht van requirant's persoonlijkheid te bepalen, aan dezen op te leggen straf;   

            O. dat de Raad ten aanzien van het eerste middel van requirant Weinreb overneemt en verwijst naar de daaraan gewijde overwegingen uit zijn vorenaangehaald interlocutoir arrest, waarbij dat middel ongegrond is bevonden;  

            O. dat het den Raad wenselijk is voorgekomen alvorens het enige middel van den Procureur-Fiscaal bij het Bijzondere Gerechtshof en het tweede middel van requirant Weinreb te behandelen de feiten samen te vatten, die in deze ongemeen omvangrijke en ingewikkelde zaak als vaststaande kunnen worden beschouwd;  

            O. te dien aanzien:   

            dat requirant Weinreb sedert omstreeks April 1942 een groot aantal Nederlandse Joden heeft bewogen tot storting van geldsbedragen in handen van hem of zijn medewerkers door hun voor te spiegelen, dat zij en de hunnen daardoor zouden worden geplaatst op een lijst van Joden, de zogenaamde eerste Weinreblijst, die door toedoen van zekere Duitse relaties van requirant in de gelegenheid zouden worden gesteld te emigreren naar het toenmaals onbezette gedeelte van Frankrijk;   

            dat requirant aan dit verdichtsel een schijn van waarheid heeft gegeven door het tonen van valse Duitse papieren, o.a. een brief van General-Leutnant Herbert Joachim von Schumann - een verdichten persoon - wien hij een dienst zou hebben bewezen en voorts door verschillende mededelingen, vermeld in de bewezenverklaring onder A l; 

            dat door en namens requirant ter rechtvaardiging van deze handelwijze is aangevoerd dat zijn doel was de Duitse instanties, die met de uitvoering, van de deportatiemaatregelen tegen de Nederlandse Joden belast waren, om den tuin te leiden, waartoe hij aan degenen, die zogenaamd op zijn lijst waren ingeschreven, verklaringen had afgegeven, die den schijn konden wekken afkomstig te zijn van een Duitse instantie;  

            dat de Raad aanneemt, dat dit in den aanvang inderdaad het motief voor requirant's optreden is geweest;  

            dat echter requirant, na tot het begin van September 1942 een groot aantal Joden, zeker enige duizenden, zogenaamd op zijn lijst te hebben ingeschreven, de door en namens hen gestorte gelden, een aanzienlijk bedrag, ten dele heeft aangewend om andere Joden te steunen en voor het overige zelf heeft behouden;  

            dat requirant op 11 september 1942 voor de eerste maal door den S.D. is gearresteerd; 

            dat hij heeft opgegeven bij zijn verhoor den S.D. beambte Koch te hebben misleid, door voor te geven door tussenkomst van een zekeren 'Six', een Nederlander, in contact te staan met een zekeren 'von Rath', een Duitsen officier, en zich bereid te verklaren met Koch mede te werken, Opdat hij de hand zou kunnen leggen op deze gefingeerde personen; 

            dat requirant beweert als voorwaarde voor zijn medewerking van Koch te hebben gedaan gekregen, dat de ingeschrevenen op de Weinreb-lijst, die naar het kamp te Westerbork waren gebracht, daar 'gesperrt' d.w.z. gevrijwaard tegen deportatie zouden blijven; 

            dat deze voorstelling van zaken als juist dient te worden aanvaard;  

            dat requirant enkele dagen na zijn eerste arrestatie wederom op vrije voeten is gesteld en - kennelijk ten einde Koch vertrouwen in te boezemen - begin October 1942 den illegalen werker Hendriks na een bezoek aan zijn, Weinreb's woning in handen van S.D. beambten heeft gespeeld, gelijk het Hof onder B c te zijnen laste bewezen heeft verklaard;  

            dat Hendriks door deze arrestatie aan levensgevaar blootgesteld is geweest, dat zich niet heeft verwezenlijkt, doordat hij uit de gevangenschap heeft weten te ontkomen;  

            dat requirant hierna is voortgegaan met zijn lijstactie; 

