ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Artikelen in de pers

 

            OPMERKINGEN over REQUISITOIR DE GRUYTER  

 

          Ik volg zoveel mogelijk de tekst van Uw uittreksel.  

            “Bedrieglijk karakter der lijsten. Meest fantastische zwendel ooit in Nederland uitgevoerd”.  

            Inderdaad. Doch het was geen zwendel ten eigen bate, doch alleen een zwendel waarmee de S.D. bedrogen werd. Het bedrag van f. 100.-, dat verreweg de meeste der ingeschrevenen hebben betaald, betekende in die jaren vrijwel niets en kan door die mensen nooit als zware oplichting worden gevoeld. Zij kregen er toen een verzekering voor een Sperre mee, en dat was dat bedrag ruimschoots waard. Zelfs de enkelen, die grotere bedragen betaalden, deden dit voor een hele groep, zodat per hoofd het bedrag, nooit zo groot was. Bij voorbeeld Mogendorff schreef 13 personen in voor f. 7.500.-. Dit is nog geen f. 600.- per persoon.

            Degeen die het meest door die zwendel in de wielen werd gereden was de S.D., die heilig in die lijst geloofde en waarvoor het hele net van leugens was bedoeld. Want één ding vergeet De Gruyter steeds, en dat is: dat ik, hoe de oorlog ook zou eindigen, toch éénmaal met de waarheid voor de dag zou moeten komen. Zou het te lang duren, den zou de S.D. het door krijgen. Hetgeen meteen ook geschiedde. Zou de invasie komen tijdens de lijst-actie, dan zou ik toch ook hebben moeten verklaren, hoe die lijst tot stand was gekomen en wie Schumann was etc., etc. Want men zou mij weliswaar enthousiast gevierd hebben, doch evengoed zou ik dan met de verklaring voor de dag moeten zijn gekomen. Na de invasie zou ik geen motief meer hebben om de ware achtergrond te verzwijgen, zoals ik vòòrdien deed met beroep op het gevaar van ruchtbaarheid. Dan zou dus onherroepelijk zijn gebleken dat Herbert Joachim von Schumann nergens bestond, zeker niet bekend was op het adres Bezuidenhoutscheweg 50, zoals mijn briefhoofd vermeldde, dan zou gebleken zijn dat geen enkele Duitse instantie van die uitwisseling afwist, dat geen enkele Duitse instantie mij kende, mij zelfs ooit gezien had, dan zou men mij ook gevraagd hebben, waar het geld dan wel gebleven was en waarom ik dan wel die actie had gevoerd. Dat punt vergeet de procureur fiscaal en vergeten verschillende aanvallers. Ik geld als man met vooruitziende blik en helder verstand (zie de diverse processen verbaal in mijn dossier.) Zou ik dan niet voorzien hebben, dat ik, zelfs na een volledig succes doordat de invasie tijdig had plaats gevonden, toch uitleg zou moeten geven over Schumann, lijstgelden, verraden economische plannen, etc. Dan zou toch evenzeer als nu zonneklaar zijn gebleken, dat het  . . . . de ‘meest fantastische zwendel ooit in Nederland uitgevoerd’ was geweest. Daar zou ik nooit onderuit zijn gekomen. En wat zou er dan van het waas van de ‘heilige’, dat velen mij wilden aanmeten, omdat hun heilig rustig bestaan daar een rol bij speelde, zijn overgebleven? Ik zou, waar ik mij ook zou hebben bevonden, tekst en uitleg hebben moeten geven. Even goed als ik daartoe naar Den Haag trok in Juni 1945. Een ‘gevierd’ man zou ik wellicht zijn geweest bij degenen die door die actie waren behouden (zoals nu nog velen van deze personen sympathiek tegenover mij staan), maar groot gelach en gehoon zou van alle afgewezenen, neutralen, sceptici, en dergelijke zijn gekomen. En zeer zeker ook van de Mogendorff’s, Kanner’s, De Lange’s. 

            Men had gedacht, dat ik Duitse relaties bezat (misschien zelfs al met het genoegen in voorbaat om na de oorlog mij eens te laten spartelen in mijn verdediging van de collaboratie, waarvan iedereen overtuigd was) en daarom steunde men met al zijn gewicht op mij. Na de invasie zou zijn gebleken, dat men gesteund had op een suggestieve muur, een muur bestaande uit . . . . bluf. De anti-climax zou minstens oven heftig zijn geweest als nu.  

            Ik had kunnen wijzen op enige honderden behoudenen (dat doe ik nu ook). Maar velen, die mij niet meer nodig zouden hebben en die gedacht hadden in mij ‘de meest vaste burcht’ te hebben bezeten zouden van de kater zó boos zijn geworden, velen die door          mij afgewezen waren (en dat waren er duizenden) zouden zich heerlijk hebben kunnen wreken over de angstige teleurstelling na mijn afwijzing, dat ik wel wist, dat dan een heksenketel zou losbreken.  

            Dat vergeten, bewust of onbewust, de procureur fiscaal en zijn aanhang: Wellicht omdat zij zich niet hebben ingeleefd in de situatie waarin ik toen verkeerde. Maar iedereen die dat doet moet toch tot dezelfde conclusie komen.  

            Ik heb zeer zeker deze consequenties voorzien. Reeds tijdens, de le lijst werd ik door den Heer Ed. v. Cleef, (Stevinstraat, Scheveningen), bekend econoom-socioloog, geheel.vriendschappelijk ter verantwoording geroepen over mijn collaboratie met den vijand. Bij dat onderhoud was de eveneens angstige Drs. B. Koekoek tegenwoordig. Ik verschoof het accent van de collaboratie, doch ontkende dit geenszins. Ik wist dus, wat mij te wachten stond. Iedereen letterlijk wist dat ik zwaar loyaal-Duitsgezind weg. Het moest zo, dat waas had ik nodig. En ik wist, dat ik prompt zou kunnen aantonen, dat de Schumann-brief gedrukt was bij D. Wolff, dat Schumann niet bestond, dat de Wehrmacht mij niet kenden, dat niet één Duitse instantie mij ooit had ontmoet en dat dus alles ...  ‘de meest fantastische zwendel etc.’ was. Ik wist dat ik dat kon en dat ik dat zou moeten aantonen. Al was het alleen al maar voor mijn verweer.  

            Ik zou dan blij mogen zijn met een Homerisch gelach der tegenpartij. Ik nam aan, dat men van overheidszijde mijn activiteit zeer zou waarderen, omdat ik hiermee honderden mensenlevens zou hebben behouden. De Duitsers zou hebben bedrogen, onderduikers zou hebben gesteund, ik verwachtte een pluim doch die verwachtte ik in Me.i 1945 ook. Anders zou ik wel niet, ondanks dringend afraden, naar het chaotische M.G.-Den Haag zijn gegaan. Ik vertrouwde op het bezonken oordeel van de overheid, die de zaak zou begrijpen en waarderen, ik verwachtte inderdaad een openlijke pluim voor mijn werk, doch wist tevens zeer goed, dat vele burgers boos zouden zijn, ten dele om het feit, dat zij voor de gek waren gehouden wat betreft de ware bedoeling, te weten de Sperre, en omdat zij mij niet meer nodig hadden, dus hun gezicht niet meer in een onderdanige autoriteiten-vleiende plooi hoefden te wringen, ten dele omdat zij meer hadden betaald dan anderen, ten dele omdat zij voor mij gesidderd hadden wegens mijn vermeende Duitse relaties (bij voorbeeld Hijmans, Kanner, Lange) die achteraf 'nep' bleken te zijn, ten dele omdat zij afgewezen waren, soms zelfs door mijn personeel op vrij resolute wijze. Reeds in 1942 besefte ik met die lijst-affaire honderden vijanden te hebben gekregen. 'Wie aan de weg timmert' ging bij mij zeer radicaal op. Hetzelfde geldt voor de bewering van de procureur fiscaal, dat ik in 1945 niet had willen vertellen hoe de vork in de steel zat. Ik moet toch beseft hebben, dat uitgezocht kon worden, dat Schumann verzinsel van mij was. Ik wist toch dat Koch en Krom gevangen zaten en dat de eerste mijn 1e lijst kende en de tweede de 2e. Dat zij dus precies konden opgeven wat er aan de hand was met die lijsten. Dat Krom de drukker van de papieren van de 2e lijst Frentrop, kende. Dat alle Duitse instanties, die ik bij de 2e lijst als briefhoofd liet fungeren, niets, maar dan ook niets zouden kunnen weten van de affaire. Dat het Internationale Rode Kruis, dat ik zelf in 1943 als mede-weter van de 2e lijst had opgegeven, en dat al destijds zowel naar Nederland als naar België bericht had gezonden dat zij onbekend waren met die lijst, nu toch zeker zou verklaren dat alles zwendel was. Ik had ten hoogste enige weken de comedie kunnen voortzetten, doch zou naderhand des te erger in de put zitten met mijn valse verklaringen. Onmiddellijk zou nu toch kunnen worden gecontroleerd, hier en in Duitsland, dat niemand de lijst als serieus instrument kende, behalve dan Koch en Krom en Bolland, en die wisten wat Kotte-Six, Von Kleist, Oberkommando Wehrmacht, etc. betekenden.  

            Ik bracht toch zelf de valse papieren naar Den Haag mee. De marechaussee nam die op mij in beslag en zij liggen in het dossier. Hoe had ik aan de hand van die zichtbaar valse papieren (Hijmans zegt dat hij in één oogopslag zag dat zij vals waren en vele anderen zagen dat ook ineens) blijven volhouden, dat het 'echt' was. De namen en adressen op die papieren waren prompt te controleren, voor het geval Krom inlichtingen zou weigeren. De Heer Stroes, uit Renkum-Oosterbeek, weet, dat ik bij hem had aangedrongen, direct na de bevrijding, om mij een pasje voor Oosterbeek te geven, omdat ik deze papieren had begraven, welke ik onmiddellijk naar Den Haag moest brengen. Ik kreeg daarom het pasje van de B.S., (binnenlandse strijdkrachten) groef met een boer uit Wekerom in de tuin van het huis in Oosterbeek de bus met papieren op en vroeg prompt daarop aan den heer Van der Bent te Ede (mijn gemeente) een bewijs over de Grebbe-linie naar Den Haag, alweer met de mededeling, dat ik dringend inlichtingen had te verstrekken in Den Haag. Dus met die valse papieren trok ik naar Den Haag. Wat kon er dan anders bij mij hebben voorgezeten dan alles te vertellen? 

            Als Van Heukelom anders verklaart, dan komt dat, omdat hij in die dagen helemaal niets over die lijst wilde weten en alleen belangstelling had voor België en vrouwen en omdat hij mij sloeg en liet slaan. Mijn zaalgenoten van het Lyceumplein hebben de papieren gezien en mijn wanhoop dat Van Heukelom mij niet wilde horen over die lijst. 

            Als ik dus met die valse papieren naar Den Haag ga, met de wetenschap dat Koch en Krom, waarvan ik weten kon dat zij mij tot het uiterste haatten, daar ook zijn, als ik daar zelf contact zoek met het M.G., (militair gezag) dan is toch wel zonneklaar, dat ik vertellen wilde, wat ik in October 1945 prompt deed, toen het B.N.V. (Bureau Nationale Veiligheid) mij daartoe gelegenheid gaf. Reeds in Augustus 1945 nam de heer Beks, van de fouillering van de strafgevangenis, mij een stapel papieren af met het verhaal over de lijst, plus diverse namen der daarbij betrokken personen, welke papieren hij eind October 1945 in mijn bijzijn aan den Heer Van Rees overhandigde, die ze voegde bij mijn toen voor het B.N.V. geschreven verslag. Deze, in Augustus 1945 reeds voltooide papieren, bevatten hetzelfde verhaal -zij het in telegramstijl- als het latere voor het B.N.V. en het daaropvolgend voor U. De papieren moeten bij het verslag van het B.N.V. zijn. De heren Beks en Van Rees kunnen getuigen dat ik de waarheid spreek. Domburg had het begin van mijn B.N.V.-verslag. Het deel dus, dat over de le lijst gaat. Dit had hij al lang vòòrdat ik mijn verslag voor U schreef. Nu, Domburg weet dat daar al hetzelfde over de le lijst en de gelden instond als in het verslag voor U. Hij moet het nog hebben. 

            Ik meen dus te mogen besluiten, dat de situatie voor mij dezelfde was gebleven, of ik nu in 1942 of 1943 dan wel in 1945 mijn verhaal zou hebben gedaan. In beide gevallen zou een vasthouden aan de fictie van een echte lijst en echte generaals alleen catastrofaal voor mij zijn geweest. Mijn leugen zou binnen enige weken door de feiten zijn achtergehaald en dan zou ik een onherroepelijk verloren figuur zijn geweest. Rek-tactiek zoals in de bezettingstijd zou nu geen zin hebben gehad, omdat nu niet op een verlossende invasie kon worden gerekend. Rekken zou alleen mijn positie met de dag verergeren.

            Een gevierde 'messias' (van het materiele geld-Joden-soort dan) zou ik alleen zijn geweest, als ik inderdaad de duizend Joden per trein naar Portugal zou hebben gebracht. En ik zelf wist het best, dat dat niet gebeuren zou. Tenzij dan de echte messias kwam. Ik wist alleen heel zeker, dat ik, met of zonder invasie, als ik het mocht overleven (hetgeen voor mij toen zeer twijfelachtig was met dien immateriële Schumann) in ieder geval eens zou moeten vertellen, dat Schumann niet bestond, dat ik de Sperre op eigen gezag en brutaliteit had bezet, dat ik de betaalde gelden zo en zo had besteed en dat de mensen zouden zeggen: 'O, dus ook Weinreb kon niets bij die Duitsers bereiken. Hij heeft ze alleen maar bedonderd en deed alsof hij de hele Generale-staf in zijn zak had. En wij hebben in dat gedoe nog geloofd'. De gesperden zouden gezegd hebben: 'Wij danken U, dat U dat voor ons gedaan hebt. Mede door Uw toedoen zijn wij en vele anderen behouden gebleven'! (Dat doen zij nu ook, zoals diverse brieven getuigen). Zij die geen gebruik van de Sperre hadden behoeven te maken, die dus verzekerd waren zonder dat er brand bij hen was uitgebroken, zouden, voorzover zij behoorlijke mensen waren geweest, gezegd hebben: 'Weinreb heeft alles te goeder trouw gedaan en velen zijn door zijn toedoen gesperd geweest. (Dat doen zij ook nu. Bij voorbeeld Simons, Vleeschhouwer, Van Creveld. Wijler, etc.) De roddelaars en kwaadaardigen zouden hebben gezegd: 'Zie je wel! Dat geld, waar is dat gebleven. Toch is er ook nadeel geweest. Want wie weet, A. zou zijn ondergedoken anders, en nu heeft hij het niet gedaan en B. dook onder en kwam toch op de lijst. Hoe zit dat alles. Hij heeft dus al die tijd gelogen. Alles gelogen. Goedewaagen gelogen, Schumann gelogen, de hele emigratie gelogen. En ik was zo gek daarin te geloven. Zo'n aartsoplichter, zo'n schurk. Hij had gehoopt als groot man gevierd te worden. (Ik heb al aangetoond hoe gegrond die hoop was geweest bij enig nadenken) maar nu heeft hij lekker pech gehad'. En nu zeggen zij: 'De Duitsers kwamen eerder bij hem thuisdan de Engelsen en alle zwendel is nu uitgekomen. Stel, dat die invasie in 1942 was gekomen, dan zou hij echt de messias zijn geweest. Maar gelukkig is hij het niet en nu ontmaskerd'. (Zo redeneren nu Lange, Mogendorff, e.d. en zo zouden zij ook in 1942 of 1943 hebben geredeneerd bij een destijds ingetreden bevrijding.) Dus ik zie niet waar de gevierde Weinreb in 1942 zou zijn gebleven, als gebleken zou zijn, dat die trein toch nooit zou zijn vertrokken.  

            De zaak is juist andersom, Juist omdat ik gevierd was, omdat ik een prima-naam haden in de Joodse wereld vrij grote bekendheid, kon ik zoiets op mijn schouders nemen. Ik wist, dat iedereen letterlijk, en daardoor ook de Duitsers, meteen de serieuziteit van de zaak zouden veronderstellen, als zij maar even een informatie zouden inwinnen. Ondanks de nu kwaadaardige uitval van een Cohn (zo een vind je altijd) waren destijds alle informaties over mij gunstig, zelfs zeer gunstig. Iedereen in de orthodoxe Joodse wereld kende mij, door mijn artikelen in de pers, door mijn referaten, door mijn bestuurs-functies. Want reken maar, dat men eerst degelijk informeerde, voordat men met een dergelijke zaak in zee stak. En ik weet, dat alles toen in het algemeen met gunstige uitslag voor mij plaats vond. Vele honderden kenden mij al uit de praktijk van voor de oorlog, en ook en vooral bij deze had mijn naam een prima klank. Alleen daarom kreeg ik zulk een ontzaglijke invloed bij de Joodsche Raad en bij de Duitsers.'  

            Van Gheel Gildemeester probeerde, ten eigen bate hetzelfde met zijn 'Auswanderungs-stelle Gildemeester'. Behalve zijn medewerker Perrizonius zal hij ten hoogste 10 of 20 personen over de vloer hebben gekregen in al die jaren. Omdat de Joodsche wereld in het algemeen wist, dat Gildemeester geen goede naam had. (Ik verwijs nogmaals naar de Joodsche pers van vòòr 1939, toen Gildemeester daar al gesignaleerd werd als gevaarlijk) en omdat hij bij de Duitsers evenmin wat gedaan kreeg, omdat die wel gauw door hadden, dat hij niet goed wijs was en alleen te gebruiken voor kleine diensten. Niet één Sperre heeft hij kunnen bewerkstelligen, laat staan een 'Auswanderung', ondanks deze weidse naam van zijn bureau.

            Ik had dus alles te verliezen en niets te winnen, wat naam en gevierd-zijn betreft. Als men maar even belieft door te denken, stuit men vanzelf op deze consequentie. Ik kon iets dergelijks riskeren, omdat ik begreep, dat er zo velen zouden zijn, die mijn goede trouw en goede bedoelingen boven alle twijfel verheven zouden achten, dat ik berekende dat de schade na de ontmaskering van de 'generaal', voor mij best te overkomen zou zijn. Inderdaad verdisconteerde ik herhaaldelijk deze crisis na de ontmaskering, in mijn egoïstische buien. Die had ik als ieder ander. Maar ik kwam steeds tot het restltaat, dat het wel mee zou vallen. Maar hoe kon ik met dat vooruitzicht ooit rekenen op 'de gevierde man te zijn' na de oorlog. Met een reële trein zou ik gevierd zijn geweest (als ik tenminste mijn collaboratie met de vijand had kunnen verantwoorden, want deze gaf nooit 'legaal' iets zonder tegenprestatie), doch met Herbert Joachim von Schumann stond mij steeds, hoe en waar ook, ontmaskering van de 'meest fantastische zwendel etc.' te wachten. 

            En aan de andere kant staat, dat ik, juist door de grote toevloed van mensen voor mijn lijst-acties, mij genoodzaakt voelde, iets te doen. Wellicht was ik niet helemaal toerekenbaar, zoals de meeste Joden in die paniek-tijd, en deed ik iets wat men met nuchtere ogen in het beste geval als 'niet goed wijs' kwalificeert. Maar hoe dan ook, ik kon het toen niet laten. Toen het eenmaal uitgegroeid was tot de Sperre, hield ik het, ten koste van alle risico voor mijzelf. Laat de procureur fiscaal niet weer zeggen, dat ik aan zelf-verheerlijking doe, want ik bega deze fout niet tot een honderdste van wat de zogenaamde illegaliteit zich daarover aanmeet. Ik matig mij het recht aan, óók iets voor anderen te hebben willen doen, daarop wijzende op de resultaten voor honderden, het recht, dat duizenden pseudo-illegalen als vanzelfsprekend voor zich opeisen als zij eens een persoonsbewijs vervalst hebben of een extra-bonkaart of een illegaal blad bezorgd hebben. Ik heb per sé, al was ik toen wel of niet goed wijs, welbewust mijzelf in de waagschaal gesteld voor de vele anderen. En zeker deed ik dit na September 1942, toen Koch mij had gearresteerd. Dat ik toen niet met de buit er vandoor ben gegaan, toen het gemakkelijk kon, doch integendeel bleef omdat ik wist dat dan met mij de Sperre bleef en groeien kon, getuigt voldoende van het onbaatzuchtige karakter van deze actie.  

