ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Notities van lezingen

 

98

geschiedenis * wetenschap * archeologie * filosofie * taal * kind-ouders * 2e wereld* 2e helft * mythologie * sprookjes

            Men heeft vaak de neiging om de ontwikkeling van de wereld zeer terecht te vergelijken met de individuele ontwikkeling van de mens. Dit beeld brengt de moderne wereld er toe er van uit te gaan dat het beginstadium van de mensheid er een geweest is van menselijke hulpeloosheid, afhankelijkheid, primitiviteit en naïveteit. Zoals het kind in zijn eerste stadia niet kan spreken, zo kon de mens niet spreken, had niet de beschikking over een taal doch kon slechts klanken uitstoten al naar hij behoefte had aan bepaalde dingen. Geleidelijk aan evolueerde zo de mensheid en kwam via soms wrede tijden van jeugd en kwajongensachtigheid tenslotte in het stadium terecht van wijsheid en inzicht, welke tijd dan vereenzelvigd wordt met de tijd waarin wij nu ongeveer leven.

            Dit beeld is zeer verleidelijk en vooral daarom omdat het eigenlijk juist is. Inderdaad zijn de verschillende verschijningsvormen identiek aan elkaar en slechts door de breking in verschillende facetten zien wij verschillende dingen, doch in feite zijn zij afkomstig uit hetzelfde wezen

            Dat de wereld deze vergelijking zo maakt en men eigenlijk tegen deze vergelijking in het openbaar zo weinig ingebracht ziet, vloeit voort uit de omstandigheid dat wij zelf niet goed weten wat de plaats en de proportie van de mens is.

            De grote fout in deze redenering is identiek aan de grote fout zoals deze wereld steeds weer de neiging heeft zichzelf te zien. Inderdaad, als men de wereld bij zichzelf laat beginnen, dan is het beeld dat men gebruikt en dat hierboven werd genoemd volkomen juist, doch zo min als de mens bij de verschijning als zuigeling het begin van alles is, zo min is ook de wereld op het moment dat zij voor ons zichtbaar werd het oerbegin. Een klein kind is inderdaad in zijn lichamelijke handelingen en ook in zijn lichamelijk denken uiterst primitief, doch het heeft in deze tijd juist als grote overheersende en overkoepelende macht zijn ouders. Deze denken en handelen dan voor hem, leiden hem op een wijze zoals hij later in zijn leven meestal zelf niet in staat is zijn eigen omstandigheden te bepalen. Als men dus uitgaat van het beginsel dat de wereld ouderloos en verlaten ontstond, dan is het verhaal van de primitieve knotsenzwaaiende oudheid inderdaad juist en iedereen die zich door dit verhaal laat verleiden gelooft in wezen niet aan de aanwezigheid van ouderliefde door God voor de wereld; hij gelooft in wezen niet dat God in deze wereld eveneens verschijnt, aanwezig is en alles tot in details leidt. Wij zien dan ook een ontwikkeling in de mensheid die parallel gaat4 aan de ontwikkeling van het kind, weg van de ouders. De mensheid was opvallend primitief in zeer bepaalde lichamelijk en denklichamelijke verhoudingen. Zo bleek de mens niet in staat goed uit zijn ogen te kunnen zien, had de meest vreemde verhalen over de hoedanigheid van zijn wezen, over de hoedanigheid van de hem omringende dingen. Hij was te onhandig om de dingen visueel fijn te bekijken, zijn denken was te rechtlijnig kinderlijk om machines te bedenken, alles wat hij deed had het karakter van dingen, die een kind doet. Aan de andere kant echter had hij zeer veel verhalen en mededelingen over de wereld die wij nu als kinderlijk afwijzen. 