            dat hij zelfs, ten einde Koch op sleeptouw te houden, in December 1942 met zekeren Kotte is overeengekomen, dat deze zich tegen een beloning van f 10.000 voor den gefingeerden persoon 'Six' zou uitgeven en na te zijn gearresteerd, zich zou bereid verklaren tot medewerking om den gefingeerden Duitsen officier 'von Rath' te helpen vangen;  

            dat Kotte zich inderdaad als 'Six' heeft doen arresteren, doch bij het verhoor door de S.D.-beambten door de mand is gevallen;  

            dat requirant daarop in Januari 1943 voor de tweede maal door den S.D. is gearresteerd en ingesloten in de Strafgevangenis te Scheveningen en zijn gezin kort daarop is overgebracht naar het kamp te Westerbork;  

            dat de 'Sperren' van de ingeschrevenen op de Weinreblijst, die zich in dat kamp bevonden, vervolgens ongeldig zijn verklaard, hetgeen de deportatie en den dood van een aantal hunner tengevolge heeft gehad;  

            dat de Raad met het Hof van oordeel is, dat sommige van deze slachtoffers door het vertrouwen, dat zij in de Weinreblijst stelden, andere veiligheidsmaatregelen achterwege hebben gelaten en daardoor een gemakkelijke prooi zijn geworden voor de Duitsers; 

            dat de Raad evenwel de overweging van het Hof, dat dat voor een belangrijk deel eigen schuld van de slachtoffers zou zijn, niet kan onderschrijven, omdat de geraffineerde opzet en uitvoering van requirant's actie menigeen vast vertrouwen moeten hebben ingeboezemd;  

            dat aan requirant kan worden toegegeven, dat anderen van het door hun plaatsing op de Weinreb-lijst verkregen uitstel van deportatie gebruik hebben gemaakt om zich op andere wijze veilig te stellen, doch naar 's Raads oordeel dit gedurende requirant's actie door een bepaalde groep verkregen voordeel niet opweegt tegen het aan de andere groep toegebrachte nadeel; dat requirant, tussen zijn tweede arrestatie op 19 januari 1943 en medio Februari 1943, door de S.D. beambten ter verantwoording geroepen over de door hem bij zijn lijstactie ontvangen gelden, een viertal personen, te weten Sonjavsky, van Zon, Eekhout en Roest Crollius, aan wie hij gelden, boeken, schilderijen en waardepapieren in bewaring had gegeven, heeft verraden, die dientengevolge allen zijn gearresteerd en gedurende meer dan een maand van hun vrijheid beroofd zijn geweest, gelijk het Hof onder B e ten laste van requirant bewezen heeft verklaard; dat requirant op 15 Mei 1943 als S(traf)-geval naar het kamp te Westerbork is gezonden, hetgeen in het normale verloop van zaken tot zijn spoedige deportatie zou hebben geleid; dat hij vervolgens opnieuw in contact is gekomen met de S.D. beambten Koch en Holman en zich tegenover hen beiden bereid heeft verklaard den S.D. behulpzaam te zijn bij het opsporen van ondergedoken Joden - welke bereidverklaring volgens requirant's voorstelling van zaken niet ernstig gemeend zou zijn - terwijl hij bovendien aan Holman heeft beloofd hem in de te verwachten baten te doen delen; dat requirant in juni 1943 van Westerbork is teruggestuurd naar de Strafgevangenis te Scheveningen; dat hij zich aldaar in den zomer van 1943 heeft schuldig gemaakt aan zogenaamde celspionnage, bestaande in het uithoren van den mede-gevangene D. Letter, die door den S.D. bij hem in de cel werd geplaatst, tengevolge waarvan Mej. Schokking, die met de familie Letter in relatie stond, op 8 September 1943 door of vanwege den S.D. is gearresteerd en tot 20 April 1944 gevangen is gehouden, gelijk het Hof onder B b ten laste van requirant bewezen heeft verklaard; dat de Raad, ten einde beter te kunnen oordelen over de vraag, of dit ernstige misdrijf op zich zelf heeft gestaan dan wel een uiting is geweest van een verraderlijke activiteit van ruimer strekking, bij interlocutoir arrest van 19 April 1948 een nader onderzoek heeft bevolen naar een drietal soortgelijke feiten; dat de verhoren, gehouden door den Raadsheer-Commissaris bij het Bijzondere Gerechtshof, den Raad niet hebben overtuigd, dat requirant zich in de gevallen Kalker en 'Joodse schoenmaker' aan celspionnage zou hebben schuldig gemaakt, zodat deze gevallen verder buiten beschouwing dienen te blijven; dat daarentegen uit het nadere onderzoek is gebleken, dat mededelingen door den getuige Ir. W. Ritmeester te Bilthoven in de cel aan requirant gedaan, door dezen zijn overgebriefd aan den S.D. en dat uitsluitend of mede ten gevolge van die mededelingen getuige Mr. J. W. Gerdes Oosterbeek te 's-Gravenhage, die met getuige Ritmeester in relatie stond, is gearresteerd, mishandeld en gedurende geruimen tijd van zijn vrijheid is beroofd; 