            Mevr. Dalfoss schrijft aan Tal, dat zij zich niet kan indenken, dat 'een Poolse Jood' zo brutaal kon zijn, om zo maar bij de S.D. binnen te lopen en een dergelijke spel te spelen. Nu, een 'Poolse Jood' kan dat net zo goed als een 'Nederlandse Germaan'. De Poolse Joden in Warschau hebben getoond meer moed bezitten dan vele ondergrondse helden hier.  

            Dat ik met deze actie alles kon verliezen - mijn leven, mijn gezin, mijn bezittingen en mijn naam - en niets kon winnen van materiële of eerzuchtige aard, wijst vanzelf naar de ware bedoelingen, Hoe zou ik ooit een rustige dag in Nederland, waar ik mijn studie en opleiding had genoten en mijn werkkring had, hebben kunnen verwachten, als ik niet een duidelijke afrekening der geïncasseerde gelden had kunnen verstrekken. Daarom hield ik in alleen voor mij te begrijpen code het koffertje van Van Maanen (later van Kees), bij. Iedere dag werkte ik mijn eigen dagboekhouding op onopvallende kladjes bij om daarmee regelmatig de uiteindelijke boekhouding bij Van Maanen, bij te werken. Hoe kan men zeggen, dat ik de bedoeling had, mij te verrijken met de inlagen. Iedere justitie, waar ook ter wereld, zou mij bijde kraag hebben gegrepen met het verzoek om opheldering. Zou ik voor een dergelijk avontuur mijn rustige en beschaafde werk in Nederland hebben laten schieten? In Amerika, Palestina, België, overal zou men mij opheldering hebben gevraagd. Waar zou ik met vrouw en vier kinderen zijn gebleven? Men zegt, dat ik een vooruitziende blik heb en schrander ben. Wie gelooft er dan, dat dergelijke gedachten nooit bij mij zouden zijn opgekomen? 

            Wat ik winnen kon met deze actie was een onmeetbaar ontastbaar gevoel van: 'Ik heb het mijne gedaan. Wat er verder ook gebeurd is, God heeft het gewild. Ik echter heb dat gedaan wat ik redelijkerwijs in die omstandigheden kon doen. Ik heb, omdat ik machteloos was de vijand met het wapen van de list getracht zijn buit te ontrukken. Het succes ervan ligt niet in mijn hand, doch te verwijten heb ik mij niet veel'. En dan, ik rekende en hoopte op enige dankbaarheid van sommige betrokkenen, Beide heb ik gekregen, en dat ontneemt niemand mij. 

            Maar zeggen, dat ik dat deed om er 'wijzer van te worden', in de zin waarop kruideniers redeneren, dat gaat niet op, als men even uit zijn winkeltje stapt en de buitenlucht inademt. 

            Voor één ariseringsschema, voor de N.V. Goudsmit, dat mij ten hoogste 12 à 14 dagen werk kostte, kreeg ik f. 2.000.- honorarium. Mijn naam en capaciteiten waren voldoende bekend. Daarom kon ik ook een dergelijk honorarium eisen. In 1940 en 1941 kreeg ik voor dergelijke adviezen en reorganisaties ook vele duizenden aan honorarium. Ik gaf ze nu niet op, omdat zij niet ter zake doen en ik niet onnodig bedrijven, waarvoor ik gewerkt heb, aan de publiciteit en nog wel een dergelijke, prijs geef. Het ging om mijn situatie begin 1942 en daarom gaf ik Goudsmit op. Het andere geld zou ik al verteerd kunnen hebben, bovendien.  

            Maar mijn capaciteiten waren voldoende bekend en ik zou gemakkelijk aan een groot inkomen hebben kunnen komen zonder het minste risico. Want dat ariseringswerk was volkomen legaal en bracht geen risico mee. 

            Ik had rustig mijn boeken-voorraad hebben kunnen liquideren. Iedere maand iets. Dan zou ik zeker tien jaren een volkomen rustig bestaan hebben gehad. Zonder enige risico. De prijzen van boeken waren toen zo fantastisch, dat ik rustig en met overleg geleidelijk had kunnen liquideren.  

            Ik werd wijzer op een gebied dat de Bijzondere Rechtspleging niet kent en niet aanneemt. Maar op hun gebied zou ik inderdaad heel anders gehandeld hebben, om wijzer te worden.   

            De procureur fiscaal geeft dan punten: '1. van werkelijke emigratie was geen sprake'. Allicht.Maar dat wist na heel korte tijd al iedereen. Lees maar de processen verbaal na van Lange, Blik, Mogendorff, Van Eersel, Kanner, Gudema, Van der Vlugt, Kallusz, etc. etc. Kortom, iedereen begreep na het eerste alarm dat niet gevolgd werd door de trein, dat die trein 'flauwe kul' was. En nu nog zeggen al die mensen dat. Ik heb mij ook nooit ongerust gemaakt, dat de massa der ingeschrevenen zich nog druk maakte voor de trein. Mijn verhalen, vergaderingen etc. waren uitsluitend bestemd voor de buitenwereld, met name de S.D., die de Sperre op grond van die verhalen continueerde De procureur fiscaal doet steeds, alsof er alleen maar emigratie was beloofd, dat die niet was gekomen, en dat ik dus oplichting had gepleegd. Hij vergeet steeds, weer, bewust of onbewust, dat ik naast de emigratie de Sperre beloofde, dat deze continu functioneerde, dat nagenoeg iedereen mij vroeg op de 'Sperlijst' te komen - het woord emigratie gebruikte men op de duur zelfs niet eens meer - en dat de 1e lijst ruim 500 personen gesperd hield.  

            De emigratie moest ik noemen, omdat ik zonder dat woord geen Sperre kreeg, omdat mijn Sperre alleen kon functioneren als zgn. 'Emigrationssperre'. omdat dit het enige was waarvoor ik zegslieden buiten Nederland kon opgeven, daardoor dus de controle moeilijk maakte voor de S.D., die zelf het beste wist welk een wirwar van instanties er in Berlijn was, en omdat de emigratie-Sperre naast en boven de andere Sperren kwam en dus niet gerekend werd in het totaal der door de S.D. in Nederland toegestane Sperren.

            Maar verder wist iedereen, zeker na Augustus 1942, dat die trein wel nooit zou komen. Maar men vocht om een plaatsje, omdat men zag, dat de Sperre wonderlijk safe werkte en ... omdat men in stilte toch nog hoopte dat ik de Portugal-Messias was. 

            Onder 3° staat: 'lijsten geheel fictief'. Dit is niet waar. De lijsten waren zeer concreet. Westerbork weergalmde van de lijst in de maanden Augustus '42 - Januari '43. Iedereen kende en kent de lijst. Alweer wordt dus de Sperre volkomen genegeerd. Zeer welbewust gaf ik de ingeschrevenen en adspirant-ingeschrevenen (potentieel waren dat alle Joden in Nederland, want iedereen kon in Westerbork terechtkomen) een Sperverzekering en als zodanig was de lijst niet fictief. Nu nog is op de karthoteek van Westerbork na te gaan, dat de 'Weinrebsperre', die op vele honderden kaarten uit de maanden Augustus 1942 Januari 1943 is gestempeld een serieuze lijst veronderstelde en dat alleen de S.D. voor de gek werd gehouden met een fictieve lijst. De ingeschrevenen hadden een serieuze lijst.  

            Onder 4° staat: 'Weinreb heeft tegenover velen telkens doen voorkomen alsof de lijsten waren volgeboekt en dat er extra betaald moest worden voor nog een plaats of lager nummer op de lijst'.   

            Dit is weer een overdrijving, die de procureur fiscaal met niets kan bewijzen. Slechts enkelen, een zeer kleine fractie van de daarvoor in aanmerking komenden, betaalden meer.  

            Ik wees er al op, dat dit meer nooit zo veel was. Het beliep dan f. 500.- of omstreeks dat bedrag, per persoon. Omdat hele groepen tegelijk ingeschreven komen er ineens enige duizenden guldens, doch feitelijk is dat minder. Ik blijf er bij, dat ten hoogste 5 groepen meer betaalden. Meer hebben mij nooit meer betaald. Het geval - Kan, dat de procureur fiscaal nog voorlas en dat later in het dossier kwam, heeft niets met mijn lijst uit te staan. Ik kan desgewenst precies aangeven hoe dat geval was. Ik was niet eens bemiddelaar en het enige wat ik deed, was dat ik mijn aanbevelinggaf. Het geld is door anderen (Hr. Horstmanshof en Hr. Abrahams) overhandigd aan mij tot dan onbekende personen, waarmee ik verder niets te maken had. Ik heb alleen gezegd, dat als de heer Kan deze personen wilde steunen met hun illegale reis naar Zwitserland, welke mensen mij door genoemde twee personen, beide in dienst van de heer Kan, werden aanbevolen, ik dat zeer zou waarderen, aangezien ik op het moment geen motieven aanwezig vond om deze mensen, die ik niet kende, zelf te steunen Geheel buiten mij om, is toen deze transactie door Horstmanhof en Abrahams tot stand gebracht. De heer Kan stond toen al op de lijst.

            Een verklaring van Van Laar, dat zijn ouders enige duizenden guldens zouden hebben betaald, is volkomen onwaar. Ik meen zelfs, dat deze mensen, die buren van ons waren, niets hebben betaald. In ieder geval kan deze Van Laar niet weten, wat er toen betaald is en probeert hij het zo eens.  

            Zeer doorzichtig is de verklaring van P. Kornmehl Jr., mede over Gurfein. Deze heer weet alles van de lijst en vertelt in één adem dat hij al in November 1941 illegaal naar Engeland is vertrokken. Het lijkt wel een verklaring van Krom

            Wel is waar, dat enige personen, wellicht een 15 à 20, betaald hebben voor even vele onbemiddelden. Het betreft hier echter bedragen van f. 200.- / f. 500.-. In totaal naar schatting f. 5.000.--. Ik heb deze bedragen gewoon beschouwd als betalingen van f. 100.- en daarmee het aantal niet-betalenden evenredig verminderd. Dat had niets te maken met volgeboekte lijst of iets dergelijks. 

            De procureur fiscaal moet eerst bewijzen, dat ik van meer dan ten hoogste 5 gevallen ruiltransacties heb bemiddeld. Zeggen en verklaringen voorlezen waarover ik nooit gehoord ben en daarom ook nooit mijn verweer heb kunnen naar voren brengen, kan hij veel en het geeft wellicht de indruk van erge financiële practijken. Waar is het echter niet en de methode om verklaringen te produceren die ik nooit heb gezien en waartegen ik mij niet kon verweren, is niet bepaald fraai. 

            Onder 5. staat: 'schijn van werkelijkheid gegeven aan de verdichtsels door zeer listig in elkaar gezette valse papieren of fotocopieën'.  

            Dat liegen en fantaseren wordt mij door de procureur fiscaal nu zeer kwalijk genomen. Ook door verschillende lijst-leden, zoals Mogendorff. Lange, Kanner. De meeste andere storen zich er nu niet aan (Simons, Vleeschhouwer, Hes, Italie, Metz, etc.). 

            Het is geen kunst aan te tonen dat ik toen gelogen heb. De getuigen à charge weten niet eens een tiende van wat ik verzinnen moest. Over Goedewagen. Schrieke, Ortskommandantur, Schumann, Devisenschutzkomando, Ausreisestelle, Weermacht, etc.  

            De opzet van de lijst was list en dus moest de practijk neerkomen op het verkopen van leugens. De president ging diep in op de verhalen over Goedewagen, alsof er nog iets toe deed. Ik moest de honderden vragers toch iets antwoorden. De waarheid kon ik niet zeggen, zwijgen zou hieraan gelijk zijn en zelfmoord voor mij en moord voor de lijst betekenen. Dus moest ik leugens en verzinsels doorgeven. Dat was het leven voor de lijst. Loog de illegaliteit soms niet? Wat betekende illegaliteit dan? In die positie van pseudo-collaborateur moest ik toch schermen met Duitse en met N.S.B.-namen. Juist omdat ik die relaties toen niet had, moest ik dikke verhalen doen. Niemand wellicht was zo bang, voor het Devisenschutzkommando als ik, niemand liep Schrieke zo uit de weg als ik. Maar ik had nu eenmaal de kroon van deutsch-freundlichkeit op mij genomen en bij zulk een kroon behoort een diadeem met Goedewaagens, deftige hotels met dinerende generaals, etc. Ik moest een pluim krijgen, dat ik zolang het snelvuur van strikvragen van Lange's e.d. weerstond en de generaals zo in leven hield dat de Sperre in het donkere, modderige akelige Westerbork evenlang in leven bleef. Hoe moest ik het in 's hemelsnaam dan doen? Hoe moest ik mijn positie in het vijandelijke gebied anders handhaven dan door list en bluf? Typisch is, dat mij al meerdere malen door rechercheurs en dergelijke is verweten, dat ik toen gelogen heb. Bij voorbeeld door Clemens in November 1945 en door Prof. Duynstee in juli 1946. Als een of andere illegaal, een echte Germaan ditmaal en geen 'Poolse Jood' het lef heeft gehad een dergelijk spel met de S.D. te spelen en er zijn er ongetwijfeld geweest, die dat deden - dan heeft hij toch ook z'n hele omgeving voor de gek moeten houden met allerlei leugens om zijn positie te handhaven. Wordt dat dan ook als 'leugen' beschouwd en dus als minderwaardig, of is het dan ineens heldhaftig en slim en geniaal. 

            Opvallend in dit verband is het proces verbaal van Mej. Peeren voor de P.R.A., (Politieke Recherche-Afdeling) dat ook in het dossier ligt. Zij beweert met grote ontzetting steeds weer, dat ik o zo loog voor Koch. Steeds weer met andere smoesjes. En als Koch na enige tijd mij door begon te krijgen, had ik al nieuwe leugens gereed, waardoor Koch weer op sleeptouw werd genoomen, met het gevolg dat mijn zaak maar nooit afkwam. Ik zie af van alle andere mededelingen van deze dame, die door hun verwardheid en het ontbreken van zelfs één enkel concreet geval (alleen Swart kent zij!) mij alleen maar goed kan doen doordat het de verwarring nog erger maakt. Waar zij met een concrete mededeling komt is zij er zo aanwijsbaar naast, dat het aanbeveling verdient haar in de echt te doen verbinden met den heer Haakman. Maar komisch is de verontwaardiging over mijn leugenachtigheid tegenover Koch. Zij zit nog steeds in de S.D.-sfeer. Blijkbaar heeft de P.R.A.-entourage haar doen vergeten dat 1947 niet meer 1943 is en dat de S.D. vervangen is door de P.R.A. De P.R.A. echter neemt haar verontwaardiging met enthousiasme over. Zie je wel, Weinreb heeft zelfs bij Koch ook al gelogen. 

            Nu vraag ik: Stel eens, dat ik bij Koch de waarheid had gesproken, zoals een braaf illegaal held ... pardon, zoals een 'Poolse Jood' betaamt. Dan zou er nu wat gezwaaid hebben. Het feit, dat Mej. Peeren mijn leugenachtigheid en rekken tegenover Koch nog zo goed kent - zij vermeldt zelfs dat het dossier niet eens afgesloten kon worden omdat ik de heren steeds weer aan de praat hield (en het gaat om het dossier in mijn zaak, dus om de gelden, de lijsten en lijstjes, de stamkaarten, etc.) en van het kastje naar de muur stuurde - dit feit zegt toch al voldoende over mijn mededeelzaamheid. Zeker, ik sprak veel, was meestal aan het woord, kon daarom het verhoor leiden, doch Mej. Peeren weet nog dat alles steeds weer gelogen bleek. Stel, dat ik met mijn kennis van zaken toen braaf was, geweest en de waarheid had gesproken. Die leugenachtigheid van mij zit en zat de S.D. steeds dwars. Zij noemen het leugenachtigheid, is het echter in de omstandigheden tijdens de bezetting, niet, veeleer de enige mogelijke en enige juiste houding geweest, indien ik geen verraad wilde plegen? Toont het proces verbaal en de verontwaardiging van Mej. Peeren niet aan, dat ik niets doorgaf en Koch alleen maar radeloos maakte met mijn gelieg. Overigens kan zij van dat gelieg alleen maar uit de tweede of derde hand hebben gehoord. Want bij verhoren van mij na Januari 1943 is zij nooit aanwezig geweest. Maar Windekind was er vol van, van dat spel met Koch. Van lijsten die zoek waren, van de honderden Joden waarover Hammacher sprak en die niet te vinden waren en waarover ik steeds weer andere smoesjes moest verzinnen.  

            Ik laat het dan maar aan het Hof over, om te oordelen of ik in die gevallen van de lijst en haar Sperre en bij Koch en de gezochte onderduikers en lijstleden, al dan niet had moeten liegen en of mijn liegen, waarvoor ik toen dubbel en dwars slaag kreeg, in beide gevallen, niet geheel op mijn risico en mijn rug neerkwam, ter ontlasting en hulp van anderen, en of dat liegen in dit geval niet een ere-zaak was wilde ik geen verraad plegen tegenover mijn geweten en tegenover het leven van anderen.

            Onder 6° zegt de procureur fiscaal (dat ik realiteit aan de fictieve emigratie trachtte te verlenen, door medische keuringen en door verhalen over het vertrek van de trein). Dat valt onder het vorige. Nu ik eenmaal deze weg had gekozen, moest ik consequent zijn, en het geheel niet laten stranden op details die ik niet met voldoende zorg afwerkte. De keuringen werden na Juli 1942 echter nagenoeg altijd vervangen door verklaringen van den betrokken huisarts. In het geheel is er dus slechts in de maanden Juni en gedeeltelijk Juli door Van Lier gekeurd.  

            Het steeds uitstellen van het vertrekdatum van de trein heb ik reeds herhaaldelijk gemotiveerd. Enerzijds hield dat de Sperre in het leven, omdat de Duitsers dachten dat de emigratie voor de deur stond, anderzijds werd dat herhaalde uitstel voor de ingeschrevenen welhaast symbolisch en niemand met nog een fractie gezond verstand geloofde nog in de trein, zoals nagenoeg alle personen in de processen verbaal vertellen, hoewel ze toch in het diepst geheim nog een stukje hoop hielden, waarover zij nu dan zo boos zijn. 

            Ik kom nu tot het voornaamste punt, namelijk dat wat de procureur zelf 'het ernstige gevolg' acht van verdachte's handelingen, ernstiger dan de gepleegde oplichtingen laag en misdadig'. Namelijk het onder 1 ressorterende feit, dat de Joden niet onderdoken als gevolg van het vertrouwen in de lijst. Reeds herhaaldelijk heb ik op het dwaze en onhoudbare van deze bewering gewezen. Zij wordt door de procureur fiscaal geuit, bij gebrek aan beter. In mijn 'opmerkingen over de dagvaarding' van Mei jongsleden ben ik uitvoerig op dat punt ingegaan, en ik verzoek U wel, het daar geschrevene opnieuw aandachtig te bezien. Tevens verwijs ik nog naar mijn opmerkingen in mijn brief van begin          Juni, tussen zitting en 'uitspraak' geschreven, waarvan ik U verzocht de inhoud aan het Hof te doen toekomen. 

            Ik wil deze zaak, ten overvloede, nog eens, duidelijk stellen. In geheel Nederland hebben zich, volgens de gegevens van het C.B.S. ca. 130.000 personen als Joden gemeld, in 1941. Hiervan werden 110.000 gedeporteerd, waarvan 105.000 niet zijn teruggekeerd. 20.000 Joden wisten zich dus aan deportatie te onttrekken, hetzij gemengd gehuwd waren en dus niet daarvoor in aanmerking kwamen, hetzij, dat zij onderdoken of illegaal emigreerden. Dus ca. 85 % is gedeporteerd.  

            Mijn lijst bevatte volgens mijn gegevens ca. 1170 personen. Dat aantal wordt gestaafd door de melding van Lange, dat ik in Westerbork ca. 600 personen gesperd hield. Deze opgave is zelfs iets te hoog. Nu nog kan worden nagegaan, dat ik ruim 500 personen sperde, in Januari 1943. Op dat moment waren ruim 60 % van alle door afstamming en huwelijk daarvoor in aanmerking komende Nederlandse Joden reeds, hetzij gedeporteerd, hetzij in Westerbork. Neemt men aan, dat mijn mensen niet meer en ook niet minder onderdoken dan de anderen, dan wil dat zeggen, dat ik ruim 800 à 1.000 personen had ingeschreven. Iedereen weet, dat dit te laag is. De opgaven der getuigen à charge belopen in de duizenden. Zelfs mijn opgave is dan 20 a 50 % hoger. Alleen deze berekening, die nauwkeurig is na te gaan aan de hand van de transport-lijst in mijn dossier en de officiële gegevens van het C.B.S., zegt al voldoende over de stimulans tot onderduiken die van de lijst uitging. Daarbij laat ik zelfs buiten beschouwing, dat van de 500 ingeschrevenen te Westerbork, een aanzienlijk deel eerst op mijn lijst kwam, nadat zij te Westerbork arriveerden en zich van daaruit telegrafisch dan wel via familie tot mij wendden. Deze personen hadden altijd de voorkeur. Uit deze berekening, die eenvoudig en duidelijk is, blijkt tevens zoals ik reeds ter zitting aantoonde, dat de opgaven van vele duizenden ingeschrevenen te hoog is en overdreven. Want dan zou er van mijn lijst zulk een fantastische invloed tot onderduiken zijn uitgegaan, als ik zelfs weiger aan te nemen. Stel dat het cijfer inderdaad bij voorbeeld 3.000 was, een zeer lage schatting volgens het parket, dan kwam dus tot aan mijn arrestatie in Januari 1943 en dus het opheffen van mijn lijst slechts 15 à 20% van de ingeschrevenen te Westerbork terecht tegen ruim 60% bij de gehele Joodse bevolking. Waar bleven dan al die anderen? Bleven die werkelijk behouden, doken zij allen onder of kregen al die duizenden ineens zulke prima Sperren ? Dan is dat resultaat nog een extra felicitatie waard. 