            Als wij de vergelijking van kind en wereld doortrekken –en daartoe is men in ieder opzicht gerechtigd omdat tenslotte inderdaad die beide cycli overeenstemmen- dan weten wij dat de verhalen, die het kind krijgt, van zijn ouders stammen. Nu hebben menselijke ouders het alternatief hun kinderen waarheid of onwaarheid te vertellen. Tot nog niet zo lang geleden vertelden de ouders meestal aan hun kinderen de waarheid omdat zij deze zo ook van hun ouders hadden overgeleverd gekregen tot aan het allereerste begin toe. Het waren verhalen, die inderdaad alleen door ouders aan kinderen verteld kunnen worden omdat zij dingen bevatten, die het kind onmogelijk zelf kon begrijpen en construeren, doch zoals een kind met aandacht en liefde naar de verhalen van de ouders luistert en zich eigenlijk geborgen en gewarmd voelt als zulk een verhaal verteld wordt hetwelk nooit verveelt, in tegendeel, zij wekken een steeds intiemere sfeer op en zo ook vertelde men aan zijn kinderen het verhaal van het leven. De Griekse oudheid vertelde het op de wijze, die wij nu nog –zij het zeer gehavend- in de verhalen van de Griekse mythologie terugvinden; de Egyptische oudheid op de wijze die wij in de oude Egyptische mededelingen zien verschijnen, de Assyriërs, Indianen, etc. op hun wijze, doch al deze verhalen hadden het gemeenschappelijke, dat zij het lichaam waren, de omkleding van een zelfde kern, namelijk de zin van de wereld, van het waarom van deze wereld en het waartoe. Zo kreeg ook de mensheid in zijn kindstadium het verhaal verteld door zijn Schepper zoals in menselijke zin de ouders de scheppers zijn van het kind. Doch terwijl de ouders een betrekkelijk iets zijn, weer afhankelijk van andere ouders levend in deze gebroken wereld, deze wereld van tegenstellingen, van de tweeheid en daarom dus steeds ook een leugen kunnen vertellen naast een waarheid, was de Schepper van de wereld zelf eenheid en kon slechts de waarheid vertellen. De mededelingen, die de mensheid dus in haar primitieve tijd in haar kindsheid kreeg, waren de verhalen die ouders aan hun kinderen vertelden, ouders die verder kunnen kijken en meer kunnen overzien, die er vroeger waren voor het kind deze wereld betrad en die zelf weer mededelingen hadden van nog vroeger, die ook overzien konden wat voor het kind later goed of minder goed kon zijn; zo vertelde God aan de wereld ook het verhaal van de zin van het leven, hoe en waarom het zo gekomen was en dat het toch eigenlijk in ieder geval zo zeer goed was. Doch zoals het kind het stadium krijgt, dat het deze verhalen met een schouderophalen voorbij gaat, erover gaat glimlachen en later zegt: „Hoe kan ik mij toch eigenlijk zo hebben laten beetnemen," zo kreeg ook de wereld het stadium dat zij verhalen,, door God verteld, niet meer serieus wilde nemen omdat zij zichzelf tot god geproclameerd had. Het kind installeert zichzelf, ontvangt zijn ouders te gast, laat zich niet teveel vertellen door de ouders, wil zelfstandig zijn en al is de breuk uiterlijk niet aanwezig innerlijk bestaat hij. Ook dit is een verschijnsel van de moderne tijd. Steeds –natuurlijk noemt de Bijbel dat reeds- vertok het kind uit het ouderlijk huis zoals gezegd wordt “om met de vrouw tot één vlees te worden,” doch dit hield niet in, dat men de Vader vergat. Wij weten uit ervaring, dat tot voor enige honderden jaren nog altijd ouders –al hadden zij reeds enige generaties onder zich- als centrum van de familie werden beschouwd, als vraagbaak, als hulp in alle omstandigheden en dat het juist gepast was als een kind werkelijk juist tegenover die ouders zoals tegenover iedere oudere bescheiden bleef met het gevoel dat wat ouder is en van vroeger is, altijd meer waard is dan wat nieuw komt en minder van deze wereld gezien heeft. Deze houding is totaal veranderd: Hoe ouder een mens is, des te meer verliest hij zijn waardigheid, niet alleen de waardigheid in de ogen van de wereld, doch ook tegenover zichzelf. Hij gaat zich de mindere tegenover de jeugd voelen, die toch immers meer weet, beter uit de ogen kan kijken, nieuwe dingen gezien heeft. Deze mens, die als oude gaat vervallen, weet zelf ook niet meer van ouders af, weet niet dat hij steeds als mens een kind blijft dat door God mededelingen ontvangt voor zijn leven en over de wereld. Hij is zichzelf tot god gaan maken en merkt dat de heidense goden steeds jonge goden zijn, dat het heidendom slechts jeugd kent. Zoals verteld wordt dat aan het eind der dagen de jongeren tegen de ouden zullen opstaan, zo zien wij de ontwikkeling inderdaad deze richting uit gaan. Ouderen worden nog geduld uit piëteit omdat het zo hoort, uit een soort sleur, doch niet meer omdat men hen als centrum van de familie respecteert, en waardeert. Dit alles vloeit voort uit het diepingewortelde geloof en dat is het enige geloof omdat werkelijk geloof berust op overtuiging, op weten dat de wereld in haar begin kwam als hulpeloos kind zonder vader en opgroeien moest door zichzelf te vormen zoals wij vaak bij dieren zien hoe zij onmiddellijk na de geboorte zichzelf in stand moeten houden. Doch zelfs bij dieren is er nog een voorheen, een schepper in het dierenlevengezin die toch een ander iets had meegemaakt en in ieder geval iets zou kunnen vertellen. Onze wetenschap heeft ons zelfingenomen gemaakt en heeft ons de overtuiging gegeven dat slechts wij de god in deze wereld zijn en al het andere niets anders is dan storend toeval, dan een factor die wij nog niet beheersen maar die wij toch in de loop van de tijd hopen te beheersen. Zoals de slang in het paradijs de mens zei: “Je kunt als God worden, gelijk aan God,” zo fluistert ons de wetenschap al in dat wij kunnen worden als God. Zo ontworstelde de mensheid zich aan God aan de hand van deze cultuur, emancipeerde zich van God en duldde niet dat er iets anders was dat “verhaaltjes” kon vertellen. Daarom worden leugens identiek gesteld met sprookjes en wordt de Bijbel slechts in zoverre aanvaard waar zij strookt met ons inzicht en eenvoudig genegeerd of bekritiseerd als zij dingen mededeelt, die wij met onze maatstaven niet kunnen vatten en die wij nooit kunnen begrijpen als wij niet onze maatstaven afleggen en de maatstaven, ons door God gegeven, ter hand nemen. De gelijkenis van het kind dat in deze wereld opgroeit en de wereld, die opgroeit, is dus juist. Doch het gaat er om tot hoever men ziet; ziet men voorbij de geboorte van het kind naar het verleden, ziet men de ouders hoe zij het kind eigenlijk uit liefde hebben laten geboren worden, beseft men van het lijden van de moeder waardoor het kind het leven kreeg en vergeet men niet de zorgen en de liefde bij het opgroeien van het kind, de wil om het kind het ware te vertellen, de juiste weg te laten zien, met wijsheid te leiden, dan zal ook de vergelijking met deze wereld een geheel andere zijn. Waar het kind echter de ouders verloochent, niet wil weten van hun liefde en warmte, zich eigenlijk er voor schaamt zich eens te hebben laten koesteren, dan is de wereld een geheel andere, inderdaad een koude wereld en zal meedogenloos al het oudere beschaamd worden en verstoten; wat men zelf als ouder tegenover God doet, ervaart men aan zijn kinderen.