            dat immers Ir. W. Ritmeester ook bij zijn nadere verhoor door den Raadsheer-Commissaris op 26 Mei 1948 is gebleven bij de uitvoerige en in bijzonderheden tredende verklaringen, reeds in November 1945 door hem afgelegd, omtrent zijn samenzijn en ervaringen met requirant in een cel in de gevangenis te Scheveningen, waarheen hij was overgebracht na zijn arrestatie te 's-Gravenhage op 23 juli 1943, dat hij nl. enkele dagen na die arrestatie celgenoot van requirant is geworden; dat deze, naar uit allerlei bijzonderheden bleek, in een uitzonderingspositie verkeerde; dat requirant hem kort daarop, in verband met een verhoor als getuige, dat hij zeide te Delft te moeten ondergaan, heeft aangeboden, desgewenst voor hem een bericht over te brengen, indien hij, Ritmeester, iemand wilde waarschuwen; dat hij toen requirant in vertrouwen heeft genomen en hem heeft verzocht Mr. Gerdes Oosterbeek op te bellen; dat requirant eerst des nachts te twee uur in de cel is teruggekeerd en hem toen gezegd heeft, de waarschuwing niet te hebben kunnen overbrengen; dat hij, Ritmeester, den volgenden morgen, bij een bezoek aan den gevangenisdokter, door een hoofdverpleger duidelijk tegen requirant is gewaarschuwd en kort daarop in de gevangenis Mr. Gerdes Oosterbeek, zwaar mishandeld, met Holman heeft zien lopen; dat hij, Ritmeester, daarna uit een gesprek met Letter bij het luchten heeft vernomen, dat requirant ook tegenover dezen verraad had gepleegd; dat zowel een Duitse wachtmeester Heineke als een Hollandse wachtmeester Huisman hem later in de gevangenis hebben verteld, de eerste dat requirant een 'Spitzel' was en toen 'auf Dauertournee' in België was, de tweede, dat requirant een spion van den Sicherheitsdienst was en dat er, behalve hem, nog vier andere spionnen in de gevangenis dienst deden;  

            dat Mr. J. W. Gerdes Oosterbeek eveneens geheel is gebleven bij zijn in Januari 1946 afgelegde verklaring, dat hij einde Juli 1943 thuis des avonds laat is gearresteerd, bij zijn nadere verhoor door den Raadsheer-Commissaris alleen een vergissing in den datum (29 in plaats van 30 Juli) verbeterend, en dat niemand anders dan Ir. Ritmeester op de hoogte is geweest van zekere gegevens betreffende illegale activiteit, welke deze aan requirant had verstrekt en waarover de S.D.-ambtenaren reeds bij zijn, Gerdes Oosterbeek's, eerste verhoor bleken te beschikken;  

            dat wat door en namens requirant, op grond van beweerde onverenigbaarheid van data, tegen deze verklaringen is ingebracht, terzijde moet worden gesteld, omdat de gesprekken tussen requirant en Ir. Ritmeester, die bij de zaak generlei belang heeft, niet in verdenking staat de feiten te verdraaien en aan wiens verklaringen de Raad dan ook geloof hecht, in elk geval hebben plaats gehad op den dag, in den laten avond waarvan Mr. Gerdes Oosterbeek is gearresteerd;  