            Mijn opgave van de zoveel honderd behoudenen is bezadigder en blijkt echter uit de binnengekomen berichten bij P.R.A. en U, veeleer in overeenstemming.  

            Langs deze weg blijkt dus reeds dat in ieder geval een nalatigheid wat betreft onderduiken, niet mogelijk is. Want zou dit het geval zijn, en gaan wij weer uit van het te controleren cijfer van 500 à 600 gesperden te Westerbork (Lange als aanvaller zal heus niet, nu hij mij zo vele ingeschrevenen verwijt en als illustratie de 600 te Westerbork noemt, dit cijfer te laag opgeven, doch eerder, zoals blijkt, iets te hoog), dan zouden dus in totaal 800 à 1.000 personen moeten zijn ingeschreven, waarvan er alleen al te Westerbork 5 à 600 zitten. En dat weet iedereen, dat het meer was, toch zeker honderden meer.

            Ik meen, dat op deze cijfers, die alle te controleren zijn, en die ik reeds sedert mijn eerste verslag ter controle aanbied, en die door de opgaven van het C.B.S. (Centraal Bureau voor de Statistiek(?) en Lange en deskundigen worden bevestigd, sterk de nadruk moet worden gelegd, om de voosheid van de aanklacht, de bewuste verdraaiing van de feiten, het gezochte karakter van de aanval, helder naar voren te brengen. Ik zie nu echter af van deze cijfers. Ik vraag nu echter: 'wat verhinderde de 100.000 niet-ingeschrevenen onder te duiken? Die stonden toch niet op mijn lijst, wachtten niet op een trein, ondergingen niet mijn invloed in welke richting ook. Waarom dook van het gehele Nederlandse Jodendom teminste 85% niet onder?

            Dat mijn Joden speciaal tot het illegale type behoorden, en zonder mijn lijst en gros zouden zijn ondergedoken is om meerdere redenen niet aan te nemen. Zij kwamen uit alle streken, uit alle bevolkingelagen en waren van alle leeftijdsgroepen. Het feit, dat zij inschreven op een lijst, waarvan iedereen aannam dat de gegevens aan Duitse instanties werden doorgegeven, wijst er juist op, dat zij tot het secure type behoorden, die juist prijs stelden op registratie en de loyale, legale weg.

            Wat iemand gedaan zou hebben als niet omstandigheid A, doch omstandigheid B zou zijn ingetreden is een vraag, die slechts een dwaas kan stellen. Wij hebben nu eenmaal met omstandigheid A te maken gehad en geen mens ter wereld kan achteraf zeggen, wat die persoon zou hebben gedaan als omstandigheid B zou zijn ingetreden. Of Jansen wel zou zijn ondergedoken als hij niet op mijn lijst had gestaan, kan geen mens beweren, Ja, als het merendeel der niet-ingeschrevenen wel zou zijn ondergedoken, dan zou met enige theoretisch recht kunnen worden beweerd, dat Jansen zonder mijn lijst 'waarschijnlijk' zou zijn ondergedoken. Zelfs dan is niets met zekerheid te zeggen, laat staan te bewijzen. Doch wij zien juist het tegendeel. Van de niet-ingeschrevenen liet 85% (officiële statistische gegevens) zich ophalen ter deportatie: 90% hiervan geheel vrijwillig. Van mijn lijst zijn volgens mijn gegevens, die de procureur fiscaal weigert te accepteren, tenminste 60% behouden. Dus 4 x zoveel als van de niet ingeschrevenen.  

            Volgens de gegevens die de procureur fiscaal gelieft te produceren, is de heilzame invloed nog veel groter geweest. Want de 500 à 600 personen te Westerbork staan vast. Daar valt niet aan te knoeien, noch door mij, noch door de procureur fiscaal. Dat is de een der bekenden in het stelsel vergelijkingen met de grote onbekenden: het totale aantal ingeschrevenen (7.000 volgens de procureur fiscaal). Zóveel duizend ingeschrevenen, en slechte 500 à 600 in het 'Durgangslager' naar Polen, waar alles langs moest komen en geregistreerd moest worden, waar de Weinreb-Joden 'in Erscheinung' moesten treden, dus er 8% tegen ruim 60% als landelijke gemiddelde, dat zal de procureur fiscaal zelf niet eens willen toegeven.

            Wat mijn ingeschrevenen deden na het opheffen van mijn lijst, is natuurlijk iets wat geheel buiten mij omgaat. Als zij daarna nog naar Vught gingen, vrijwillig, om van daaruit via Westerbork in Polen te komen, zijn gebeurtenissen, waarop mijn lijst geen invloed meer kon uitoefenen. Ik weet, dat velen dat deden, zoals ook velen een half jaar later zich in Amsterdam lieten arresteren bij de grote laatste razzia aldaar. Maar toen was mijn lijst reeds lang ter ziele en niemand kan beweren, dat zij zouden zijn ondergedoken als A niet A was.  

            En toch is het typisch, dat zelfs in het dossier verklaringen voorkomen van personen, die beweren, dat bij voorbeeld een fam. Bachrach door de schuld van mijn lijst niet 'onderdook'. Deze Fam. Bachrach, het kan worden nagegaan, ging maanden na de opheffing van mijn lijst, vrijwillig naar Vught. En zoals de heer Geedema zegt betreffende een familie V. Voolen. Men kan nazien! V. Voolen ging na mijn arrestatie maanden later, vrijwillig naar Vught. Ik geloof ook, dat de familie van den Heer Hijmans, voor het grootste deel eveneens na mijn arrestatie eerst werd opgehaald, toen hun dus niets meer in de weg stond om wel onder te duiken. Als dat eens nagekeken wordt, dan weet ik zeker dat het merendeel van zijn familie niet tijdens mijn lijst werd opgehaald. De mensen zoeken echter een verklaring voor het bittere lot, dat zij en hun gezinnen in de bezetting hebben ondergaan. Men zoekt, doch vindt niet, omdat hier niet één schuldige, doch een hele wereld tegenover staan. Doch nu komt er een gerucht: 'het is Weinreb's schuld. Zie je wel, daar zit hij voor'. En zonder na te denken heft een koor van verwarden deze kreet aan, neemt deze slagzin van het parket over, en weet ineens waarom dat alles was en hoe, heeft ineens een verklaring voor het ongeluk.  

            Ik kan niet ieder individueel geval nagaan. Ik kon toen niet in de harten van de mensen kijken en ik kan het nu niet. Ik, en niemand, kan nagaan welke motieven de een tot onderduiken brachten de ander dat idee deed afwijzen. Velen konden eenvoudig niet, omdat zij niet wisten hoe en waar. Vele anderen durfden niet.  

            Het 'Joodsche Weekblad', het officiële orgaan van de Joodsche Raad publiceerde in 1942 een dringende aanmaning om niet onder te duiken, omdat men zich daarmee strafbaar maakte en dus in een concentratiekamp zou terechtkomen, terwijl men door thuis te blijven de verordeningen van den bezetter niet overtrad. De eenvoudige man, - en 85% der bevolking bestaat nu eenmaal uit 'eenvoudigen', zweert bij het gedrukte woord, durft een conflict met een dergelijke harde overheid als de bezetter was, niet aan, en blijft gedwee wachten. Het is mogelijk, al weet ik geen enkel geval, dat een heer X besloot niet onder te duiken, doch thuis te blijven, nu hij op mijn lijst stond. Zou hij mij of een mijner medewerkers om advies hebben gevraagd, dan zou het advies hebben geluid: 'neem alle maatregelen voor je veiligheid'. Dit bevestigen Van Creveld, Wijler, Van Leeuwen, Laufer, Splitter, Stiel en nog vele anderen. Letterlijk iedereen bevestigt dat. Slechts een enkeling, vaak slechts viazijdelingse informaties, zegt nu anders. Iedereen zag en wist van mijn activiteit ten behoeve van onderduikers. Mijn relatie met Hammacher toont aan, dat die niet gering was; de eigenaressen van enige vaste onderduik-adressen bevestigen dat in hun in het dossier voorkomende door de raadsman gedeponeerde verklaringen. Wat daarom heer X bezielde, om.niet onder te duiken, weet ik niet en niemand kan dat zeggen. Doch het gaat niet om heer X. Het gaat om het geheel, En het geheel is zó sprekend, de cijfers zijn zó dwingend, dat iedereen, die bereid is deze zaak objectief te beschouwen, onmiddellijk moet toegeven: de Weinreblijst heeft, wat betreft haar eindresultaat een succes gehad dat tot uiting komt in een percentage behoudenen, vele malen groter den het gemiddelde voor het gehele land. En dit geheel, deze 60% tegenover de 15% van het gehele land, deze verhouding, voortvloeiende uit concrete gegevens, zegt meer den alles andere.

            En dan nog een argument: wat moet mij bezield hebben om mensen van onderduiken af te houden; Hetzij direct of indirect. Het is gebleken, dat ik tot September 1942 geen enkel contact bezat met de S.D. of een andere Duitse instantie. Na September 1942 nam ik buiten Westerbork nagenoeg niemand meer aan. Eenvoudig al uit angst voor Koch.

            Welke privé-belang bezat ik dus bij het niet-onderduiken van de ingeschrevenen? De mensen hadden al betaald, dus, geredeneerd naar de trant van den procureur fiscaal, ik had ze al voor mijn doel geplukt. Dat ik demonstreerde, dat onderduikers even goed meekonden, blijkt uit het feit, dat ik velen zelf onderbracht. Ik noem Stiel, Smulewisz, Birnbaum, Rosenheimer, Vecht, het getuigenis van den agent Mulder, mijn relatie met Hammacher, Eekhout, Klootwijk, Rotting, de adressen aan de Helenastraat, Van Boetzelaerlaan, Bickersgracht, etc. Doch dat demonstreerde ik ook, door reeds ondergedokenen in te schrijven, een feit, dat Lange mij ter zitting als aanklacht voor de voeten wierp. Niemand kan dus zeggen, dat ik mij van onderduiken of illegaliteit afwendde. Zeker, ik drukte iedereen op het hart geen onnodig risico te nemen. Want o zo velen beliefden de bioscoop of cafés te bezoeken, zonder ster natuurlijk. Of gingen na 8 uur bij elkaar op visite, of wandelden in de boschjes. Dat verbood ik steeds en ik geloof dat iedereen het daarmee eens zal zijn. Al kreeg ik toen al daarover heel wat schampere opmerkingen. Doch dat ik zelf onderduiken bevorderde en zelfs reeds ondergedokenen inschreef, ter aanmoediging, van eventuele wantrouwende aspirant-onderduikers, is mijns inziens toch al meer dan voldoende bewezen. 

            Niemand kende mijn totale activiteit op dat gebied. Doch uit samenvoeging van de verklaringen van de meerdere getuigen blijkt wel, dat die totale activiteit niet gering was. Mulder wist iets, en noemde ter zitting dan ook al heel wat, Hammacher wist ten dele weer andere dingen - de tientallen illegale stamkaarten (de namen staan in zijn proces verbaal voor Klijzing in Dec. 1942, dat nu ook in het dossier ligt en waaruit men zien kan, dat het mijn lijst-ingeschrevenen betrof) spreken voor zichzelf, Mej. Birnbaum wist weer andere dingen, en vertelde daarvan, Becker wist weer andere dingen, en vertelde daarvan, Becker wist en zag bij mij thuis eveneens iets Lange wist iets, Dr. Taubes idem iets (zie verklaring uit Palestina), Klootwijk wist iets, etc., etc. De adressen aan de Helenastraat spreken in hun verklaringen, idem hierover, Mevr. Fenechel, etc., dat alles tezamen moet op een objectieven beschouwer onherroepelijk een diepe indruk maken. 

            Ik heb reeds in mijn opmerkingen over de dagvaarding uitvoerig geschreven over het onzinnige, om te veronderstellen dat inschrijving op de lijst ook maar iets te maken had met niet willen of niet kunnen onderduiken. Iedereen wist, dat als er eens een eventuele, onwaarschijnlijke trein zou vertrekken, hij via 'Joodsch Weekblad', berichten van tussenpersonen, etc., lang bericht zou hebben ontvangen. Het zogenaamd 1e transport, dat inderdaad angstigen doen kon vrezen, dat zij niet tijdig zouden worden bericht, bestond volledig uit personen met de safeste Sperren (Barneveld, Joodsche Raad, e.d.), die destijds nog rustig thuis konden blijven òf wel uit onderduikers die ik zelf had ondergebracht, en die ik dan zelf direct kon bereiken; de andere transporten zouden door het gerucht van het vertrek van het 1e transport daar de tussenpozen tenminste een week zouden bedragen, ruimschoots tijd krijgen om een eventuele trein te bereiken.

            Dus er was niets dat mij ertoe kon verleiden de Joden van onderduiken af te houden. Mijn liefde voor de Joodse Gemeenschap is van jaren her al voldoende bekend om van mij te veronderstellen dat ik, terwille van een onnaspeurlijk persoonlijk voordeel, nooit een groot aantal personen in moeilijkheden zou willen brengen. Er zijn nu voldoende verklaringen die mijn goede trouw en goede bedoelingen onderstrepen (Tal, Rosenheimer, (New York), Ostersetzer, Levisson, etc.) En wat was dat persoonlijk voordeel sedert September 1942? Toen dreigde alleen de ontploffing-Von Rath, het geld was al binnen, wat weerhield mij toen, er een eind aan te maken; Voor mijzelf en voor de anderen? Het antwoord is: de Sperre met de honderden Westerborkersweerhield mij ervan. 

            De Joodsche Raad had wel degelijk opdracht het onderduiken langs indirecte weg tegen te gaan. Zolang de Duitsers voldoende thuis-zitters konden laten ophalen, kon de Joodsche Raad blijven functioneren. Bleek de rust, die de Joodsche Raad de Joodse bevolking kon verschaffen niet groot genoeg om thuis te blijven, dan was de Joodse Raad overbodig en zou geliquideerd worden. Dan zou de S.D. zelf en radicaal de zaak in handen nemen. Dat wist de Joodse Raad en daarom was de gehele actie van de Joodse Raad erop gericht, de mensen rust te geven en hen thuis te houden. Daarom werden Joodse rusthuizen ingericht, kwamen kalmerende berichten in het 'Joodsche Weekblad', het enige orgaan dat de Joodse gemeenschap bezat. Daarom moedigde de Joodse Raad in April 1943 haar mensen aan, zich vrijwillig naar Vught te begeven en gaf de Joodse Raad de berichten over de goede behandeling aldaar, door. Met het resultaat dat meer dan 6.000 personen zich vrijwillig in Vught meldden. Om van daaruit naar Westerbork en naar Polen te worden gebracht. Deze 6.000 werden niet eens opgehaald thuis. Neen, nadat zij zelf bijna gedurende een jaar ophalerijen en razzia's hadden meegemaakt, gingen zij vrijwillig het kamp Vught binnen. Waarom? Omdat de Joodse Raad zei, dat het er goed was en omdat niemand toen besefte wat de achtergrond van dit alles was en omdat men eenvoudig niet wist waar en hoe men moest onderduiken. Omdat er geen organisatie was, die dit verdwijnen van duizenden ter hand kon of wilde nemen, omdat de bevolking in het algemeen niet geneigd was het risico van 'onderduikers in huis' te aanvaarden. 

            Mijn citaten uit het boek 'Het Verzet der Hervormde Kerk' spreken hierover duidelijke taal. Men kon niet onderduiken, zelfs al wilde men. De deuren bleven gesloten de beurzen bleven gesloten. Voor 5/6 van de Joodse bevolking was er geen plaats. 

            Met de 20.000 onderduikers was het verzadigingspunt bereikt, ja, zelfs overschreden, getuige de nu nog circulerende gruwelverhalen der arrogante, hebzuchtige, provocerende, verradelijke Joodse onderduikers. Het waren er al te veel, de ontmoeting Arische gastheer - Joodse onderduiker gaf een onsmakelijke neerslag van anti-semitisme. 

            Dit alles samen: Duitse tactiek, een meegaande Joodse Raad die, volkomen te goeder trouw, trachtte door loyaliteit de S.D.-maatregelen te verzachten en de uitvoering ervan te verschuiven (zoals Vleeschhouwer schrijft: de wedstrijd van de laatste secunde), angst en onwetendheid der Joodse massa, gebrek aan middelen bij 80 à 90% hiervan,angst en onbegrip bij de rest der bevolking, dit alles werkte samen om ruim 100.000 Joden vrijwillig de weg naar Polen te doen gaan, althans geen maatregelen ter bescherming te nemen. Dat er nog een 20.000 wel en plaats kon vinden, is, al is het maar 2½ o/oo der bevolking, voor ieder individueel geval een even grote daad van menselijkheid en durf en geeft voldoende weer dat de kern van het Nederlandse volk goed is. De massa evenwel is nooit bereid risico te nemen, zeker niet in dit geval waar de Duitsers met zware straffen dreigden, en daarom konden in 1942 en begin 1943 een honderdduizend Joden niet onderduiken. Zelfs al hadden zij allen gewild. Ik zag het steeds en voelde het steeds: er waren haast onoverkomelijke moeilijkheden om een gezin weg te krijgen en er hoorde heel wat doortastendheid en zelfs roekeloosheid toedeze stap definitief te nemen.  

            Het is bekend, dat mijn lijst geen Sperre thuis, dus buiten Westerbork, beloofde.  

            Andere Sperren deden dit wel. Ik denk bij voorbeeld aan de Joodsche-Raad-Sperre, die velen rustig thuis deed blijven, omdat deze Sperre uitdrukkelijk gelding had voor de plaats van inwoning. Toen deze Sperre waardeloos bleek, zouden velen kunnen zeggen, dat zij door die Sperre van onderduiken werden afgehouden. Mijn Sperre beloofde niemand veiligheid thuis, dit werd door mij en al mijn medewerkers steeds weer herhaald, zoals ook is op te maken.uit de talrijke verklaringen hierover. Wie dus thuis bleef, deed dit op eigen risico. Daar had mijn lijst, in tegenstelling met verscheidene andere, niets mee te maken. Zou ik een Sperre buiten Westerbork hebben beloofd, wetende dat deze Sperre op het Von Rath-dynamiet was gebouwd, dan zou ik eventueel roekeloos hebben gehandeld. In Westerbork, waar men niets meer had te verliezen, doch alles te winnen, gaf het niets, hoe mijn Sperre was gegrondvest. Daarmee kon slechts ik, die nog buiten Westerbork was en dus nog veel had te verliezen, risico lopen. Talrijken werden door deze Sperre behouden, vaak, nadat zij eerst te Westerbork van het bestaan ervan hadden kennis genomen en via mijn vertegenwoordiger aldaar, den heer Kruskall (zie verklaringen van hem), op de lijst werden geplaatst.

            Zij, die Sperre thuis beloofden, en wier Sperre binnen enige maanden eveneens 'platzte', worden ook met rust gelaten. Op hen zou, theoretisch dan, het mij ten laste gelegde van toepassing zijn. Ik weet, dat zij het, evenals ik, goed meenden, en eveneens speculeerden op een inmiddels in te treden invasie of zelfs op een wonder. Iedere dag was een dag. Ik echter beloofde niets voor thuis, dus niemand zou kunnen zeggen, dat mijn lijst iets met thuisblijven te maken had. Het feit, dat ik ook onderduikers inschreef en zelf onderduiken organiseerde, toonde voldoende aan, dat deze even goed meekonden en dat er dus, van lijst-standpunt gezien, niets tegen onderduiken kon bestaan. Op mijn eigen belang bij het onderduiken der ingeschrevenen, waardoor zij dus veel minder kans hadden het voor mij zo gevaarlijke beroep op mijn Sperre te hoeven doen, wees ik reeds herhaaldelijk. 

