ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Notities van lezingen

73

Psalm. 126 * zaad * dood * begraven * crematie * opstanding

            Daar, waar men in Psalm 126 spreekt van "die in tranen zaaien zullen met vreugde oogsten" wordt natuurlijk ook de geboortegeschiedenis gezien, welke na het leven van die wereld komt. Want aan het einde van het leven, zoals men dit hier kende, werd het lichaam in de aarde gelegd, zoals men zaad legt en dit gebeurde met tranen. Zo zou ook een kind zonder verstand en ervaringhuilen als het zag hoe zijn vader het zaad waar het mee gespeeld had en dat het aardig vond, in de aarde weggooit enhet kind zal nooit willen geloven dat daaruit een veelvoud van dit zaad, ook in kracht, zal opschieten. Als hij ditlater zal zien, zal hij juichen en het als een wonder beschouwen. En zo is, overgebracht naar de mens, dit ook met het wegleggen van datgene dat voor dit leven een bijzondere kostbaarheid voorstelde in de aarde. Daarom ook is er aan dit begraven van het lichaam zoveel gelegen en wordt het als een van de grote weldaden, aan de mens bewezen, gezien indien men een lichaam begraaft, of helpt begraven. Het is zoals het zaaien ook een wegbrengen in een duisternis, in een onzichtbaarheid, waar logisch beredeneerbaar nooit die volle schoonheid uit zou kunnen opschieten en waarvan men toch weet dat dit gebeuren zal. Daarom kende het heidendom het verbranden van het lichaam omdat voor het heidendom deze wereld al de werkelijke totaal verloste was, waar niets meer aan behoefde te gebeuren. Wat hier vandaan ging, werd zodoende de mogelijkheid van het blijven in principe ontnomen zodat het alleen in een andere wereld zou kunnen voortbestaan, maar niet meer wortel zou kunnen schieten op deze, zoals het zaad, dat in de grond gelegd wordt, wortel schiet op deze aarde en juist met dit wortel schieten zowel voor zichzelf een wederopstanding meemaakt als ook aan de aarde krachten onttrekt om ze in de groei naar boven mee te nemen. Inderdaad is daarom zoiets als lijkverbranding, als men de maatstaven van deze wereld kent, logisch gerechtvaardigd, omdat het onlogisch zou zijn indien men zou zeggen: "Door dit begraven staat de mens weer op" even onlogisch zou het zijn een kind te willen doen geloven dat het zaad, dat men in de grond legt, zal groeien tot die wonderlijke plant. Het kind weet slechts dat iets dat in de grond gelegd wordt, daarin verrot, vergaat, verloren in voor altijd en het zal dat arme zaadje bewenen en erover treuren. Inderdaad houdt dit zaadje zoals het was op te bestaan. Het gaat open, er gebeurt iets mee, maar dit alles gebeurt onzichtbaar voor ons totdat wij opeens voor onze ogen dit wonder zien gebeuren. Daarom houdt het begraven ook geloven in, een weten van de wederopstanding en iedereen, die dit vies vindt of onterend, geeft blijk eigenlijk niet aan de wederopstanding te geloven; hoogstens in een soort Nirwana, een heidens soort hemel, waar men volkomen los van deze aarde eventueel -en dat blijft voor de heiden een gok- zou kunnen blijven leven.

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.