            dat deze celspionnage dus is komen vast te staan, zelfs afgezien van de getuigenissen in gelijken zin van Duitse of Duitsgezinde elementen omtrent requirant's activiteit in de gevangenis; dat requirant omstreeks denzelfden tijd, den zomer van 1943, met medewerking van de meergenoemde S.D.-beambten Koch en Holman, nieuwe valse brieven heeft doen vervaardigen, o.a. schijnbaar afkomstig van het Oberkommando der Wehrmacht en het Reichs Sicherheits Hauptamt, alsmede een vals ongunstig rapport van den beruchten Joden-vervolger Kriminalsekretär Fischer over hem, Weinreb, welk een en ander moest dienen om aan zijn actie met de zogenaamde tweede Weinreblijst geloofwaardigheid bij te zetten; dat als oorsprong van die lijst werd voorgewend een bij de Duitse autoriteiten bestaand plan tot uitwisseling van o.a. Nederlandse Joden met in Zuid-Amerika geïnterneerde Duitsers via Portugal; dat ook dit feit in de bestreden sententie onder A 2 is bewezen ver­klaard; 

            dat requirant op 30 September 1943 in vrijheid is gesteld en in de daarop volgende maanden onder de nog hier te lande aanwezige Joodse bevolking, zowel bij geïnterneerden in het kamp te Westerbork en gemengd gehuwden als bij ondergedokenen, propaganda heeft gemaakt voor zijn lijst - waaraan opnieuw een 'Sperre' was verbonden - en een aanzienlijk geldsbedrag bij de gegadigden heeft geïncasseerd, waarvan hij een belangrijk gedeelte aan S.D.- ambtenaren heeft afgedragen;  

            dat hij in denzelfden tijd een overeenkomstige actie onder de Belgische Joden heeft gevoerd, waarvoor hij verschillende malen naar België is gereisd in gezelschap van den beruchten Jodenvervolger Scheef; dat requirant ter rechtvaardiging van zijn bereidverklaring om aan dezen kennelijken zwendel mede te doen heeft aangevoerd, dat uitstel van deportatie voor de betrokkenen van zoveel betekenis was, dat ieder geldelijk offer daartegen opwoog;

            dat de Raad evenwel met het Hof van oordeel is, dat requirant in zijn benarde positie - waarin hij reeds tot verraad van celgenoten was afgedaald - in de eerste plaats zich zelf en zijn gezin heeft willen redden, zelfs door geloofsgenoten gelden af te troggelen ten behoeve van S.D. beambten, en dat de hulp aan die geloofsgenoten bij hem slechts op de tweede plaats kwam;

            dat het Hof niet bewezen heeft geacht, dat requirant bij zijn tweede lijst-actie ondergedoken Joden aan de Duitsers heeft verraden, blijkbaar op grond van requirant's, in de sententie opgenomen opgave, dat hij van onderduikers, die op de tweede Weinreblijst stonden, alleen het oude adres aan den S.D. heeft doorgegeven, welke feitelijke beslissing de Raad moet eerbiedigen;

            dat het gezin van requirant op 24 Nov. 1943 in vrijheid is gesteld;

            dat Radio-Oranje op 11 januari 1944 tegen requirant heeft gewaarschuwd, waarop de 'Sperren' van de ingeschrevenen op de tweede Weinreblijst, die zich in het kamp te Westerbork bevonden, ongeldig zijn verklaard, hetgeen de deportatie en den dood van een aantal hunner ten gevolge heeft gehad;   

            dat requirant met zijn gezin omstreeks begin Februari 1944 is ondergedoken tot na de bevrijding; 

            dat ten slotte nog van belang moet worden geacht, dat requirant op 8 Juli 1948 een schriftelijke verklaring heeft afgelegd van den volgenden inhoud: 

            'Gaarne wilde ik hiermede nu het onderzoek in mijn zaak is afgesloten, verschillende door mij of anderen in verband met mijn zaak gedane uitlatingen, recht zetten. 

            In de eerste plaats verklaar ik, dat het mij duidelijk is geworden, dat bij de vervolging van mijn zaak geen sprake is geweest van enig anti-semietisme. 