 

            Den Haag-Scheveningen, de plaats waar mijn lijst het meeste ingeschrevenen telde, maakt, wat het totaal aantal behoudenen betreft, een zeer goede indruk. Van de eerste 30 ingeschrevenen is 5/6 behouden. Een plaats als Utrecht of Maastricht, waar ik misschien een enkele ingeschrevene had, hebben een veel geringer aantal behoudenen. Waarom doken die Joden in Groningen, M.aastricht en Utrecht dan niet onder ? Zou ik daar geresideerd hebben, dan zou de procurer fiscaal gezegd hebben, dat zij niet onderdoken wegens de Weinreb-lijst.   

            Zolang het dus niet beantwoord is, waarom die 100.000 andere Joden niet onderdoken, 5/6 der Joodse bevolking werd opgehaald, gewoon thuis, zolang is iedere aanval op mij onrechtvaardig, waar ik wijzen kan op honderden behoudenen, op meer dan de helft van alle ingeschrevenen. Al zou zelfs 80 %van de bij mij ingeschrevenen niet zijn ongedoken, dan nog heeft niemand het recht de lijst van onjuiste invloed te betichten.

            Want dan zou ik er nog geen kwaad mee hebben gedaan, en alleen maar honderden in Westerbork gedurende vele maanden hebben gesperd, waardoor talrijke geheel in leven konden blijven.

            En als 80% niet ondergedoken was bij mijn lijst, waar blijft de procureur fiscaal dan met do 500 à 600 gesperden te Westerbork ? Had ik dan maar 700 ingeschrevenen in totaal? In Januari 1943 nog maar 100 à 200 buiten Westerbork? Iedereen weet wel beter.  

            Dus dat punt, dat in het requisitoir het ernstigste wordt genoemd van de gehele lijst, is veeleer het tegendeel van hetgeen de procureur fiscaal tracht voor te stellen. 

            Door mijn le en 2e lijst zijn in totaal ruim 2000 personen gesperd. Hiervan bleven uiteindelijk enige honderden in leven. Nu zegt de procureur fiscaal dat dit niet het gevolg is van mijn lijst, omdat mijn beide lijsten midden in de oorlog 'sprongen', dus dat de door mij gesperden, indien zij niet later andere hulpmiddelen hadden gekregen, toch zouden zijn omgekomen.

            Ook met deze suggestie is de procureur fiscaal fout. Inderdaad: op het eerste gezicht schijnt zijn redenering logisch. Doch bij enig verder nadenken blijkt zij kinderlijk. Want de latere hulp, bij voorbeeld de Palestina-papieren of een Theresienstadt-transport, zouden in het luchtledige zijn gevallen als de betrokkene al in Polen zat en ik hem niet met mijn Sperre in Westerbork had kunnen vasthouden. Die latere hulp kon alleen effectief zijn, omdat de betrokkene nog niet in Polen was. Een blinde-darm-operatie, kan alleen dan succesvol verlopen als de patient niet een jaar tevoren aan een beklemde breuk is overleden. Beide chirurgen, die van de blinde darm, zowel als die van de beklemde breuk zijn even onmisbaar voor het leven van de patient. Het is een keten, waarvan iedere schakel even belangrijk is. Zou één schakel ontbreken, den is de hele keten waardeloos.

            De heer Goldschmidt schrijft, dat zonder mijn Sperre, hij en zijn gezin onherroepelijk in Polen waren terechtgekomen. En dan zou zijn latere Palestina-Sperre nutteloos zijn geweest.

            In dezelfde zin laat de heer S. de Wolff zich uit. Datzelfde deelt de heer Van Leeuwen mee, en zelfs de heer S. Becker geeft toe, dat ik hem uit de S-barak haalde en daarboven papieren deed toekomen, die zijn levensbehoud betekenden. Al heeft hij de onhebbelijkheid te suggereren dat ik die papieren van de S.D. heb gekregen, alsof de S.D. zo speciaal belang stelde in het leven van de heer S. Becker, die sedert het Swart-Zeehoevedrama intensief werd gezocht wegens zijn financiële practijken. Dat de heer Becker uit de Straf-barak kwam, was alleen door mijn 2e lijst mogelijk, dat hij de Paraguaanse pas kreeg was alleen door mijn persoonlijk initiatief. Dat de familie Heller behouden bleef, kwam door mijn Sperre. Dat de familie Fenichel in Palestina kon komen, was, omdat ik haar met mijn lijst het leven gaf tot het moment dat de Palestina-Sperre in het leven werd geroepen. Dat de heer Durlacher uit het ziekenhuis kon vluchten, kwam alleen omdat hij door mijn Sperre niet al in Polen zat, doch gelegenheid kreeg naar Groningen te komen. Het een kon niet zonder het ander. Even goed als de latere Sperre de mensen in leven hield, even zo deed dat mijn Sperre, die daaraan voorafging. Met deze redenering, alsof ik uiteindelijk toch niet ertoe zou hebben bijgedragen dat deze honderden in leven bleven, is de procureur fiscaal dus per se fout. Mijn Sperre was even belangrijk voor hun behoud als de eventuele vorige of later.

            Zeer velen konden geen andere Sperre meer bemachtigen en werden, daar zij alleen op mijn dobber dreven, toen deze zonk, gedeporteerd. Mijn goede bedoeling en mijn daad blijven dezelfde, of de mensen nu uiteindelijk bleven leven of niet. Aan mij lag het niet. Ik ben niet de heer van leven en dood. Als een chirurg een patiënt kundig opereert, doch deze overlijdt door een nieuwe complicatie, dan zal niemand den chirurg daarom niet betalen of zelfs nalaten hem te bedanken voor zijn goed bedoeld werk. Daar past evenmin hoon als in mijn geval, waar de procureur fiscaal juicht: 'voor velen heeft het toch niets geholpen'. Laat hij dan daarvoor zijn aanklacht aan een hogere instantie, die niet op deze aarde resideert, adresseren, die weet wellicht waarom voor zo velen de hulp te laat kwam. Het in toch geen spelletje, waarbij het gaat om de statistische resultaten. Ik schaam mij, dat ik gedwongen werd over zulkedingen rekensommetjes te maken. Ik heb in totaal in Westerbork ruim 2.000 mensenlevens trachten te redden; met inzet van datgene, wat ik bereid was te geven, al dan niet in een roes verkerende, al dan niet dwaas reagerende in een paniek-situatie, mij zeker niet 'held' voelende, zoals de procureur fiscaal vreest (ik laat dat monopolie graag aan de 'Ausweisen'-procureurs fiscaal's). Ik heb het mijne gedaan. Meer kon ik niet doen. Dat de oorlog daarbij voor velen te lang duurde, kan ik niet helpen. Hij duurde voor vele millioenen te lang.  

            Ik weet, dat al die honderden, die toch nog in Polen zijn terechtgekomen, zij dankbaar zijn geweest voor het uitstel. Iedere dag was, als men het onzekere Polen voor ogen had, een leven waard. Zo zag men het steeds in Westerbork, zo beschrijft Prof. Dresden het ook in zijn boek. Ik heb deze mensen zoveel mogelijk dagen geschonken. Ik had het niet in handen het nog langer te rekken.  

            In het dossier zag ik, dat de procureur fiscaal zelfs ook al tracht te ontzenuwen, dat mijn tweede lijst gedurende twee maanden de Polentransporten stopzette'. Te weten in December 1943 en Januari 1944. Hij liet door de rechercheurs een lijst samenstellen van alle Polen-transporten vanuit Westerbork. Uit deze lijst blijkt overduidelijk dat vanaf half November 1943 tot 25 Januari 1944 geen Auschwitztransport heeft plaats gevonden. 

            Een dergelijke lange pauze is er voordien nimmer geweest. Met de hervatting der transporten na het, "springen" van mijn lijst wordt het kamp geliquideerd, tot op een kleine kern na. Deze liquidatie betrof in eerste instantie de ca. 2.500 ongesperden. Zij had volgens programma in December 1943 en Januari 1944 moeten plaats vinden. Doordat ik allen gesperd hield, kon er geen transport vertrekken. Dat is uit het voorhanden aantal ongesperden duidelijk na te gaan. Eind Januari 1944 kon een transport van ruim 900 personen vertrekken, omdat inmiddels vele strafgevallen waren gearriveerd. Van mijn lijst vertrok toen nog geen mens. Dit gebeurde eerst in Februari 1944. Twee transporten kwamen er toen. Juist die twee transporten die begin December 1943 en begin Januari 1944 hadden moeten vertrekken. En toen was het uit! Want daarna vertrokken alleen nog Strafgevallen of Stammliste, dat wil zeggen de Kommandant-Sperre. Doch wat zegt nu het rapport van de P.R.A. daarover? In December 1942 en December 1943 vertrokken geen transporten wegens de Weihnachtsferien. Wat December 1942 ermee te maken heeft, weet ik niet. Overigens blijkt uit de tabel in het dossier, dat in December 1942 wel degelijk Polen-transporten plaats vonden. Fout of bewuste verdraaiing?  

            Dat men, ter verklaring van de stagnatie in die maanden December 1943 - Januari 1944, in Holland, naar een verklaring zocht, toont reeds aan, dat die stagnatie opvallend was. Voordien trad nimmer een langere stagnatie dan van enige weken in. Eerst na de liquidatie van alle ongesperden kwamen er alleen maar Polen-transporten als er genoeg onderduikers in Westerbork waren binnengebracht, en de Kommandant-Sperre weer voor een nieuwe groep verviel. Daarom viel de stagnatie in December 1943 en Januari 1944 ook op.  

            De plausibele verklaring,de meest voor de hand liggende oplossing, heb ik gegeven. Trouwens, hier is de heer Van Dam gedetineerd, destijds werkzaam aan de Kommandantur en de administratie der transporten te Westerbork. Hij kan verklaren, dat alleen het feit, dat er geen menselijk "transport-materiaal" was, de reden was van de stagnatie. En overigens, waarom zouden wij op dergelijke subjectieve gronden bouwen. Uit de tabel is te zien, dat, indien ik 1.500 personen gesperd hield, er geen anderen waren om naar Polen te worden verzonden. 

            Het 'Sträflinge'-transport van 25 Januari 1944 bevatte bovendien niemand van mijn lijst. Eerst na het springen van de Sperre werd het kamp leeg gemaakt van ongesperden. 

            Tevens werd toen de staf van het kamp, d.w.z. het personeel met de Kommendent-Sperre, dienovereenkomstig ingekrompen. Daarom is de mededeling dat personen op mijn lijst, die óók een Kommendant-sperre hadden, deze verloren na Februari 1944, als zodanig weer onjuist voorgesteld. De zaak is deze: omdat de bezetting van het kamp aanzienlijk werd ingekrompen, verviel de noodzaak van het aanblijven van de voltallige staf personeel, die alle in het bezit waren van de zogenaamde Kommandant-Sperre. 

            Daarom werd een deel van dit personeel eveneens op transport gesteld. Daarbij waren er, die ook op mijn lijst hadden gestaan, doch evengoed ook anderen. En evenzo waren er personen met de Kommandant-sperre die op mijn lijst ook stonden en die niet hun Sperre verloren. Het feit, dat dus de zogenaamd ‘aantastbare’ Kommendant-sperre (aantastbaar wil al zeggen, dat bij geregelde tijden een deel ervan haar waarde verloor) in Februari 1944 werd opgeheven en op dat moment tevens mijn lijst onderging, heeft een enkele naar een verband doen tasten. Doch vòòrdien en nadien vervielen eveneens regelmatig deze aantastbare Kommandant-sperren, en verschillende personen van mijn lijst met een Kommandant-sperre hebben niet de minste last ondervonden. Becker tracht in zijn laatste proces verbaal dat overloopt van ‘gif’, hoewel hij moet toegeven dat hij uitsluitend door mijn 2e lijst en mijn persoonlijk ingrijpen bij zijn Paraguaanse pas, het leven heeft behouden, te suggereren; dat er meerdere personen met Kommandant-sperre na het springen van mijn lijst ook op transport gingen. Zij gingen uitsluitend op transport, omdat door het vertrek van ca. 2.500 personen het kamp aan hun diensten geen behoefte meer had. Zij, die niet op mijn lijst stonden, verloren ten dele ook hun Kommandant-sperre, en na mijn lijst raakten lang niet alle Kommandant-sperren hun Sperre kwijt. Ter zitting kan Mr. Simons verklaren, dat niemand zijn Sperre verloor door mijn lijst, idem Prof. Cohen. De heer Van Dam kan als kampadministrateur tevens verklaren hoe het met de Kommendantsperre was gesteld. Dit alles is van belang, omdat De Gruyter zich waarschijnlijk met alle kracht op dergelijke dingen zal werpen. Wij moeten dan tegen-getuigen hebben. Andere vraagt de president weer: 'Kunt U dat bewijzen??  

            Ik meen voldoende duidelijk te hebben aangetoond, in het voorgaande, dat ik er geen belang bij had de ingeschrevenen van onderduiken af te houden, hetzij direct, hetzij indirect. In mijn ‘opmerkingen over de dagvaarding’heb ik reeds uitvoerig uiteengezet, welk belang, persoonlijk, dwingend belang, ik er bij had, dat de ingeschrevenen juist wel onderdoken. Want iedere niet-ondergedoken ingeschrevene kon in Westerbork arriveren, vandaag of morgen, in ieder geval In een nabije toekomst.  

            En iedere in Westerbork arriverende betekende een signaal aan het Duitse controle-apparaat, zodra hij op mijn Sperre appelleerde, en dat kon mijn einde betekenen. Het was dus mijn grootste eigenbelang, als ik wil afzien van mijn zorg voor het instand-blijven van de lijst en de Sperre, te zorgen, dat de druk te Westerbork niet te groot werd. Want zoals nu ter staving van mijn opgaven, de in Westerbork op mijn lijst geregistreerden het mogelijk maken het totaal aantal ingeschrevenen te berekenen, zo ook bleek toen in de eerste plaats door de Sperre te Westerbork de grootte van mijn activiteit. En ik had alle reden die gering te doen schijnen. Trouwens, iedere aanvraag kon die zijn, die de emmer deed overlopen. Ik wist niet, hoe groot die emmer was. Wie had er dus meer belang bij de mensen uit Westerbork te, houden dan ik zelf? Zelfs al zou ik de beschuldiging van den procureur fiscaal overnemen,namelijk dat ik er een lucratief zaakje aan had, dan nog zou het mijn dringendste belang zijn, te zorgen, dat de ingeschrevenen niet in ‘Sicherheitspolizeilicher Erscheinung’ traden, zoals de term toen luidde. Dan moest ik alles zien buiten welke registratie ook te houden om zelf er het beste bij te varen.  

            Ik moest dus aandringen op onderduiken of andere maatregelen van veiligheid; iedere nieuwe ingeschrevene betekende een nieuw element van gevaar voor ontdekking. 

            Zelfs nadat Koch de Von Rath-jacht hield, dus na September 1942, moest ik met alle geweld zorgen, dat er niet al te veel ingeschrevenen in Westerbork arriveerden, omdat Koch mijn opgave van het aantal ingeschrevenen daardoor zou kunnen controleren en op de idee komen, dat ik hem ook daarmee voor de gek hield. 

            Steeds was het dus juist mijn belang, Westerbork te omzeilen. Daarom mede bereikte ik dat resultaat van de 4x zoveel behoudenen op mijn lijst in vergelijking tot het lands-gemiddelde.    

 

            Ik heb nog een argument: onderduikers meenden steeds, dat zij eerst een vals Persoonsbewijs moesten hebben, voordat zij tot onderduiken konden besluiten. Dat stukje karton gaf de mensen de rust, noodzakelijk om de onbekende gevaarvolle sfeer van het onderduiken te betreden. En tòch was juist dat Persoonsbewijs vaak de aanleiding tot arrestatie. Want voor velen werd de rust van dat stukje karton zo groot, dat zij onvoorzichtig werden, op straat kwamen, de bioscoop opzochten, zwembaden, cafés, treinen en trams, met het gevolg dat zij herkend werden aan hun uiterlijk en dan was het valse Persoonsbewijs waardeloos in 95% der gevallen. De politie en SD. wisten drommels goed, hoe een vals persoonsbewijs te herkennen was of een vervalsing te constateren was. Meestal ging dat bij het eerste onderzoek al en indien er twijfel bestond, dan werd het slachtoffer meegenomen voor nader onderzoek en dan was het pleit eveneens beslecht. Ik raadde zelfs velen af valsepersoonsbewijzen aan te schaffen, omdat deze tot onvoorzichtigheid, tot roekeloosheid, leidden. Doch de Arische gastheren eisten meestal het bezit van de persoonsbewijzen, al was het vals, want dan waren zij gedekt in geval van arrestatie der Joden. Dan konden zij zeggen: 'wij hebben een persoonsbewijs gezien, en namen aan, dat dat goed was;wij zijn ten slotte niet opgeleid in het herkennen van valse persoonsbewijzen. En inderdaad werd een dergelijk verweer meestal als verzachtende omstandigheid aanvaard. Derhalve: het was noodzakelijk een vals persoonsbewijs te hebben, wilde men gaan onderduiken. Doch het was gevaarlijk speelgoed, want het verleidde tot onvoorzichtigheid, men voelde zich zonder reden ineens te veilig. Men vergat, dat de speurende politie of verradelijke buren niet naar het persoonsbewijs doch naar het uiterlijk en de gebaren der betrokkenen oordeelden. En was dat oordeel eenmaal geveld, dan hielp dat papiertje niet veel meer. In deze papieren wereld geloofde men te snel in zijn eigen papier en bouwde op dynamiet. 

            Toch zal niemand de vervaardigers en verschaffers van valse of vervalste persoonsbewijzen willen beschuldigen, door het vervaardigen en ter beschikking stellen van deze papieren vele personen in de verleiding gebracht te hebben de nodige voorzichtigheid uit het oog te verliezen. De mensen kregen, datgene wat noodzakelijk was om te kunnen onderduiken. Hoe zij zich daarna gedroegen was hun eigen zaak. Dat zeker enige duizenden onderduikers werden opgehaald als gevolg van hun eigen onvoorzichtigheid, een onvoorzichtigheid die voortvloeide uit het te sterke geloof in de macht van het vervalste papiertje, zal niemand de vervaardigers van de persoonsbewijzen in de schoenen willen schuiven. Zij deden, vaak met levensgevaar, datgene wat nodig was. Hoe die anderen dat gebruikten was een punt, dat op geheel ander terrein lag. 

            Ik gaf de mensen de Sper-verzekering. Zouden zij eventueel te Westerbork terecht komen, dan hadden zij een Sperre en konden rondzien naar iets anders. Meerdere verklaringen, door U aan het dossier toegevoegd, melden dit argument. Het gold ook bij de tweede lijst, waar het inschrijvende onderduikers betrof (zie verklaring Van der Heim). Zeer velen kregen een gevoel van verademing, nu zij wisten, dat zij, mochten zij in Westerbork terechtkomen, daar niet meteen door zouden gaan naar de hel van het ongewisse, naar Polen, doch dat zij zich in Westerbork op hun gemak zouden kunnen oriënteren wat betreft hulpmiddelen om voorlopig niet naar Polen te hoeven vertrekken. 

            Nu kan niemand toch zeggen: omdat die mensen nu die Sper-verzekering en een eventuele emigratie bovendien, voor ogen kregen, werden zij onvoorzichtig en lieten na op hun veiligheid te passen. Dat moest iedereen zelf weten. Ik zelf had alle belang erbij dat zij niet vastliepen, want wie weet welk gevaar dan voor mij dreigde, door ontdekking van het spel. Evenzo had de vervaardiger der valse persoonsbewijzen er belang bij, dat zijn cliënten niet vastliepen, want wie weet, verried hij dan de leverancier en deze weer de zijne, zodat soms gehele organisaties in gevaar kwamen. De mensen kregen van mij iets, dat hen in geval van gevaar veilig kon stellen. Zij het dan steeds 'bis auf Weiteres'. Moesten zij daarom roekeloos worden? Dat is toch al te dwaas geredeneerd, en als zij roekeloos werden, dan was het hun eigen zaak. 