            Zodra dus de wereld ook via de kerk verhalen over de primitieve historische tijden aanvaarden gaat, over de groei van de taal, over primitieve zeden in het Bijbelverhaal waarover wij reeds heen zijn zoals wij bij voorbeeld zeggen, dat wij de vrouw niet meer onderdrukken, geen slaven meer houden, geen offers meer brengen daarmede blijk gevend dat wij het beter weten dan het verhaal dat God ons vertelt, als wij trachten te rijmen de miljoenen jaren uit de tijd (wetenschappelijk gezien) met de nog geen 6000 jaar oude schepping, als wij de Bijbel wat wij noemen willen ontmythologiseren en historisch willen plaatsen, dan doen wij niets anders dan het verhaal dat ons in liefde verteld wordt van de hand wijzen en ons eigen verhaal maken, het verhaal ontstaan door onze ogen en onze zintuigen. Als wij het Bijbelverhaal slechts gaan zien als mededeling voor de uiterlijke vorm en niets anders, als wij bij voorbeeld de offers slechts zien als het doorsnijden van de hals van een dier om een bepaalde reden, alsof God daar werkelijk wat aan had en niet beseffen dat het hele leven van de mens in navolging van God juist een offer is, juist op de wijze als God van de offers in de Bijbel vertelt. Als wij de slavernij slechts als een sociaal verschijnsel zien, uiterlijk en daarbij vergeten, of liever gezegd niet willen weten dat onze slaaf is in ons lichaam en op een zeer bepaalde wijze behandeld moet worden; als wij de wetten tegenover de vrouw slechts zien als sociale wetten en niet beseffen, dat zij mede inhouden onze verhouding tot ons lichaam, hoe wij dit rein en waardig moeten houden, dan is het Bijbelverhaal inderdaad ook niets anders dan een nutteloos sprookje met een heleboel franje, die er gerust afgehaald kan worden totdat er enige zinnen overblijven, die men graag citeert omdat zij wel te pas komen in het leven van de brave burger. Omdat men de Bijbel zo is gaan bekijken heeft men inderdaad de ouders verstoten, is men alleen gebleven, weet ook niet meer van invloed van ouders af en acht zich overgeleverd aan blinde natuurkrachten, die wij “toeval" en “pech” noemen, rust- en ordeverstoring door wilde volkeren omdat wij helemaal niet meer beseffen op welke wijze de gang van de wereld reeds in beginsel is vastgelegd en hoe dit wereldverhaal een mededeling is juist uit liefde aan ons gedaan zoals ieder mens ook in navolging hiervan juist uit liefde dingen mededeelt, die hijzelf mooi en centraal vindt.

 

 

 

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.