            In de tweede plaats wilde ik gaarne verschillende beschuldigingen omtrent onbehoorlijke behandeling van mijn zaak welke wel eens door mij in een - overigens begrijpelijke - geïrriteerde stemming zijn gedaan, hierbij herroepen en verklaren dat ik noch van de zijde van de rechercheurs van de P.R.A. Domburg en van Paassen, tijdens de mij afgenomen verhoren noch van de zijde van het Parket bij het verdere onderzoek, incorrect ben behandeld of een incorrecte behandeling heb geconstateerd.  

            w.g. F. Weinreb.'; 

            dat namens requirant tegen de bewezenverklaringen te zijnen laste, vervat in de bestreden sententie, geen cassatiemiddel is aangevoerd;   

            O, alsnu ten aanzien van het enige middel van den Procureur-Fiscaal bij het Bijzondere Gerechtshof te 's-Gravenhage en het tweede middel van requirant Weinreb, die zich beide richten tegen de opgelegde straf en derhalve tezamen kunnen worden behandeld;  

            dat bij de beoordeling van deze middelen de Raad geheel buiten beschouwing laat zowel het bovenvermelde, door den Procureur-Fiscaal bij het Hof aan requirant toegeschreven, verraad van een groot aantal joden in de Reinkenstraat in Maart 1943 als een door dien Procureur-Fiscaal aan den Raad ingezonden stel processen-verbaal betreffende een nieuwe ten laste van requirant gerezen verdenking van celspionnage ten nadele van wijlen Mr. H. Edersheim in juli 1943, ten aanzien waarvan de beslissing of deswege een verdere vervolging behoort te worden ingesteld, eveneens ligt in handen van de genoemden Procureur-Fiscaal;  

            dat de Raad zijn oordeel derhalve moet vormen uitsluitend op grond van hetgeen ten laste van requirant bij de bestreden sententie bewezen is verklaard, ten aanzien van punt B b der telastelegging ‑ het plegen van celspionnage - bevestigd door den uitslag van het op last van den Raad ingestelde nadere onderzoek, zoals hierboven vermeld, een en ander in het licht van wat de hierboven uitvoerig weergegeven reeks van gebeurtenissen als algemeen beeld te, zien geeft en van wat verder uit het ongewoon omvangrijke dossier valt af te leiden omtrent requirant's gecompliceerde persoonlijkheid;

            dat requirant tot zijn eigen nadeel liever vaststaande feiten is blijven ontkennen dan ter verontschuldiging van die feiten een, in zijn eigen ogen smadelijk, beroep te doen op de dwangposities, waarin hij door zijn eigen riskante en eigenmachtige werkzaamheid geleidelijk terecht is gekomen en die hem gebracht hebben tot verraad in verschillende vormen, ten einde daarmede door hem als hoger beschouwde belangen, zowel van zichzelf en zijn gezin als van zijn Joodse landgenoten, alsnog zoveel mogelijk te kunnen redden;  

            dat requirant ter terechtzitting van den Raad van 5 April 1948 niet verder is gekomen dan tot de aarzelende algemene erkenning, zwakke ogenblikken te hebben gehad, b.v. wel eens iemand te hebben genoemd, die later gearresteerd is; vaak ook te vlug te hebben gepraat; als wellicht te avontuurlijk van aanleg, vaak dingen te hebben aangepakt, zonder het verdere verloop te kunnen overzien; in het spel zelf voldoening te hebben gevonden, gezien de goede resultaten, die hij bereikte; tenslotte niet meer zo zeker van zich zelf te zijn geweest en in een soort paniekstemming te hebben geleefd, waarbij hij toegaf onder den druk van den S.D. wel eens te hebben gefaald en tevens als waar heeft erkend, dat Koch, na zijn bedrog tegenover dezen, tegenprestaties van hem heeft geëist;

            dat echter over het algemeen de houding van requirant ook ter terechtzitting van den Raad is gebleven de houding van een man, die de verschillende tegen hem ingebrachte concrete beschuldigingen met verontwaardiging afwijst, in de overtuiging of onder de zelfsuggestie, dat de punten, waarop hij zich ter dege bewust is te hebben gefaald, hoe ernstig ook, ten slotte in het niet zinken tegenover al het goede, dat hij door zijn vermetele spel ten bate van zijn geloofsgenoten ten dele hééft bereikt en ten dele alleen maar méént te hebben bereikt; 