            Ik kom hier op een punt, dat ter zitting mij steeds weer opviel. De president vroeg herhaaldelijk aan de getuigen à charge, aan de hand natuurlijk van hun proces verbaal,: 'Zoudt U ook betaald hebben, indien U geweten had, dat de emigratie fictief was?' Natuurlijk zou niemand betaald hebben, indien hij het voornemen had om te emigreren en geweten zou hebben dat hij langs deze weg niet zou kunnen emigreren. Deze vraagkon natuurlijk nooit anders dan met 'neen' worden beantwoord. De vraag had echter moeten luiden: 'Zoudt U ook betaald hebben, als U wist dat U daarmee een Sperre kreeg, indien U eventueel in Westerbork zoudt terecht komen?' Of: 'Zoudt U ook betaald hebben als U wist dat er geen emigratie doch alleen een deportatie-Sperre daarmee werd beoogd?' Want deze Sperre kreeg iedereen, of hij er al dan niet gebruik van maakte. De vraag van den president was begrijpelijk met het oog op het afnemen van geld onder valse voorwendsels. Doch de zaak was zo niet. Al die mensen die nu verklaren, destijds reeds volledig getwijfeld te hebben aan de trein, schreven destijds niettemin toch in of bleven in ieder geval ingeschreven en vroegen hun geld niet terug. Er waren destijds zeker niet meer den een 30 à 40 personen, die hun geld terugvroegen, om verscheidene redenen, en iedereen kreeg het prompt terug. Alleen al van misdadig standpunt gezien zou ik iedereen het geld hebben teruggegeven die dit vroeg, omdat ik zoveel kon krijgen als ik wilde en dit terugbetalen de serieuziteit der zaak zou verhogen. Doch juist al die personen, die verklaren nagenoeg overtuigd te zijn geweest, dat die emigratie dwaasheid was, betaalden en bleven ingeschreven. (B.v. Lange, Mogendorff, Blik, Kallusz.) Verschillende ervan schreven zelfs bij de 2e lijst voor de 2e maal in. Toen wisten zij toch, dat de le lijst niets was geweest wat betreft emigratie. Mogendorff had zelfs al ontdenkt, dat die hele Schumann niet bestond. En niettemin betaalden zij voor de 2e maal, althans verklaarden zij zich bereid om te betalen en schreven zij in. Toch niet voor de emigratie, die een fictie was gebleken? Neen, zij schreven in, omdat gebleken was, dat ik 'iets' had met de Duitsers.  

            Wat, wist weliswaar niemand, doch dat 'iets' had een Sperre opgeleverd, op een schaal als nagenoeg geen anderen, en dat 'iets' bleek weer wonderen te doen. Daarom schreven zij in, de le maal en de 2e maal en daarom betaalden zij. Zij verklaarden immers reeds zelf, dat de emigratie hun fantastisch voorkwam en dat zij merkten, dat ik mij versprak of loog.  

            Gudema, die in zijn proces verbaal aan de P.R.A. verklaart, dat de le lijst, waarop hij ingeschreven had, een zeer slechte indruk op hem had gemaakt, stuurt den pastoor speciaal naar Den Haag om nog eens op de 2e lijst in te schrijven. En alleen Gildemeester's vraag om het onderduikadres op te geven, deed hem afzien van een 2e inschrijving.

            Dit alles wijst erop, dat het niet de fictieve emigratie was, die als vraag gesteld moet worden, doch het gehele complex. En dan kan de getuigen hun eigen proces verbaal + hun eigen houding destijds, worden voorgehouden. Zij betaalden dus bewust voor iets en bleven bewust ingeschreven voor iets, waarbij de emigratie zij het dan niet 'nul' dan toch 'bijna nul' was. Zoals zij zelf nu nog mededelen en toen dagelijks mij en anderen zeiden."  

            Verder zegt het requisitoir, dat ik 'misdadig spel met mensenlevens' had gespeeld. De lijst heeft voor geen der ingeschrevenen last of ongemak meegebracht. Dat is voldoende gebleken en wordt mij ook niet ten laste gelegd. De procureur fiscaal doelt hier op de indirecte invloed, namelijk het niet-onderduiken.  

            Nu, dat heb ik in het voorgaande reeds voldoende duidelijk gemaakt. De enige mensen-levens waarmee ik gespeeld heb, waren die van mij en mijn gezin. Daar heeft het inderdaad drie slachtoffers gekost. Ik had kunnen onderduiken, zoals honderden anderen van de lijst deden, ik had het zeker kunnen doen na September 1942, toen Koch mij onder controle had en ik de 'buit' aan financiën reeds binnen had. Het blijven van mij kostte ons huis drie levens.  

            Ik maak er niemand een verwijt van, want ik vond het uiteindelijk nog erg meegevallen. Doch indien men spreekt van: 'als niet omstandigheid A was geweest, dan ... ', dan heb ik in de eerste plaats recht daarop te wijzen. De lijst kostte niemand het leven, daarvoor heb ik goed genoeg gezorgd en daarvoor moest ik Koch de huid volliegen, zoals Mej. Peeren mij nog verwijt. Ik weet, en dat weet U nu ook wel, dat slechts één lijst-arrestatie op of na 19 Januari 1943 nu zou zijn uitgedijd tot een massale S.D.-actie tegen de lijst-ingeschrevenen. Juist de volkomen rust op dat gebied, ondanks alle verklaringen over mijn 'verraad', toont aan dat daar niets is gebeurd. 

            Zonder in zelfverheerlijking te willen vervallen, zoals de procureur fiscaal meent mij te kunnen verwijten, meen ik toch met recht te kunnen wijzen op deze prestatie: gearresteerd door de S.D., die wild is wegens de met haar gespeelde comedie, in zijn hoofd hebbend alle namen en adressen, wetend dat hem mededeelzaamheid zeer zou kunnen helpen wat betreft het ontgaan van mishandelingen, en dan toch het kunnen klaar spelen, dat niemand en dan ook niemand genoemd wordt. Dat ik daartegenover iets welwillender moest zijn met het verstrekken van inlichtingen over de aard der verpakking en de wijze van overdracht, de datum van overdracht, etc., van gelden beheerd door toch reeds gearresteerde personen, moet mij daarom niet meer voor de voeten worden geworpen. Ik moet nog de persoon ontmoeten die mij vertelt, hoe ik het dan moest doen. De procureur fiscaal komt daarop met zijn taxatie van het aantal ingeschrevenen, te weten ca. 7.000. Ik, heb er reeds over gesproken. Van die 7.000 waren er tot het opheffen van de 1e lijst in Januari 1943, 500 à 600 in Westerbork aanwezig of gearriveerd. Dus meer dan 90 % niet, terwijl toen van het gehele Nederlandse Jodendom nog geen 40 % meer buiten Westerbork of Auschwitz was. Dat zal de procureur fiscaal toch nooit en nimmer willen toegeven!  

            Hoe komt de procureur fiscaal aan zijn schatting, die hoger is den welke ook van de getuigen à charge? Door de mededelingen van deze getuigen à charge, dat er zeker wel duizenden waren ingeschreven, omdat zij zoveel mensen kenden die het waren en dus concludeerden, dat er dan nog veel meer moesten zijn. Nu, geen mens kon het weten, want alleen ik kon alles overzien, en daarnaast alleen mijn naaste medewerkster, Mej. Kerz, en die is er niet meer. Iedereen kon alleen maar schatten, gissen, oordelen naar de massa's, die aan de deur kwamen, naar de stapels brieven, e.d. Maar hij kon slechts van een betrekkelijk kleine kring weten, of zij al dan niet waren ingeschreven. Want enigszins verder afstaanden lieten niet los. Velen zullen verteld hebben 'op de lijst' te staan, omdat dit een cachet verleende en anderen de ogen uitstak, hoerwel ze ten hoogste door mij waren genoteerd op een wacht-reserve-lijst. Of omdat zij daarmee zich een positie op ander gebied wilden verschaffen en een zogenaamde lijst-lidmaatschap als aanbeveling gebruikten. Het gerucht was groot, doch wat ten slotte onder vier ogen werd bepaald en besproken weet niemand. Het zijn dus alle verklaringen 'van horen zeggen' of van ruw schatten op een gebied waar helemaal niet geschat kon worden, omdat niemand de ware achtergrond en de bedoeling van alles kende, en niet wist, welk een angst ik had om door een teveel aan ingeschrevenen bij de Duitsers vast te lopen. Men snapte niets van de hele zaak en maakte daarom in het duister van tien, honderd en van honderd, duizend. Het vele gerumoer om de lijst leidde vanzelf naar de grote getallen. 

            En op deze gegevens, van mensen die zelf beweren, slechts te schatten in een voor hen duistere zaak, bouwt de procureur fiscaal zijn getal.   

            Maar reeds de 600 personen in Westerbork logenstraffen afdoende deze cijfers van den procureur fiscaal.  

            Neemt men eenmaal het getal van duizenden ingeschrevenen als fantasie aan, dan vervalt ook het punt, dat ik 'zeker wel enige tonnen' zou hebben geïncasseerd. 

            Niemand kan bewijzen, dat ik meer heb geïncasseerd dan de genoemde f. 45.000.-- aan inschrijvingen van f. 100. --. Zoals in mijn geval op ieder gebied de meest fantastische dingen werden gezegd (ik denk aan het 'kanalenplan', de generaals, en, 'economische gegevens') en worden gezegd (ik verwijs naar Kornmehl met de f 7.500.- van Gurfein, naar Meyer met de juwelen van Bloemkoper, naar Van Laar met de duizenden guldens van zijn ouders, een dergelijke) zo ook is hier de neiging om te overdrijven en te fantaseren. Ik wijs op de vele verklaringen, dat ik gratis mensen aannam, op de vele welgestelde personen, die niet meer dan f. 100.- betaalden; dit alles wijst toch ook in de richting van mijn totaalgegevens.  

            Over de ruiltransacties schreef ik reeds. Bij deze gelegenheden had ik het geld meestal zelfs niet eens een halve dag in handen, gewoonlijk zag ik alleen het overhandigen aan de ander. Het voorval-Levie, dat in November 1946 mij werd voorgelegd, toont aan, dat ik daar juist was. En niemand kan aantonen, dat ik meer had gekregen, alleen insinueren kan men dat.

            Het volgende punt, punt IV, zegt, dat 'betaling voorwaarde en hoofdzaak' was. Ik wijs op het resultaat van het onderzoek naar mijn vermogenstoestand door den Raadsheer-Comissaris, dat door verschillende getuigen ter zitting nog kan worden aangevuld en uitgebreid. Ik wijs ook op het krankzinnige, om, als men toch over voldoende middelen beschikt, tot een dergelijke levensgevaarlijke wijze aan geld trachten te komen. Drs. Van Creveld zegt reeds in zijn verklaring, dat ik dan toch wel handiger aan geld had kunnen komen. Tien Mogendorff's, die uiterst gemakkelijk waren te vinden, en ik was binnen geweest. Dan de benen nemen onder het motief dat de 'Moffen' de zaak saboteerden, en er zou geen haan naar kraaien. Dit had zich alles binnen enige weken kunnen ontwikkelen. Ik kon toch destijds als econoom met mijn relaties vele malen gemakkelijker aan geld komen dan lange de weg van de briefjes van honderd, die Jan en alleman kon en moest zien, en die, als er wellicht eens een briefje van tafel was gevallen, verhalen in de hand werkten van over de grond slingerende bankbiljetten. Als het soms een rommel was, thuis, dan kwam dat omdat in mijn woonhuis dagelijks ca. honderd personen in en uit waren gegaan, ca. 10 vreemde personen, zaten te eten, omdat er elders niets meer voor hen was, brieven en telegrammen bij tientallen dagelijks in en uit werden gebracht, etc. etc. Wie presteert het een dergelijke activiteit te verwerken in een woning van één verdieping met 4 kamers? Met een vrouw en 4 kinderen, een inwonende schoonzuster en grootvader, daar tussendoor. Minstens 8 à 10 conferenties met medewerkers, met Joodschen Raad, eveneens daartussendoor, eten en slapen daartussendoor. Wie zou er naast al het andere nog op zich hebben genomen, van zijn woning een zodanig 'gekkenhuis' te maken. De zenuwen van mijn vrouw en kinderen gingen eraan te gronde. Bij mijn weten heeft er nooit geld op de grond gelegen en heb ik nooit van het geld van de lijst 'voor de huishouding' afgehaald. Dat zou ik alleen al 'om het gezicht' niet doen. Het is mogelijk, dat ons meisje, dat evenals alle anderen ingeschakeld was in de lijsten-lawine, eens f. 50.- heeft weggenomen met mijn goedvinden of met dat van mijn secretaresse, om iemand iets terug te betalen in verband met zijn inschrijving. Doch niemand kan en mag beweren dat dat geschiedde om huishoudelijke uitgaven te bestrijden. Ik bezat daarvoor genoeg eigen middelen. Dat ik zelf het geld vaak, zomaar in mijn portefeuille stak, is juist. Men kent mijn geheugen. Ik weet nog heden van de meesten wat en wanneer zij betaalden. Dat wist men toen ook. En ik deed het voor ieders ogen. Zou ik kwade bedoelingen hebben gehad, dan zou ik niet zo naïef voor ieders ogen hebben gehandeld, doch 'pro forma' alles netjes in een aparte kast hebben gedaan om na afloop de buit op te strijken. Dan zou ik een dergelijk verhaal als dat van Mogendorff nu niet hebben gehad. Doch ik was te goeder trouw en deed het voor ieders ogen. Evenals ik vaak de gegevens der personen mij eenvoudig liet noemen en meedeelde dat ik het dan al wist en later wel op de goede lijsten zou noteren. Men vertrouwde daarop en de practijk met de Sperre of met andere aanvragen, bewees, dat ik ook steeds prompt wist wat ik in mijn geheugen had genoteerd. Daarom maakte toen ook niemand aanmerkingen, zelfs niet de meest trouwe vrienden, die toch zeker vrij-uit met mij konden spreken. 

            Hoe nauwkeurig ik alles in mijn geheugen bijhield en hoe precies ik dat ook weergaf in mijn verslagen, blijkt uit een verklaring van Kupferschmidt in het laatstedossier der P.R.A. Daar vertelt hij dat hij f. 10.000.- had betaald voor een Sperre voor familieleden van hem, die al als Strafgeval te Westerbork verbleven. 

            Deze transactie vond plaats door bemiddeling van den heer H. Driessen. Deze kan ook verklaren, dat ik f. 100.- kreeg voor de Sperre op mijn lijst, zoals voor ieder ander geval, en dat de f. 10.000.- dienden om een andere Sperre naast de mijne te verkrijgen, waarvoor ik dan weer via mijn relaties zou trachten mijn best te doen. Ik kreeg echter niet meer de kans deze onderhandelingen, die ik met Aus der Fünten moest verrichten, tot een einde te brengen, daar ik inmiddels gearresteerd werd. 

            Maar hoe precies mijn administratie en mijn opgaven zijn, blijkt wel uit een bestudering van mijn 1e verslag, waar ik opgeef, op blz. 65. van mijn exemplaar, in de noot, dat het geld bij Van Maanen, dat in totaal f. 25.000.- bedroeg, slechte voor f. 15,000.- lijstgeld was en voor f. 10.000.- een andere bestemming had. Op het bewuste krantenstrookje stond bij Van Maanen (zie blz. 61) 15 (+ 10 Kpf.). Dus alweer blijkt daaruit, dat met die f. 10.000.- iets bijzonders een de hand was, dat niet met mijn lijst te maken had. En in de bijlagen, waar ik een en ander nog nader uiteenzette, beschrijf ik vrij uitvoerig, deze affaire-Kupferschmidt, met vermelding van de naam. (Voorlaatste en laatste blz. der bijlagen tot het eerste verslag). Tevens vermeld ik daar reeds dat Kupferschmidt mijn Sperre al had en deze f. 10.000.- bestemd waren om een andere, Sperre te krijgen. De Puttkammer Sperre zou in dit geval, voor 2 personen, f. 40.000.- hebben gekost. Ik had hoop, om via Aus der Fünten, door hem met mijn lijst te lijmen, het voor f. 10.000.- gedaan te krijgen. Ik kon niet vermoeden. dat er nog een Kupferschmidt in leven was. Tot Juni 1947 hoorde ik ook niet van zijn bestaan. Toch gaf ik precies op hoe de vork in de steel zat, en verantwoordde dit bedrag en de aantekening op het strookje dat de S.D. via Kees Klootwijk vond. Kupferschmidt reageerde ook niet, tot na de kranten-campagne. Pas toen hij daar las, welk een schurk ik was, kwam hij met zijn verhaal, dat hij meende te moeten aandikken met verhalen over signalementen, die hij naar Zwitserland had gegeven, om vooral indruk te maken. Dat hij in de daarvoor liggende twee jaar, hoewel hij natuurlijk gehoord heeft, dat ik vastzat, niets tegen mij heeft ondernomen, bewijst wel, dat hij zelf helemaal niet zo overtuigd was van mijn verdorvenheid. De procureur fiscaal hielp hem echter uit de droom met de pers-campagne. Na ruim twee jaren komt hij met dat verhaal. Doch ik had allang dat bedrag verantwoord en de heer Driessen kan getuigen, dat het was om een andere Sperre, naast de mijne. De aantekening op het strookje, in Januari 1943, toont ook aan, dat deze f. 10.000"- niet voor mijn lijst waren bestemd. Voor mij zou het hetzelfde zijn geweest ook nog deze f.10.000.- als lijstgeld te noteren, en de f. 25.000,- bij Van Maanen als lijstbetalingen op te geven. Doch ik houd nu eenmaal van orde en reeds destijds en later in mijn verslag gaf ik het juiste relaas. Ik meen, dat dit détail, dat nu nog, via Driessen kan worden gecontroleerd, (ik hoop, dat hij het zich herinnert), evenals het détail met de 2 bakkers van Mr. Levie, voldoende aantoont, dat mijn opgaven nauwkeurig zijn.

            De wanorde thuis, was een wanorde, opgeroepen door de massale belegering wegens de lijst en de grote Joden-nood in Scheveningen en Den Haag. Voordien was mijn huis een toonbeeld van orde, hoewel er steeds zeer velen in en uit liepen. Dr. Mees, die ons vaak bezocht, kan getuigen, dat vòòr de oorlog mijn huis niet minder ordelijk was dan welk ander ook. Idem Schut, die ons in de eerste oorlogsjaren eveneens herhaaldelijk bezocht. Inderdaad, niemand zou het in zijn hoofd halen, naast alle andere ellende, ook nog zijn privé-woning tot gekkenhuis (of Polische Wirtschaftt, zoals de veekoopman Mogendorff honend zegt) te promoveren. Dat was alles dus 'om er wijzer van te worden'.  

            Maar de drommen mensen, het denkbeeld dat al die mensen honderd gulden achterlieten (velen kwamen wel tien keer, doch dat kon de toevallige toeschouwer, die ze voor de eerste keer zag, niet weten), het feit, dat men inderdaad briefjes van honderd waarnam, dat alles werkte zo suggestief, dat velen mij benijdden met dit goudmijntje. Dat deze mijn door zeer explosief dynamiet werd gegraven, en dat ik zelf al voldoende goud bezat en andere 'mijnen' had die helemaal geen gevaar opleverden, wisten vele buitenstaanders niet. Wellicht zou iemand in een desperado-stemming, die alle bruggen achter zich verbrand ziet, en op het punt staat met zijn gezin om te komen van geldgebrek een dergelijke dwaze weg hebben gekozen om aan geld te komen. Hij had veel ongevaarlijker in de zwarte handel kunnen gaan en zou nu wellicht ‘een gevierd man’ zijn geweest. Van iemand met mijn capaciteiten en relaties en vermogen te veronderstellen, wat de procureur fiscaal in punt IV doet, is waanzin. Voldoende verklaringen in het dossier schetsen mij als een geheel andere persoon. Deze verklaringen zijn van personen die mij sedert jaren kenden en die niet verblind werden door de 'f. 100.- storm' bij de lijst, zoals zovelen, die mij voordien niet kenden en mij voor het eerst ontmoetten, temidden van een op een gekkenhuis lijkende janboel van tientallen zenuwachtige Joden, huilende kinderen, betalende mensen. Allicht moesten deze denken, dat ik of wel een geniale wonderdoener was of wel een schurk. Ik ben geen van beide. Zij, die mij uit rustiger tijd kenden, en zij die mij nu hier kennen, weten dat ik een gewoon mens ben en dat ik gewoon, wellicht naar Nederlandse maatstaven van bezadigdheid wat te impulsief, reageer, doch dat ik geenszins die extreme figuur ben, die het lijsten en Sperren-offensief voor korte tijd voor buitenstaanders mij deden schijnen.  

            Personen, als Mogendorff, Lange, Gudema, Van Eersel, Becker, e.d. leerden mij eerst door en met de lijst kennen. Temidden van intense spanning, van wanhopige Joden, van een huis, dat als centrum diende voor deze actie, waar duizenden direct en indirect bij waren betrokken. Daarom hun oordeel: ‘wij wisten niet, wat wij aan die vent hadden. Hij leek wel gek, maar het is ook mogelijk, dat hij een genie was’.  

