ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Notities van lezingen

82

tijdrekening

            Het is opvallend dat de Bijbel niet rekent met het aantal jaren sedert de schepping, maar steeds met het aantal jaren sedert een bepaalde gebeurtenis. Bij voorbeeld wordt er ook gezegd: het was in het zoveelste jaar van de regering van die en die koning. Wanneer die regering in het geheel van de tijd viel, wordt volkomen in het midden gelaten, zelfs zodanig dat het heel wat moeite en aandacht vereist om er een passend geheel voor zichzelf van te krijgen. Men kan zich daarom terecht afvragen waarom de Bijbel dan niet eenvoudig rekent met zoveel jaren sedert de schepping en alle gebeurtenissen op dit gemeenschappelijke uitgangspunt terugbrengt.

            Hij, die zo vraagt, laat echter zien dat hij al enigszins geïnfecteerd is met de zogenaamde puur historische kijk op de Bijbel, want inderdaad zou het zeer eenvoudig geweest zijn (de Bijbel doet toch juist haar best om eenvoudig te zijn) een jaartallensysteem te hebben waardoor men gemakkelijk de dingen ook in een tijdsvolgorde zou kunnen bezien. Dat dit niet zo gedaan wordt heeft derhalve natuurlijk een zin. Immers het laat zien, dat de verschillende tijdperken niet zo maar met elkaar kunnen worden verbonden, dat dit althans indien het zonder meer geschiedt, onwezenlijk zou zijn. Men zou kunnen zeggen, in deze trant doorredenerend, dat dus bij voorbeeld 10 jaren uit de tijd van Hiskia niet zo maar te vergelijken zijn met 10 jaren uit de tijd van Abraham, want anders zou men toch eenvoudig hebben kunnen zeggen: Abraham werd geboren in 1948 na de schepping en leefde tot 2123 en Hiskia was omstreeks 3200 na de schepping. En toch wordt dit alles niet zo gezegd. Dit is omdat de Bijbel heel duidelijk wil laten zien dat de verschillende tijdperken zoals de Bijbel deze vertelt, eigenlijk -geprojecteerd in deze wereld- werelden op zichzelf zijn en dat het dus in zekere zin even onmogelijk is die jaren bij elkaar te tellen als men, indien men de inhoud van een kamer wil gaan uitbeelden zegt: ik tel op: 4 stoelen + 2 tafels + 3 kasten is tezamen 9. Men kan wel stoelen onderling, de tafels samen en de kasten bij elkaar tellen. Dit optellen tot 9 heeft wel enige zin, maar is allesbehalve een afdoend geheel. Wij, die steeds meer historisch redeneren, hebben de neiging altijd maar weer te gaan optellen omdat voor ons die jaren en tijden niet anders kunnen zijn dan zo als wij ze nu kennen en nu tellen.

            Eerst omstreeks de Romeinse ballingschap wordt geteld in jaren sedert de schepping. Dit komt omdat wij inderdaad nu vanuit onze schil tellen (als wij de tijd als steeds gelijkblijvend aannemen en dat doen wij juist in deze onze nieuwe schil, die uitgaat van de eigen maatstaven, van de eigen waarneming) en dan is inderdaad deze telling, die dus nu op 5712 uitkomt wel juist. Dat men echter jaren niet zo maar bij elkaar mag optellen, zelfs al duren zij astronomisch even lang, leert ons de telling in de Bijbel, die duidelijk de verschillende perioden van elkaar afsluit. Ten hoogste wordt eens gerekend met zo en zoveel jaren sedert de uittocht uit Egypte, maar dan gaat de periode ook beslist niet verder. Trouwens, in de verschillende verklaringen wordt herhaaldelijk de periode van 500 jaar als het maximum genoemd, als de periode die hemel en aarde met elkaar verbindt. Zo naïef was men toen ook niet dat men niet wist, dat deze 7 x 70 jaren plus een begin van de 8ste dag niet al enige malen vervuld waren. Dit alles laat juist zien, dat de waardering van de jaren anders moet geschieden dan wij doen en dat zelfs (en dit is voor een modern mens juist het moeilijke) indien de jaren astronomisch volkomen aan elkaar gelijk zijn sedert de schepping, men toch niet een jaar uit de tijd van Noach vergelijken kan met een jaar uit de tijd van David en ook niet met een jaar uit onze tijd. Dat men voor een bepaalde ballingschap een bepaald aantal jaren met elkaar vergelijkt is natuurlijk wel mogelijk omdat hier natuurlijk een wereld zichzelf blijft. Maar zodra bij voorbeeld deze wereld tot een uiteindelijke verlossing zou komen en al zouden dan de jaren astronomisch gelijk blijven aan de jaren van nu, dan nog zou men niet een jaar uit de nieuwe wereld kunnen optellen bij een jaar uit deze nu bestaande.

            Men zou dan natuurlijk ook kunnen teruggaan naar de schepping, maar dan zou men wel degelijk voelen hoe waardeloos dit optellen eigenlijk is en dat dit optellen slechts zin had juist in die laatste ballingschap, waarin de mens inderdaad haast niet anders kan doen dan vanuit zijn eigen zintuigen, zijn waarnemingen tellen en rekenen

            Als dus gesproken wordt van zo en zoveel jaar sedert de regering van een bepaalde koning, dan wil dit zeggen dat deze regering van die koning eigenlijk een wereld op zichzelf is, die met haar begin en haar einde zichzelf afsluit en dat de regering van de volgende koning zoals de Bijbel die vertelt, de projectie weer van een andere wereld op deze voor ons zichtbare is, een andere wereld, die moeilijk in jarenwaardering en vulling van de jaren vergelijkbaar is met deze.

 

 

 

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.