            dat enerzijds requirant den Raad is afgeschilderd als 'door de Duitsers opgejaagd wild', maar anderzijds getracht is hem vrij te pleiten van schuld aan alle te zijnen laste bewezen verklaarde feiten en hem het aureool van een onbaatzuchtigen redder van geloofsgenoten te doen behouden; 

            dat, indien de Raad requirant zou willen beoordelen naar de door hemzelven aangenomen houding van overwinnaar in een groot spel met den Sicherheitsdienst door ook zijnerzijds als rechter geen rekening te houden met de dwangposities, waarin requirant, hoe vermetel ook, tegen over een dergelijken, machtigen, geslepen en gewetenlozen tegenspeler onvermijdelijk moest geraken en dan ook inderdaad is geraakt, de Raad requirant onrecht zou doen;

            dat de Raad daarom, tegen de strekking van requirant's eigen verweer in, te zijner verontschuldiging in aanmerking zal nemen, dat in het verloop van de uitvoering van zijn ook naar 's Raads oordeel met goede bedoelingen opgezette oorspronkelijke plan tot redding van zoveel mogelijk in het bijzonder ook onbemiddelde, Joden requirant tegenover den Duitsen Sicherheitsdienst meer dan eens in een positie moet zijn gekomen, waarin hij het besluit meende te mogen nemen om, zoals de bewezen verklaarde feiten in hun historische opeenvolging aantonen, offers aan den S.D. voor te werpen;   

            dat ook hierbij echter requirant's hoogmoedige vertrouwen in eigen intelligentie en zijn zelfgenoegzame zedelijke oordeel omtrent wat bij het voortzetten van zijn grote spel nog geoorloofd en niet meer geoorloofd was, hem hebben verblind en geleid tot het opofferen van individuele personen tot redding van zichzelf, zijn eigen gezin en een grotere groep, welker lot hij in handen genomen had en, niettegenstaande de, ook hem toen reeds lang duidelijk geworden, ontzaggelijke risico's, meende alsnog in handen te mogen nemen;  

            dat de rechtsorde niet gedoogt, dat enig mens, in vertrouwen op eigen kunnen en naar eigen morelen maatstaf, aldus beschikt over leven en lot van anderen;  

            dat ter bevrijding van requirant niet kan strekken de overweging, dat het door hem opgezette vernuftige plan hem ten slotte uit de hand gelopen is;  

            dat wie, zoals requirant zelf heeft toegegeven, een vermetel plan opzet, zonder het verdere verloop te kunnen overzien, in het bewustzijn van deszelfs risico's en zonder degenen, die hij bij de uitvoering daarvan betrekt, naar waarheid in te lichten, daarmede een zware persoonlijke verantwoordelijkheid op zich neemt voor de gevolgen, die eruit kunnen voortvloeien, en zich niet meer aan die verantwoordelijkheid kan onttrekken, wanneer hij dientengevolge in dwangpositie geraakt;   

            dat de Raad, alle omstandigheden in aanmerking genomen en rekening houdende met hetgeen requirant zelf ter terechzitting heeft erkend, zijn middel ongegrond en dat van den Procureur-Fiscaal gegrond acht en van oordeel is, dat de straf moet worden bepaald, gelijk hieronder zal worden vastgesteld;  

            Vernietigt de bestreden sententie, doch alleen voor zover de opgelegde hoofdstraf betreft;  

            Opnieuw rechtdoende krachtens art. 105 Wet R. O.:  

            Veroordeelt requirant Weinreb tot een gevangenisstraf voor den tijd van zes jaren, met dien verstande dat op den duur daarvan in mindering zal worden gebracht de gehele tijd, door hem in bewaring doorgebracht van 13 Juni 1945 tot den dag van de uitspraak van dit arrest;  

            Verwerpt het beroep van requirant Weinreb;  

            Wijst diens verzoek tot invrijheidstelling af.  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug naar de inhoudsopgave

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.