            Doch zij, die mij van vòòr 1942 kenden, dus bij voorbeeld H. v. Leeuwen, Drs. Vleeschhouwer, J. Goldschmidt, Opperrabbijn J. Tal. Mevr. Kollmann, Grille, Birnbaum, Mr. de Haas, Levisson, e.d., deze verklaren allen, dat ik alleen met goede bedoelingen heb kunnen handelen en met eerlijke motieven, omdat zij mij kennen en weten wie ik ben.  

            Zelfs zijn er personen, die, hoewel zij mij in dwaze omstandigheden, omringd door het generaalswaas, voor het eerst ontmoetten, toch nog, door nader contact, tot het inzicht kwamen, dat ik toch niet gek was of geniaal of misdadig. Ik noem Drs. Van Creveld, L. Wijler, Rabbijn Vorst, Van der Heim, N. Goldstein, Durlacher, Simons, Hes, e.d.  

            Laat men daarom eens rustig nagaan, wie het zijn, die nu menen een ontdekking te hebben gedaan. Dan zal men zien, dat er niemand bij is, die mij van vòòr de lijst kende, dat juist zij, die mij van vroeger kenden, volkomen overtuigd zijn van mijn goede trouw en onkreukbaarheid. Deze overtuiging baseren zij op een uitgebreide practijk. Want reeds vòòr de oorlog was ik op Joods sociaal en religieus gebied zeer actief.  

            Een rustige beschouwing op dit punt zal tot een bezonken oordeel leiden en dan vrees ik d.e conclusie niet. Ik ken mijn fouten. Op dit gebied liggen zij evenwel nagenoeg niet.  

            Onder V zegt de procureur fiscaal, dat 'uiteindelijk resultaat van de lijsten is geweest, dat de ingeschrevenen vrijwel allen toch op transport zijn gesteld.         

            In de eerste plaats is dat niet juist. Honderden zijn behouden gebleven, waarvan zeer velen zonder het oponthoud dat de lijst verschafte, zeker zouden zijn omgekomen.  

            Ik heb hiervòòr al aangetoond, dat het er niet om gaat, wie de laatste hulp bood, doch evengoed wie de eerste, want zonder deze eerste was de laatste niet mogelijk geweest. Zeer vele verklaringen, alsmede mijn controleerbare gegevens, tonen aan, dat zeer velen wel behouden bleven.  

            Maar zelfs al zou de procureur fiscaal gelijk hebben met zijn 'vrijwel allen', ook dan nog bleef mijn werk en de eventuele waardering hiervoor van even grote betekenis. Het gaat om mijn intentie en mijn daad. Hoe de, niet door mij te controleren omstandigheden, namelijk de duur van de oorlog, uiteindelijk het lot van de slachtoffers zou beïnvloeden, is iets wat geheel buiten mij omgaat. Ik was, zoals Krom in zijn rapport aan de procureur fiscaal schreef, de man, die het slachtoffer boven water hield. Of de hulp van de wal bijtijds kwam, lag niet aan mij en het te laat komen van die hulp kan moeilijk mij worden verweten. Men zegt ook niet aan een chirurg, die een patiënt door een operatie in leven heeft gehouden: ‘zie je wel, het gaf toch niet,’ als het slachtoffer thuis door een bom wordt getroffen. De daad van den chirurg blijft dezelfde.  

            De parachutisten ven Arnhem waren niet minder in hun daad, nu zij ‘uiteindelijk’ daar toch het onderspit dolven. Het is dwaas, iemand de schuld te geven als iets, door omstandigheden geheel buiten hem om, mislukt. Geef Roosevelt de schuld, dat hij vòòr Hitler stierf!

            Maar nogmaals, dat feit doet zich hier niet eens voor. Velen, honderden, werden door de lijsten juist wel behouden.

            De procureur fiscaal wil nu verder strafbaar stellen, dat ik A, B en C onder bedrieglijke voorwendsels geld uit de zak klopte om daarmee D, E en F te helpen en hen zelf op andere wijze dan zij zich voorstelden.

            Daar stel ik tegenover de aanval op een distributiekantoor, die A, B en C levensmiddelen afnam voor veel grotere bedragen dan in mijn geval een rol speelden, om daarmee D, E en F te helpen, terwijl A, B en C zelfs niet op andere wijze geholpen werden doch helemaal niet. Waarbij daartegen vaak G, H en I werden gegrepen en zelfs gefusilleerd. Zou ik dat gedaan hebben, dan zou mijn misdadig spel met andermans leven zijn ten laste gelegd. De afrekening der overvallers van de besteding der geroofde bonnen is nooit geschied. Hoeveel ten eigen bate of in de zwarte handel verdween, is slechts te gissen.  

            Doch bovendien is het niet waar, dat A, B en C niet dat kregen, waarvoor zij betaald hadden. Ik bestrijd deze voorstellingswijze als volkomen in strijd met de werkelijkheid zijnde. A, B en C kregen niet voor volle 100% dat, waarvoor zij betaalden, doch zeer zeker kregen zij in ieder geval datgene waarop zij redelijker-wijs konden en wilden rekenen, te weten de Sperre. Ik wees er reeds op, dat de meeste personen, die nu verklaringen à charge of wel à decharge aflegden, meedelen, dat zij de emigratie zeer onwaarschijnlijk achtten en er van het begin af aan niet aan geloofden. Daartegenover staat, dat bijna al deze verklaringen er op wijzen, dat de Sperre wel degelijk een feit was en dat velen verklaren door deze Sperre er het leven te hebben afgebracht. 

            Verder betaalden A, B en C niet om D, E en F er een pleizierige dag mee te verschaffen. Voor A, B en C betekende de betaling practisch geen opoffering. De f. 100.- waren voor de massa in die dagen, waar de Joden in één slag alles kwijt konden raken en ook kwijt raakten, practisch niets. Zij, die meer betaalden, waren bekend als zeer vermogend. De f. 500.- of f. 600.- per persoon, die zij betaalden (ik wees er reeds op, dat de f. 5.000.- of f 7.500.- voor gehele groepen betaald waren, zoals de betrokkenen zelf ook meedelen),. waren voor hen eveneens van geen betekenis. Daar stond tegenover, dat A, B, C . ... tot en met Z er een Sperre door kregen, die meer betekende dan geld, want het kon het hele leven betekenen. En D, E en F die als onderduikers of onvermogenden gelden of papieren voor het geld van A, B en C ontvingen, kregen daarmede iets dat voor hen op dat moment eveneens levensbehoud betekende. Het ging dus om geld dat voor A, B en C een relatief geringe opoffering betekende, tegenover levens van D, E en F, welke iedere materiële opoffering aan de andere zijde waard waren geweest.  

            Ik geloof, dat voor zulk een geval, dus afgezien nog van het saboterende karakter dezer, op illegale wijze verkregen Sperre, juridische strafbaarheid een zeer vreemd figuur zou slaan. Is iemand, die, om in gevaar verkerende mensen uit een brandend huis te redden, strafbaar, indien hij voor dit doel de ruiten inslaat?   

            De procureur fiscaal wil niet aannemen, dat ik de lijstgelden plus nog een deel van mijn eigen middelen heb gebruikt voor steun aan onderduikers en dergelijke. Hij moet dat echter kunnen aantonen. Door zo maar wat te zeggen, kan hij wel stemming wekken, doch meer niet. Hij wilde ook niet geloven, dat ik vòòr het begin van de lijst eigen middelen van enige omvang bezat. Het onderzoek van den Raadsheer-Commissaris kan vrij gemakkelijk aantonen, dat ik wel degelijk op dat punt de waarheid heb gesproken. Verdere getuigen zullen dat punt nog verder te mijnen gunste ophelderen. Van meerdere zijden is bevestigd dat ik veel deed voor onderduikers. Ik gaf in mijn verslag namen en bedragen op. Ook deze zijn te allen tijde te controleren, zoals de eveneens daardoor mij verstrekte gegevens over mijn eigen middelen. 

            Het bedrag van f. 45.000.- is niet te laag. Evenzo – nee, nu het geld betreft, in nog veel grotere mate - als het aantal ingeschrevenen fantastisch wordt overdreven, zoals ik in het voorgaande met behulp van concrete gegevens reeds afdoende aantoonde, evenzo wordt het door mij geïncasseerde bedrag astronomisch vergroot. Op geen enkele concrete wijze kan de procureur fiscaal aantonen, dat ik meer dan f. 45.000.- ontving, aan betalingen van f. 100.-. Aan ruiltransacties bemiddelde ik voor een bedrag van ca. f 30.000. -, doch dit geld werd direct besteed voor de daarvoor genoemde families, en werd niet door mij beheerd voor de grote hoop. In totaal is er dus voor ca f. 75.000.- door mijn handen gegaan of wel door mijn invloed van eigenaar verwisseld, en meer zeker niet. Aan de hand van fantastische verhalen à la Kornmehl, wil de procureur fiscaal mijn gegevens in twijfel trekken. Kornmehl vertelt in één adem dat hij in Nov. 1941 naar Engeland uitweek en tevens details over de lijst en over betalingen hiervoor, die in de loop van 1942 vielen. Op dergelijke geruchten bouwend is alles te bewijzen. Ik bewijs aan de hand van bestaande personen en van directe gegevens en niet van 'horen zeggen' of zelfs via personen die niet eens in Nederland waren tijdens de lijst-actie. Dan zegt de procureur fiscaal, dat uit talrijke verklaringen aanwijzingen zijn te putten, dat ik belangrijk profijt van de lijstgelden zou hebben getrokken, waarbij onder andere op mijn zogenaamd royale levenswijze, in 1942 begonnen, wordt gewezen.  

            Er is echter niet één verklaring, die komt van iemand, die mijn levenswijze in 1942 kan vergelijken met die voordien. Van Maanen leerde mij in 1942 kennen, Eekhout idem, etc. Kanner beroept zich op De Vries, die hem zogenaamd het een en ander zou hebben verteld. Doch Kanner vertelt ook van Stiel Jr. iets dat zijn schoonzuster, Mevr. Stiel ter zitting op vragen van den President, meteen radicaal torpedeerde en Kanner weet ook van mijn grootvader iets te vertellen, ook al op grond van veronderstellingen, dat kant noch wal.raakt. Zoals ik nu aan de hand van getuigen ook heb bewezen en verder kan bewijzen. 

            Er is niet één verklaring in het dossier, die hierover iets concreets kan zeggen. Slechts op geruchten in verband met de f. 100.- lawine baserende verdachtmakingen. De kip en de wijn, die als religieuze ingrediënten voor onze feestmaaltijd een heel enkele keer op tafel kwam, werden door enige personen waargenomen, die nu een houvast meenden te hebben voor hun al lang in hun binnenste gekoesterde overtuiging.  

            Integendeel. Ik leefde in 1942 niet zichtbaar anders dan in 1941 of 1940. Mijn vaste bezoekers en kennissen en vrienden kunnen dat getuigen en zullen dat ook doen. Er vallen in 1942 geen persoonlijke uitgaven op een schaal, groter dan in vorige jaren. Kleermaker, noch kruidenier, noch bakker leverden meer. De eerste zelfs minder. Slechts mijn uitgaven ten behoeve van onderduikers en andere hulpbehoevenden. Waren enige honderden procenten hoger. Mijn schoonouders in Frankrijk, kregen f. 5.000.- in 1942 toegezonden, mijn schoonzuster f. 2.000.- Daarnaast kregen geheel vreemden en kennissen en vrienden veel meer, uit mijn eigen middelen. 

            Als de procureur fiscaal nu eens één verklaring wilde opgeven van iemand die mijn huishouding met eigen ogen heeft kunnen gadeslaan en die een vergelijking kan maken met vroeger jaren. De Joodse Sabbath-kip is een bekend verschijnsel dat niet-Joden geheel ten onrechte van oudsher de ogen uitstak. Onze werksters vòòr de oorlog reeds mompelden over de rijkdom om 'kippen' te eten. De uitgave voor dit doel is een kwestie van dubbeltjes meer dan voor iets anders. Het vreemde van het verschijnsel en het vreemde van een Joods huishouden wekken bij buitenstaanders echter nu eenmaal altijd voorstellingen op van verborgen schatten en grote genoegens. Zij waren in andere landen vaak voorwendsel voor progroms. Hier getuigen Van Maanen en Eekhout van hun opmerkingsgave. Mijn getuigen, die mij langer kennen en de omstandigheden van mijn huishouden kunnen overzien, zullen wel meedelen, wat van de verdachtmakingen overblijft.  

            Den maakt de procureur fiscaal een grote blunder, voortvloeiende uit het feit, dat hij over dingen spreekt, die hij niet kan overzien, doordat hij niet in Nederland vertoefde in de oorlogsjaren. Hij vindt het namelijk opvallend, dat ik juist in 1942 ben begonnen waardepapieren, geldsbedragen en goederen bij anderen onder te brengen (begin 1943, dat hij ook noemt, is fout. Begin, 1943 werd ik al gearresteerd en toen was alles al lang bij iedereen ondergebracht.) Nu, wanneer had ik het dan moeten.doen als niet in 1942. Vòòr 1942 werden de Joodse vermogens ongemoeid gelaten. Begin 1942 begon de inventarisatie der Joodse huizen door Lippman & Rosenthal en kwamen de maatregelen betreffende de Joodse vermogens. Prompt begonnen de Joden toen in grote getale hun vermogens en bezittingen bij niet-Joden onder te brengen. Dat alles viel tussen Maart en Augustus 1942. Allicht deed ik toen hetzelfde. Welke reden was er dan toch om dit vòòrdien te doen? Niemand deed dit vòòr 1942. In de eerste helft van 1942 bracht ik niet alleen mijn geld bij anderen onder, doch ook mijn boeken en andere voorwerpen en papieren, waaraan ik waarde toekende. In geheel Nederland deden de meeste Joden, die daartoe aanleiding hadden, hetzelfde.  

            De procureur fiscaal die blijk geeft de omstandigheden in Nederland niet te kennen, doet dus hier een slag in de lucht. Ook dit 'bewijs', ook nog een zeer indirect bewijs bovendien, vervalt hiermee volkomen. 

            Daarna zegt de procureur fiscaal, dat iemand met mijn fantasie gemakkelijk met grote bedragen aan eigen vermogen zou weten te goochelen. Ik geloof, dat ik nu via den Raadsheer-Commissaris, die niet als de P.R.A. erop uit was er een prestige-spelletje van te maken en die onbevangen de zaak trachtte te onderzoeken, gemakkelijk heb kunnen aan.tonen, dat ik voor het begin der lijst een niet onaanzienlijk eigen vermogen bezat. Meerdere getuigen kunnen bovendien bevestigen, dat mijn boekenverzameling reeds jaren vòòr de lijst, een groot kapitaal vertegenwoordigde. Ik heb die boeken toch moeten kopen, dus heb ik ook de middelen daartoe bezeten. Mijn activiteit als adviseur, speciaal in economische en financiële aangelegenheden, bracht mij na mijn doctoraal examen in December 1938, voldoende op, om royaal te leven, zij het dan niet smijterig. In 1939 kreeg ik van mijn grootvader eveneens een kostbare oude verzameling Hebreeuwse boeken en manuscripten, een oud familiebezit. Van lijsten-activiteit vòòr 1942 kan niemand mij beschuldigen. Zou ik niet juist een volkomen onkreukbaar verleden hebben gehad, nooit zou een dergelijke lijst-actie onder mijn naam onder gevaarvolle omstandigheden als in 1942, mogelijk zijn geweest. Ik hoef dus niet te goochelen. Meerdere getuigen, buiten het onderzoek van den Raadsheer-Commissaris om, kunnen ter zitting vertellen, dat ik reeds vòòr 1942 een behoorlijk onbekrompen leven leidde, dat mijn woninginrichting, boekenbezit, sociale positie van zodanige aard waren, dat ik nu niets behoef te goochelen.

            De heer Schut was reeds vòòr de oorlog door mededelingen mijnerzijds op de hoogte van mijn beleggingszaken en weet, dat deze een vrij grote omvang hadden; dat was al in eind 1939, toen Schut ook via mij een bedrag van f. 3.000.- investeerde en voor een ander bedrag via mij effecten verwierf.

            Wat de procureur fiscaal in het daaropvolgende deel zegt in mijn aanval op mijn 'verweer', heb ik in het voorgaande reeds uitvoerig besproken.

            Was het werkelijk bij mij om eigenbelang en om behoud van mijn gezin te doen geweest, dan zou ik met mijn gezin nooit een dergelijk gevaarlijk spelletje zijn begonnen en zou ik, met behulp van mijn Joodse relaties en middelen getracht hebben mij met een behoorlijke Sperre (b.v. Barneveld, waarvoor ik zeker in aanmerking zou zijn gekomen) of door illegaal emigreren of onderduiken, in veiligheid te stellen. Zeer zeker zou ik dan in September 1942, na de ontdekking door Koch, mij in veiligheid hebben gesteld. Toen was de 'buit' om in de termen van de procureur fiscaal te blijven, reeds binnen, ik had niets meer te winnen, doch heel veel te verliezen, en toen zou vertrek volkomen logisch zijn geweest, en .... menselijk.

            Ik, daarentegen, het gevaar nu heel duidelijk ziende, begon met een testamentaire beschikking voor mijn kinderen bij een notaris te deponeren, beseffende, dat het stadium waarin ik nu trad nagenoeg onfeilbaar tot een catastrofe voor mij moest leiden en bleef waar ik was, omdat daarmee de Sperre voor honderden personen bleef. In die testamentaire beschikking vertelde ik niet, dat ik voor de voogdij van mijn kinderen een vermogen had bijeen gegaard van ettelijke tienduizenden guldens. Het geld liet mij onder zulke omstandigheden, met de dood dagelijks voor ogen, volkomen koud. Het ging mij om het blote feit, dat ik mijn kinderen een opvoeding wilde verzekeren in een zin, waarvoor ik altijd geleefd had en die ik in handen van bepaalde personen het beste verzekerd wist. Zou er ook iets van eigenbelang bij mij een rol hebben gespeeld, dan zou ik tenminste hebben aangegeven, welk goudmijntje mijn kinderen in ieder geval hadden geërfd, waarmede dan voor een zorgenloze toekomst voor hen zou zijn gezorgd. Mij maakte evenwel alleen de geest waarin de opvoeding zou geschieden, zorgen. Het andere is in Gods Handen en ik piekerde er geen moment over om in omstandigheden als in September 1942 mij druk te maken over een financiële nalatenschap voor mijn kinderen. 

            De beschikking kan bij de stukken worden overgelegd en ik hoop, dat het Hof aan de wijze waarop dit stuk is opgesteld en aan het tijdstip van de opstelling genoegzaam zal kunnen zien, dat er heel wat andere motieven een rol bij mij speelden den eigenbelang. Al houd ik evenveel als ieder ander van mij en mijn gezin.  

            Over de opmerking, dat mijn verslag "één zelfverheerlijking" is, moet ik van harte lachen.

            Ik geloof, dat er meer in tot uitdrukking komt hoe bang ik steeds weer was, hoe ik gesmeten werd door de golf der gebeurtenissen en alleen à la minute kon reageren, hoe ik alles zag als een wonderlijke schikking Gods, dan dat er sprake is van pochen op eigen heldhaftigheid of vernunft. Zeer zeker heb ik de S.D. op de hak gehad. Doch niet door mijn durf of mijn doorzicht. Geheel alleen door een onvoorziene samenloop van omstandigheden, door mijn dwaze kronkelingen en bochten om Koch te doen geloven in een fictieven Von Rath en een fictieven Six, door een wonderlijk samenstel van krachten en gebeurtenissen liep alles zoals het liep. In mijn eerste verslag is, hoewel het voor mijn raadsman was bestemd en er dus eventueel op bepaalde goede zijden van de zaak zou kunnen worden gewezen, naar mijn weten niet één passage, die zelfs aan zelfverheerlijking grenst. In mijn 2e en 3e verslag, die bedoeld waren als afweer van verdachtmakingen over mijn eigenbelang dat zou hebben geprevaleerd, die bedoeld waren om de mening van de P.R.A.-rechercheurs te bestrijden, welke steeds maar zochten naar motieven waaruit zou blijken, dat ik een en ander had gedaan "om er wijzer van te worden" en die niet konden begrijpen dat onder bepaalde omstandigheden, zoals de oorlog deze schiep, soms ook andere motieven een rol konden spelen, was ik af en toe genoodzaakt naar voren te brengen, dat ik niet uit eigenbelang het lijsten-spel speelde en dat ik in dergelijke tijden soms ook reageerde op een wijze die, hoewel afwijkend van de norm, niettemin niet zo uitzonderlijk was als sommigen trachten te doen schijnen. Misschien heb ik iets meer sociaal besef dan de gemiddelde mens, en ben ik op ander gebied weer onder de maat. Steeds echter, als ik erop wijzen moest, in mijn 2e en 3e verslag, dat ik niet bepaald "slecht", doch gewoon menselijk reageerde, steeg het schaamrood naar mijn gezicht en schreef ik erbij, dat ik mij feitelijk schaamde over dergelijke dingen te praten, doch dat de omstandigheden en de benauwde positie van mij en mijn gezin mij in dit geval ertoe dwongen. Ik geloof, dat geen enkel onbevangen lezer ook maar iets van onbescheidenheid, laat staan van zelfverheerlijking uit deze verslagen zal opvangen. 

            Met ironie moet ik daarom denken aan de lawine van heldenverhalen, die na de bevrijding zich over Nederland uitstortte. De meest onwaarschijnlijke heldendaden, een verzameling Don Quichotte waardig, schetterden uit de mond der tijdens de bezetting o zo angstige burgertjes, die zich nu het gevaar geweken was, op hun zo genaamde illegale borst klopten. Juist zij, die steeds met hun goede Ausweise rondliepen, prat gingen op hun goede Duitse relaties, juist zij hebben nu de grootste mond. Overal korte verhalen, novelles, overvloeiende van de meest fantastische heldendaden tegen over "laffe Moffen".   

            Ik wil wijzen op het getuigenverslag van den heer Ringeling, ter zitting, die in volle ernst durfde beweren, dat hij, toen hij "gearresteerd" was door Koch, toen deze zijn mouwen opstroopte om hem te mishandelen, zelfs eveneens zijn jasje uitdeed en de mouwen opstroopte, tegenover den dubbelzwaren Koch, zoals hij zelf uitvoerig meedeelde en dat Koch daarop zich bedacht en hem maar niet sloeg, op het gezicht van Ringelings enorme van heldenmoed overstromende biceps. Nu, ik geloof, dat als een dergelijk voorval zich in werkelijkheid zou beginnen af te spelen, Koch alleen al op het gezicht van Ringelings aanstalten om zijn jasje uit te trekken, dezen zonder meer knock out had geslagen. Doch Koch, de militaire Koch, de echte Pruisische sergeant Koch, schrikt zodanig van Ringelings aanstalten om zich te verdedigen, dat hij de aanval maar achterwege laat. De accountan-held Ringeling. Zoals hij zelf vertelt was hij de held op het gebied van Duitse relaties. Al de Verwalters e.d. mochten hem zo, omdat hij zoveel Joodse cliënten had en Koch vond dat ook afdoende. Ik had eens met zulk een sterk verhaal moeten komen, ik in bokshouding tegenover Koch. Ik zou prompt verminderd toerekenbaar zijn verklaard.

            Maar het is de pest van de tijd. De Jood is laf, en daarmee uit. Ik lees hier een feuilleton in een "Christelijk Nationaal" Weekblad, De Spiegel. Daarin komt ook de Germaanse Nederlandse held voor, een jongen van 16 jaar, die aan een stuk door de "Moffen" te flink af is, en zijn Joodse vriendje dat alleen maar bang is en laf en sidderend. Het is dezelfde geest als die welke spreekt uit de brief van een Mevr. Delfos aan Opperrabbijn Tal, waarvan een afschrift aan den procureur fiscaal ging. Deze dame kent mij helemaal niet, leest alleen de door het parket in het leven geroepen pers-campagne tegen mij, hoort aan de hand daarvan vele geruchten, en kan het niet geloven, dat een "Poolse Jood" zo maar naar de S.D. gaat om die er tussen te nemen. Nee, Poolse Joden gaan alleen maar naar de S.D. om "hun volk te verraden", zoals de kop in het Binnenhof destijds vermeldde: "Weinreb verried zijn volk", en Germaanse Nederlanders zijn uitsluitend blanke helden. Zij stelden heldhaftig collectief hun huizen beschikbaar om de laffe Joden een schuilplaats te bieden! Indien 1½ % der Nederlanders dat hadden gedaan, dan zouden alle 130.000 Joden zijn ondergedoken. Maar zelfs deze 1½ % waren niet te vinden, slechts 2½ o/oo en dan nog vaak alleen tegen grof geld en die laffe Joden moesten met vrouw en kinderen maar laf vergast worden. De laffe Poolse Joden in Warschau bonden het gevecht aan tegen de S.S. Ongewapend zelfs. En doodden er velen en gingen liever strijdend onder.

            Maar om de Nederlandse heldhaftigheid vooral goed te doen uitkomen dient als achtergrond de laffe Jood. Vooruit dan maar, wij zullen nog eens zien!  

            En dan moet die Jood natuurlijk ook iets vies gedaan hebben met jonge meisjes. Sprak de Stürmer daar ook al niet van? Ik wijs erop, dat de P.R.A. zulk een meisje opsnorde, dat op het adres in Amsterdam bij die bewuste gelegenheid eveneens aanwezig is geweest, en dat dit meisje mij wel degelijk aanwees als niet de man zijnde, die daar gekeurd had. Het was een doodgewone Amsterdamse arts, de arts van dat betreffende rusthuis. Doch het gerucht was eenmaal gelanceerd en het past zo goed in deze hele zwoele sfeer der na-oorlogse zedelijkheid. En wat nog, als ik die "misdaad" daar had begaan? Zullen wij dan eens beginnen de privé-daden der heren van het parket en van de P.R.A. uit te pluizen? Ik geloof, dat zij ervoor zouden bedanken.

            Deze dame kent mij niet eens. Slechts de pers-actie vestigde haar aandacht op mij. De pers-actie, opgeroepen door den procureur fiscaal! En diezelfde procureur fiscaal juicht over deze brief en zegt: "zie je wel, een ander geluid dan die tientallen gunstige verklaringen voor Weinreb. "Als die hele kranten-campagne voor den procureur fiscaal slechts deze ene brief heeft opgeleverd van een dame die zelf zegt mij niet eens te kennen en haar uitlatingen uitsluitend lanceert op deze campagne en de zitting, die zij daardoor wel in een scheef licht moest zien, dan is dat wel zeer mager. Dan is de aard van het Nederlandse volk nog niet zo verdorven als de heren van het parket veronderstellen. Hoe rechtvaardig deze dame overigens is, bewijst ze ook met haar aanval tegen de zogenaamde draai van de S.D.   

            Toen de S.D. kwaad over mij zei, was het natuurlijk waar. Want natuurlijk verraden Joden alles wat los en vast zit.  

            Doch als de S.D. zegt, dat deze ongunstige verklaringen ontstaan waren door mishandelingen door de B.S. of door verdraaiingen, zogenaamde "misverstanden" van de P.R..A. dan heb ik onder een hoedje met de S.D. gezeten. Dus hoe ook, Barbertje moet hangen. Zegt de S.D. kwaad, dan is het waar, zegt ze goeds, dan heb ik dat van de S.D. afgeperst.

            Mevr. Delfos stelt zich in haar brief van 29 Mei nog heel wat voor van mijn getuigenverklaring voor Krom. Deze is het natuurlijk, die Krom bewogen heeft zijn vroegere verklaringen te herroepen. Doch wat zegt ze nu, nu ik in het geheel geen getuige was voor Krom? Met opzet liet ik toe dat mijn vrouw in Krom's zaak verklaarde, dat ik volgens haar kennis van de zaak uiteindelijk was ondergedoken na een beslissend telefoongesprek met Krom, en dat Krom had medegewerkt haar en de kinderen uit het kamp te krijgen. Zo was het beeld dat ik mijn vrouw destijds van de zaak heb gegeven, inderdaad. Zij wist niet beter, en kende niet de achtergrond van de 2e lijst en mijn spel met geld en beloften tegenover Krom en Bolland. Wat ik verder van Krom wist hield ik nauwgezet voor haar verborgen. Haar zenuwen waren door de opwinding der jaren, voorafgaande aan deze Haagse periode, al meer dan geschokt. Deze angst er nog bij zou niet te dragen zijn geweest. In haar gevoel besefte zij wel voldoende, dat niet alles zo rozengeur en maneschijn was, als ik wilde doen geloven. Daarvoor kon zij te goed in mijn gezicht lezen. 

            Ik heb uitvoerig nagedacht over wat zij moest doen, na de aanval van den procureur fiscaal over een zogenaamd "afspraakje" tussen mij en Krom. Zou ik geheel zwijgen, dan zou hij wellicht met het verhaal aankomen, dat er dan een ander afspraakje was. Ik zelf kon niets over Krom à décharge zeggen, daar ik niet veel goeds wist. Daarom liet ik mijn vrouw deze dwaze verklaring afleggen, waarin zij mij als zegsman moest opgeven, een zegsman die, zoals de procureur fiscaal ook prompt reageerde, zelfs wel beter en anders wist, en waarin zij dat zegt, wat het enige is wat zij van Krom kan zeggen. Want dat is nu alles wat mijnerzijds voor Krom had kunnen worden gedaan en ik heb dat gedemonstreerd. Ik kon niets zeggen, en mijn vrouw kon slechts dit zeggen, mij als zegsman opgevende. En Krom was nog zelfs erkentelijk hiervoor; daarmee aantonende, dat hij van mijn kant in het geheel niets verwachtte. Zou Krom alleen voor deze goedkope verklaring van een derde, zijn gehele eerste lezing van mijn geval ingetrokken hebben en vervangen hebben door uitvoerige andere verklaringen en brieven en rapporten? Is het dan niet waarschijnlijker, dat hij zelf voelde hoe hij in de knoop zat met al die verklaringen en mijn verweer vreesde dat hem nog dieper in de put zou draaien dat hij toen maar besloot er definitief een streep onder te zetten? Eventueel na overleg met zijn geestelijke raadsman? En wat heeft Koch bezield om op zijn pertinente verklaringen terug te komen? Zijn zaak is nog lang niet voor en iedereen weet dat ik na zijn aanbod van Juli 1943 nooit een gunstig getuigenis over hem zou kunnen afleggen. Daarover zwijgt de procureur fiscaal dan ook. 

            Het is algemeen bekend hoe in het begin door B.N.V. en P.O.D. (politieke opsporingsdienst) verklaringen werden geproduceerd. Honger en eventueel slagen maakten de gedetineerde slachtoffers bereid iedere verklaring te tekenen. Een sigaret deed wonderen. Als men het eenmaal heeft meegemaakt, begrijpt men het. Talloos zijn dan ook de weer ingetrokken en herziene verklaringen. In geen enkel geval wordt daar zo'n ophef van gemaakt. Ik ken hier een geval Strang, iemand die in Maart j.l. 10 jaar geëist kreeg wegens Joden-verraad. De S.D.-er Kaptein had beaamd dat het verraad van Strang was gekomen. Strang was bovendien een fanatieke Nazi en anti-semiet, iets, dat een dergelijk verraad toen waarschijnlijk zou hebben gemaakt. Doch op de zitting trok Kaptein zijn verklaring terug en.... Strang kwam de volgende dag vrij. Beiden hebben maandenlang in dezelfde gang hier gezeten en, zoals ieder ander, met elkaar uitvoerig contact gehad. Dat een S.D.-er tegenover een partij- en geestverwant zijn verklaring in gunstige zin wijzigt, schijnt men gewoon te vinden. Maar wel als het wonder gebeurt, dat hij het tegenover een Jood zou doen. 

            Laat men de S.D.-ers eens horen over de Joodsche Raad. Nu nog. Dan zou de hele Joodsche Raad minstens de doodstraf moeten krijgen. En als de S.D.-ers later beseffen dat zij zich zelf in de put hebben gepraat en hun verklaringen wijzigen, zal men zeker ook zeggen: "zie je wel, die Joodsche Raad heeft de S.D.-ers natuurlijk omgekocht". Want dat Joden eens geen verraad zouden hebben gepleegd als men het nu eenmaal belieft aan te nemen is uitgesloten. Barbertje moet altijd hangen. 

            Ik keer nu, na deze mijns inziens noodzakelijke rechtzetting van een vrij algemene misvatting, terug tot het requisitoir.  

            De procureur fiscaal vindt verder de verwachting van de invasie in 1942 en 1943 zeer praematuur en speculatief. Zelfs zonder de verwachting van de invasie is het rekken van iemands leven een ieders plicht. Al was het wachten ook maar op een wonder. Ieder mens wil zo lang mogelijk in leven blijven, al weet hij, dat zijn einde de dood is. Met de lijsten rekte ik de levens van in totaal ruim 2.000 mensen. En overigens was de verwachting van de invasie in 1942 en 1943 zeer redelijk. Ik verwijs hiervoor met nadruk naar de vele citaten uit deze jaren, verwerkt in mijn in Mei geschreven "opmerkingen".  

            Veelzeggend is de uitdrukking: "nooit had Weinreb het lot en het vermogen in handen mogen nemen van anderen, zoals hij gedaan heeft." Dat is het, wat de heren hindert. Het past niet in hun wereldbeschouwing, dat een Jood actief optreedt, het lot van zijn lotgenoten in handen neemt en zelfs de brutaliteit heeft, er honderden te behouden. Als een S.D.-agent zo iets doet, dan wordt het onmiddellijk geaccepteerd (ik denk aan het geval Blonk, dat voor kort in Amsterdam is voor geweest), want een S.D.-agent is geen Jood, is een man in uniform en die wordt in staat geacht zo iets te doen. Zelfs een Gildemeester wordt zonder meer als Joden-redder geaccepteerd, hoewel ik nog de eerste door hem geredde moet zien. Daarom ook wordt de Joodsche Raad met rust gelaten. Deze organisatie had tot taak liquidatie van de Nederlandse Jodenheid, en zij heeft zich van deze taak, niet tot haar genoegen, gekweten. Dat is in orde, want Joods verraad en Joodse lafheid zijn normale dingen, Maar wee de Joodsche Raad, als die het in haar hoofd had gekregen, om Joden op illegale wijze te redden, hun lot in handen te nemen om hen te behouden, dan zou de Joodsche Raad hier ook gezeten hebben. Doch nu met behulp van de Joodsche Raad ca. 85% van het Nederlandse Jodendom is vernietigd, nu is het O.K. Want Joden zijn verraders en de rol van de Joodsche Raad is daarmee in overeenstemming. Zo is de mening van de P.R.A. en wellicht van nog vele anderen.

            Dan zegt de procureur fiscaal, dat de 2e lijst zeer duidelijk eigenbelang, zelfbehoud was. Ik heb pech, want inderdaad werd ik met mijn gezin door het plan van de 2e lijst gered. Doch dit geschiedde al op 24 November 1943. Toen waren wij allen vrij, en juist op dat moment begon ik met de 2e lijst-actie in Nederland en trad de Sperre in Westerbork in werking. Wat weerhield mij om toen meteen onder te duiken, met mijn nu bevrijd gezin? Waarom bleef ik nog 2½ angstige maanden in Den Haag? Eigenbelang en zelfbehoud?  

            Dan komt een der grote stukken van het requisitoir, namelijk de verklaring van Van Hemert, die nu gebleken is . . . . Van Heukelom te zijn!  

            Ik wees reeds op het onmogelijke om te veronderstellen dat men nu nog, na de bevrijding, aan den fictieven Von Schumann zou kunnen blijven geloven, en dat ik, dat wetende, met de valse papieren naar den Haag zou zijn gekomen. Van Heukelom voelde zich, na de woeste tonelen die zich op het Lyceumplein om mijn persoon hadden afgespeeld, enigszins beangst en maakte toen dat stuk op, dat hij in het dossier legde. Daar hij mij niets over de lijst had gevraagd en mij ook niets had laten zeggen, meende hij hiervoor nog het verhaal uit de oorlog, van den echten generaal, te moeten gebruiken. Doch daar ging het hem niet om. Hij wilde alleen maar dat geransel zoveel mogelijk wegwerken. Daarom laat hij mij als verrader en simulant op het Lyceumplein optreden. De figuur . . . . Heukelom is genoegzaam bekend, wat betreft de gedragingen op het Lyceumplein. Gaarne zag ik, dat U het verslag van mijn wederwaardigheden na 3 Juni 1945 aan het Hof overlegde.

            Van Heukelom beweert, dat ik tot een vluchten besloten S.S.-man had verraden. Het is alweer het verhaal van Barbertje die hangen moet. Half Nederland "verraadt" na de bevrijding N.S.B.-ers, collaborateurs, etc. Er was zelfs van overheidswege een oproep tot verraad. Dat wordt alles als vaderlandslievende daad gezien. Behalve natuurlijk, wanneer ik een S.S.-man zou hebben "verraden". Doch ik heb helemaal geen S.S.-man verraden, omdat er niets te verraden viel. De heer Brandt, Banstraat 14, die als getuige dit kan bevestigen, weet, dat ik niets wist van een ontvluchtingspoging in dien zin en dat Van Heukelom alleen maar om gewichtig te doen en aanleiding te hebben mij te maltraiteren mij verantwoordelijk stelde voor een eventuele poging tot ontvluchting. Toen ik zei, dat ik niets wist van ontvluchtinggpogingen, werd ik voor landverrader en heulend met de vijand uitgemaakt. Toen ik daarop zei, dat het natuurlijk mogelijk was, dat gevangen zittende S.S.-ers pogingen tot ontvluchting zouden kunnen ondernemen, was ik ineens verrader en aangever. En precies dezelfde houding neemt de procureur fiscaal nu aan. Nu de procureur fiscaal daarover begonnen is, verlang ik behandeling van het gehele Lyceumplein-geval en van de gehele zaak Van Heukelom. Ik dien nu een aanklacht wegens mishandeling, en bedreiging met de dood in tegen Van Heukelom, Horssen en Vos.   

            Wat de procureur fiscaal verder zegt, over mijn veranderde tactiek na inzage van het dossier door den raadsman, is volkomen in strijd met de feiten. Ik wees reeds in het voorgaande op mijn rapport van October 1945, toen nog geen sprake was van inzage in het dossier, welk rapport voor een deel in het bezit was van de P.R.A.-rechercheurs en voor het overige nog wel bij het B.N.V. of bij de heren Van Rees, resp. Clemens, zal berusten. Afgezien nog van mijn daar en in mijn verslag over het Lyceumplein gedane mededelingen over mijn herhaalde pogingen om gehoord te worden, welke mededelingen door getuigen kunnen worden getoetst (Mej. Wynands, Opperrabbijn Rodrigues Pereira, Heer Beks, Heer Van Rees, Heer Clemens; de brieven aan mijn vrouw uit de eerste tijd bevatten ook alleen maar smeekbeden om gehoord te worden en of zij gedaan kon krijgen dat ik gehoord zou worden. Ook deze brieven zijn er nog.) Het verslag van October 1945 is volkomen gelijk aan dat voor mijn raadsman, van Maart 1946, aangezien ik mijn raadsman dezelfde gegevens wilde verschaffen als die, welke ik aan de P.O.D. had gegeven. Mijn begeleidende brieven van het verslag van Maart 1946 spreken daarom bijna alle over de gelijkluidendheid der beide verslagen, hetgeen, als het B.N.V. met de rest van het verslag voor de dag belieft te komen en de P.R.A. haar gedeelte overhandigt, meteen kan worden geconstateerd. De procureur fiscaal is hier dus weer zeer ver van de werkelijke feiten af.  

            Dan zegt de procureur fiscaal "een groot aantal mensen voelt zich door Weinreb verraden en het is uitgesloten dat een groot aantal personen zich, onafhankelijk van elkaar, verraden voelt, zonder dat daarvan ook maar enigermate sprake zou zijn."  

            Nu is dat "grote aantal" in de eerste plaats niet onafhankelijk van elkaar, althans niet, wat het "grote aantal"betreft. De personen, die door het papiertje in de tas van Kees vastliepen, staan niet onafhankelijk van elkaar, doch behoorden allen in dezelfde zaak en hoorden van dezelfde bron, namelijk de S.D., dat ik hun naam had genoemd. Ook Hammacher behoort daartoe, en het is nu wel door het getuigenis van inspecteur Klijzing en diens proces verbaal van December 1942, dat nu bij de stukken ligt, gebleken, hoe ik Hammacher verried. De procureur fiscaal laat als getuigen verschijnen Van Maanen, Loujetsky, Eekhout, Roest Crollius, alle van dezelfde koffertjes-affaire. Deze zijn dus geenszins onafhankelijk van elkaar. Dat verder mijn prinsenleven in de cel, in de zomer van 1943, stof tot roddelen opleverde, heb ik genoegzaam duidelijk gemaakt in mijn verslagen. Daar stammen dan de figuren Kelder, Goldstein en Levy van, waarvan ik in mijn verslagen reeds voldoende heb verteld. Men kan mij verwijten, dat ik verdachtmakingen uit, doch ik kan er niets aan doen, als deze personen niet anders verdienen. Ik ben trouwens niet de enige, die deze personen als zelf onbetrouwbaar zijnde teken. Verdere verraadgevallen kan de procureur fiscaal zelf niet eens ten laste leggen. Dit is dus het "grote aantal". Hoe de omstandigheden van mijn cel-leven in de zomer 1943, mijn vrijlating daarna en de 2e lijst, meer dan waar ook stof opleverde voor boosaardig getinte geruchten, heb ik in mijn le verslag reeds uitvoerig beschreven. Uit het door den Raadsheer-Commissaris onderzochte geval Gudema blijkt m.i. afdoende, hoe deze geruchten te waarderen zijn en hoe de P.R.A. in staat is van zo'n gerucht een positieve schuld voor mij te distilleren, terwijl de Raadsheer-Commissaris bij hetzelfde geval, doordat hij het objectief onderzocht, tot een geheel andere conclusie leidt. Gudema geloofde vast door mij verraden te zijn. Ik was ook zo'n vreemde figuur, zo sinister met al die verhalen over Duitse verbindingen, dat het voor hem vrijwel vaststaat, dat ik het was. Zelfs de pastoor gaat in eerste instantie op de geruchten af en wijst mij aan. En de P.R.A. en de procureur fiscaal juichen weer. Doch de Raadsheer-Commissaris hoort de verschillende personen, en dan blijkt, dat ik er helemaal niets mee te maken kan hebben; Gildemeester zelf schrijft, dat hij mij nooit verteld heeft waar Gudema was ondergedokeng van een ander had ik het niet kunnen weten; Gildemeester zegt, dat hij Gudema niet heeft gesproken te Schipuiden, terwijl en deze en de pastoor mededelen, dat dit wel het geval was. Krom vertelt (hij had toen geen contact meer met mij), dat Gildemeester het hem of Peegels heeft verteld, Peegels bevestigt Gildemeesters bezoeken bij hem, voelt daarna nattigheid en wil het in een schrijven aan den procureur fiscaal gauw weer verschuiven op Krom's contact hier met mij, dat op dit moment echter allang niet meer bestond, aangezien Krom in een andere inrichting zit. Daarmee geeft Peegels zijn medeplichtigheid in het uitmelken van den heer Gildemeester wel erg voor het grijpen, Gildemeester tracht nog door mij en de Joodse Raad zwart te maken (de Joodse Raad leverde notabene volgens hem de Joden aan de Duitsers uit, ter mishandeling; echt het S.D.-verhaal, dat iedereen meteen als leugen kan qualificeren) en zijn eigen prestaties op te hemelen de zaak van zich af te schuiven. Doch alles wijst naar hem en alleen naar hem. Maar niettemin was de P.R.A. in staat dezelfde getuigen zó te horen, dat zij mij aanwezen, al hadden zij niet het minste bewijs. Weer een van de vele gevallen, die zich onafhankelijk van elkaar, door mij verraden gevoelen. Hoe was het ook anders mogelijk, als iedereen letterlijk wist, dat ik Duitse generaals kende, alles en iedereen aan de Duitsers verkocht, daardoor was vrijgekomen etc. En zeker, toen men na de bevrijding zag, dat men gelijk had gehad met zijn veronderstellingen, omdat immers de P.R.A. mij had gearresteerd en langen tijd als zwaar geval liet zitten. Toen men daarna ten overvloede in de kranten las dat ik honderden Joden had laten vergassen, iets wat men zelfs nooit had durven gissen. Allicht komen dan in de loop van zulke twee na-oorlogse jaren meerdere mensen, die menen de sleutel gevonden te hebben voor hun bepaalde gevallen. Ik wijs op een geval De Wit, eveneens na de perscampagne aan mijn dossier toegevoegd. Daar zou ik al in November 1942 in de cel met iemand hebben gezeten en die persoon hebben verraden. Iedereen weet, dat ik in November 1942 in geen enkele cel heb gezeten. Doch de naam Weinreb wordt met zovele gruwelen samen gebracht, dat iedereen nu vrijuit wat kan zeggen. Op deze wijze kweekte de P.R.A. gedurende twee jaren een stemming, om dergelijke "onafhankelijk" van elkaar staande personen tot een aanklacht te bewegen (en er kwamen er heel wat, doch de procureur fiscaal heeft zelf moeten inzien, dat bijna alle direct weer wegvielen als bruikbaar materiaal) en zo deed het Parket het aan het slot nog eens indrukwekkend over met een ongekende perscampagne, alsof er geen ander belang voor Nederland meer was dan mijn geval.   

            De sleutel voor deze gevallen is zó gemakkelijk te vinden, dat het jammer is van al het papier, dat ik gebruik om op een dergelijke onzin in te gaan. Als men de moeite zou genomen hebben om te vertellen wat mijn rol in de oorlog werkelijk was, wat die generaals waren, hoe de Sperre tot stand kwam, wat de 2e lijst was en hoe en waarom ik daarvoor werd vrijgelaten, dan zou er nagenoeg geen enkele aanklacht overblijven. Ten hoogste van een enkele te kwader trouw zijnde persoon, die nu eenmaal mij nodig had om zichzelf vrij te pleiten. Doch ik was niet in staat tegen de groots opgezette actie van het Parket op te treden, daarvoor ontbraken mij de middelen en de wegen. Het Parket en de P.R.A. konden nu gedurende twee jaren de publieke mening foutief voorlichten, met de laatste perscampagne bewust leugen-propaganda gebruikend. Slechts op deze weg komt de procureur fiscaal tot zijn onafhankelijk van elkaar staande gevallen. Het geval Gudema en het geval De Wit illustreren als laatste de houdbaarheid van deze tactiek.

            Daarna zegt de procureur fiscaal notabene dat "de punten van overeenstemming tussen de verklaringen van de S.D.-ers onderling en met die van de getuigen buiten de S.D. te talrijk en opvallend zijn" en mijn opgaven "te onwaarschijnlijk om elke gedachte aan gepleegd verraad op zij te zetten".

            Toch heeft de procureur fiscaal, ondanks deze talrijke en opvallende overeenstemming de gedachte aan verraad zelf ook opzij gezet, In Maart j.l., na afsluiting van het aanvullende P.R.A.-onderzoek. Als toch werkelijk de punten van overeenstemming etc. zó opvallend waren, waarom heeft de procureur fiscaal toen toch verraad niet aanwezig geacht? De procureur fiscaal zegt, dat hij het materiaal nog eens onderzocht had en toen toch maar tot het ten laste leggen van verraad-gevallen had besloten. Als het zó opvallend was, dan zou deze terugtocht toch niet hebben plaats gevonden en een nieuw onderzoek van het materiaal (de procureur fiscaal De Gruyter was al sedert Nov. 1946 met mijn zaak bezig en kende haar, mede door diverse besprekingen met de P.R.A.-rechercheurs al heel behoorlijk) niet nodig zijn geweest. Het zijn alle gevallen die allang in den brede waren besproken en waarbij duidelijk, ook voor den procureur fiscaal in Maart 1947, was komen vast te staan, dat geen enkele beschuldiging houdbaar bleek, juist omdat geen enkele verklaring met de andere klopt.  

            Ook het rapport der rechercheurs van Maart 1947, in het dossier aanwezig, wijst op de onmogelijkheid van verraad, juist wegens het ontbreken van met elkaar overeenstemmende getuigenissen. De rechercheurs hadden op dat moment al 1½ jaar lang hun uiterste best gedaan om verraad aan te tonen, zaten in de materie als geen ander buiten mij, en zij vermelden in hun eindrapport de wanhopige tegenspraak in de S.D.-verklaringen en de onmogelijkheid daardoor om nog "iets" te maken van deze zaak. Niettemin maakt de procureur fiscaal bij dit rapport op die plaats de kanttekening: "maar toch zeggen zij allen, dat Weinreb verraad heeft gepleegd" (de woorden der kanttekening ken ik niet meer, doch zij komen hierop neer.) Allicht! S.D. en P.R.A. deden hun uiterste best, gedurende ruim een jaar, om tot een sluitende verraad-aanklacht te kunnen komen. Ik bedoel niet, dat de P.R.A. bepaald te kwader trouw was, dat geloof ik niet. Het was echter een vaak wat overdreven ambtsijver om met een succes in mijn zaak uit de bus te komen. Doch de getuigenverklaringen geven vaak een dergelijk komische tegenspraak te zien, dat het was om wanhopig te worden. Zelfs na 5 en 6 processen verbaal was er nog niets te fokken, en daarom ook aan het slot deze eerlijke erkenning van de P.R.A.-rechercheurs.

            Als Koch A zeide, zei Krom B en Bolland kwam dan ten overvloede vertellen, dat het C was. Als Krom Bolland noemt als zegsman, dan beweert Bolland verontwaardigd van niets te weten; en als Bolland eens ter wille wil zijn met een detail, dan torpedeert hij meteen een andere getuigenverklaring. Deze tegenspraak op alle linies wekte zelfs de hilariteit der P.R.A. Men leze mijn 3e verslag eens na en vergelijke de verschillende passages aan de hand van het dossier. Men zal dan onmiddellijk zien dat verraad juist uitgesloten is. Want waarom moesten Krom en Bolland en Koch zo enorm veel leugens over mij vertellen. Leugens die blijken door onderlinge vergelijking van hun verklaringen, als zij mij enige werkelijke verraad-gevallen in de schoenen hadden kunnen schuiven? Dan hadden zij deze genoemd en alles zou hebben geklopt. Doch nu draaien zij met loochening en tegenspraak over en weer elkaars verklaringen de nek om. Ik wijs alleen al naar de gevallen Ritmeester, Van Baaren, Monasch, Hurwicz, De Jong.   

            Dat de S.D.-ers tegen mij waren is m.i. na de voorafgegane drama's met beide lijsten niet zo moeilijk te gissen. Dat zij daarom gebruik maakten van de heersende stemming om mij verraad aan te wrijven, kan ik ook begrijpen, vooral als ik in rekening breng, dat de P.R.A., om verklaringen los te krijgen, verteld zal hebben, dat ik geen al te beste mededelingen over hen had gedaan. De P.R.A. zag echter tenslotte zelf in, dat het eind-resultaat toch nihil was, en gaf dit ook in haar rapport te kennen.

            Iedere onbevangen onderzoeker die de moeite neemt de verschillende verklaringen van de S.D.-ers en van andere getuigen naast elkaar te leggen, zal inzien, dat er geen stuk van heel blijft. En dat heeft de procureur fiscaal zelf ook ingezien en daarom had hij al besloten de vervolging alleen op grond van art. 27 B.B.S. in te stellen, en had hij dit ook mede aan mijn raadsman te kennen gegeven. 

            Dat mijn "opgaven in verschillende gevallen te onwaarschijnlijk" zouden zijn, is een kwestie van gevoel. De procureur fiscaal kan niet aantonen, dat ik in welke verklaring dan ook, onwaarheid zou hebben gesproken. Tot nog toe kreeg ik steeds weer gelijk met mijn opgaven. Dat heeft de P.R.A. gedurende haar onderzoek al voor een goed deel ondervonden, en mijn laatste overwinning is de ontmaskering van de figuur Gildemeester bij het onderzoek van den Raadsheer-Commissarie, iets, wat men als ongeloofwaardige verdachtmaking mijnerzijds steeds had afgewezen.

            De daaropvolgende aanval op de draai van Krom heb ik in het voorafgaande reeds besproken. Wat mijn getuigenis voor Krom is geweest, heeft de procureur fiscaal zelf kunnen merken. Krom's mededelingen over zichzelf in zijn"beroemde" brief aan mij heb ik ter kennis kunnen nemen, doch nooit bevestigen, omdat Krom zelf schrijft, dat hij dat in het geheim deed. Het is best mogelijk, doch hoe kan ik dat nu getuigen! Zo naïef is Krom nu werkelijk niet, en de procureur fiscaal toch ook niet. Dat Krom met zijn ommezwaai roet in het eten heeft gegooid, is mogelijk. Hoewel Krom's verklaringen dwaas waren en zó alleen stonden na de torpedering door Bolland, dat ik, zoals ik reeds in mijn 3e verslag schreef, er nooit bepaald bang voor was.  

            Over het daarna volgende deel over het papiertje heb ik reeds eerder uitvoerig geschreven. Ik verwijs hier naar mijn brief na de zitting, met de punten voor het Hof (punt 3 en punt 9 onder andere). Het papiertje was al lang vóór de bevrijding al zó bekend, dat ik geloof, dat dit punt wel afdoende van de baan is.

            Daarna beweert de procureur fiscaal dat de goederen die ik onderbracht waarschijnlijk van de lijstgelden waren gekocht. Dit punt is al zeer onjuist. Mijn boeken bezat ik al lang vóór de lijst, zoals door getuigen wordt aangetoond. Dit is weer een insinuatie, bedoeld om stemming te maken. Want zij had heel gemakkelijk kunnen worden vermeden. Ik heb in mijn verslagen voldoende getuigen opgegeven voor dit feit. Over het geld en het onderbrengen hiervan heb ik reeds meer dan nodig verteld. Ik neem aan, dat dit punt nu ook van de baan is.  

            In zijn requisitoir wees de procureur fiscaal er spottend op, dat het wel"toevallig"was, dat Van Walt net bij mij kwam en de S.D. ook. Deze zienswijze gaat niet op. Ik heb voldoende duidelijk gemaakt, dat het helemaal niet toevallig was. De S.D. wist wel degelijk dat Van Walt bij mij zou komen, en daar zij niet meer wist dan dat het over valse persoonsbewijzen ging, had zij geen andere keus dan hem bij mij thuis op te wachten, nadat men mij gesust had met het verhaal, dat men het over de Westerbork-Sperre wilde hebben, een onderwerp dat mij zó aan het hart lag, dat ik uit louter enthousiasme niet op het idee kon komen, dat deze aankondiging een list was om mij niet te doen schrikken als tijdens mijn bespreking met Van Walt plotseling de S.D. aan de deur stond. Ik voelde mij en mijn huis toen "safel' in verband met mijn zoeken naar Von Rath en dacht er geen moment aan, dat het S.D.-bezoek voor Van Walt gevaarlijk kon zijn. Aan zijn neus was toch niet te zien, dat hij iets illegaals bij mij had besproken. Op dat moment was mijn grootvader eveneens illegaal in mijn woning en ook daarover maakte ik mij niet bang.  

            Het is toch voldoende duidelijk, dat, indien ik met een verraad van Van Walt ook maar iets te maken had gehad, men hem dan wel buiten zou hebben opgewacht en dan hebben gevolgd om hem onopvallend elders in de stad te arresteren, deze of de andere dag. Afgezien nog van het feit, dat ik het adres van Van Walt had kunnen opgeven en de moeite van het volgen zou hebben kunnen besparen.  

            Ik wil hierbij nog wijzen op een door den procureur fiscaal als wapen tegen mij gebruikte uitlating van Bolland, die door Haakman (is het een wonder, als hij met Bolland hier in de cellenbarakken overleg heeft gepleegd en inzage van het dossier heeft gehad?) eveneens wordt gebezigd. Bolland vertelde namelijk als illustratief detail, dat ik hem, toen hij Van Walt kwam arresteren, nog zou hebben gevraagd, dit niet in huis doch daarbuiten te doen. Stel nu eens, dat ik de komst van Van Walt aan de S.D. zou hebben doorgegeven. Zou ik dan niet tevens hebben afgesproken, Van Walt niet in huis te arresteren doch daarbuiten? Dan zou ik toch niet op het allerlaatste moment met dit dwaze verzoek zijn gekomen, dat toch niets om het lijf had, aangezien een kind kon begrijpen, dat de arrestatie enige tientallen meters voor mijn deur, door uit mijn huis komende S.D.-ers, iets was dat zijn oorsprong in dit huis had?

            Doch de heer Haakman geeft in zijn verslag de oplossing. Hij verwart namelijk Van Walt met Von Rath. De "bekende internationale spion van de geallieerden" was volgens mijn schildering bij Koch de heer Von Rath. Ik vertelde aan Koch ook, welk een gevaarlijk en geraffineerd persoon dat was, om Koch heel lekker te maken met de beloofde vangst van deze persoon. De S.D. moet toen plotseling gehoord hebben van de bezoeken van den heer Van Walt bij mij. Ik weet niet met zekerheid van wie. Ik sprak over de mogelijkheid van Ringeling, en over die van den jongen Schächter. Het is heel goed mogelijk, dat het van geheel andere zijde kwam. Bij voorbeeld van een relatie van Van Walt zelf. De S.D. echter hoorde, dat ik regelmatig bezoek ontving van den persoon die met mij illegale dingen (het ging alleen over persoonsbewijzen en onderduikadressen) besprak en moet een moment gedacht hebben, dat ik toch verder contact hield met Von Rath, zonder dat de S.D, te melden. Het is mogelijk, dat de naam parten heeft gespeeld, namelijk Von Rath en Van Walt van Praagh. In ieder geval achtte de S.D. het belangrijk genoeg hem bij mij thuis te overvallen. Want daarmee zou zij, indien het Von Rath niet was, kans lopen deze te doen afschrikken. Dat Haakman deze twee personen door elkaar gooit laat zien, dat zijn inlichtingenbron dat ook gedaan heeft en Haakman verteld heeft van de mening, dat men met de arrestatie van Van Walt Von Rath te pakken zou hebben. Dat het uiteindelijk Von Rath niet bleek te zijn, heeft Haakman wel niet goed meer begrepen. Ik meen, dat het rapport van Haakman enig licht werpt op deze ook voor mij duistere zaak. De S.D. verwachtte Von Rath, de "bekende internationale spion van de geallieerden" te vinden, doch zag direct al in, dat het deze niet was, en daarom werd ik gespaard om de "echte" Von Rath te kunnen aantrekken en leveren. Daarom dus riskeerde de S.D. dat wild-west-toneel voor mijn deur. Zou het Von Rath zijn geweest, dan was ik schuldig aan misleiding van de S.D. door te vertellen dat ik hem zocht terwijl hij regelmatig bij mij aan huis kwam. In ieder geval zou ik verder nutteloos zijn, want men had Von Rath dan al gehad en daarmee zou mijn bestaansbasis zijn vervallen. Ik zou dan toch mèt Von Rath zijn geliquideerd en dus gaf het niets, dat zich voor mijn huis een dergelijk toneel afspeelde. 

            Dat ik, indien ik Van Walt had willen aangeven en indien de S.D. naast Von Rath nog iets anders van mij had verlangd, een andere weg dan deze zou hebben gekozen, en zeker niet Bolland op het laatste moment het dwaze verzoek zou voorleggen van het niet-arresteren in huis, terwijl ik daartoe voordien alle tijd en gelegenheid zou hebben gehad en de S.D. trouwens wel al vanzelf zou hebben begrepen dat het niet aanging iemand, die ik had aangewezen bij mij thuis te arresteren, dat ik dus een andere weg zou hebben gekozen en er ook een andere weg zou zijn gevolgd, meen ik in de verslagen, en zijn raadsman in het pleidooi, afdoende duidelijk te hebben gemaakt.

            In dit verband kom ik ook weer eens op de zaak Ringeling. Hoewel de procureur fiscaal anders beweert, ik weet zeker dat dit incident zich de ochtend voordeed van de dag waarop 's avonds Van Walt voor mijn deur werd gearresteerd. Nu ik meen te begrijpen, dat de S.D. in Van Walt Van Praagh, Von Rath dacht te hebben (daarom ook Koch’s dwaze gedraai. Hij kan moeilijk vertellen dat hij hier nog een flater sloeg in de Von Rath-actie) kan ik mij voorstellen, dat ik die ochtend eerst eens op de proef zou moeten worden gesteld wat betreft mijn wil tot illegale practijken. Dat Ringeling daarbij een niet fraaie rol speelde, is nu mijn overtuiging. Zou hij te goeder trouw zijn geweest, dan had hij het gebeurde waarheidsgetrouw weergegeven. Dat Koch op dat punt volledig geheugenverlies heeft, van het begin af aan, zegt ook voldoende. Dwaas is de mededeling van Ringeling, dat ik Joden naar hem toe zou sturen voor valse persoonsbewijzen. Iets dergelijke is wel zeer zonderling. Het gevolg zou zijn, dat iedere willekeurige Jood zou moeten weten, dat Ringeling valse persoonsbewijzen verstrekte. Zo maar op zijn kantoor. Een serieuze illegale werker was niet bekend bij de uiteindelijke gebruiker der persoonsbewijzen. Van Walt deed het via mij en van mij kregen de gebruikers van de persoonsbewijzen hun papieren weer vaak over een andere tussenschakel, zodat de werkelijke bron en de 1e tussenpersoon meestal niet bekend waren. Slechts heel enkele goede kennissen wisten van wie en via wie het ging. Doch Ringeling vertelt dat hij zo maar wildvreemde mensen op zijn kantoor zou krijgen om even de persoonsbewijzen te halen. Gelove dat wie het geloven wil. Zijn boks-match-dreiging aan Koch is kostelijk. Ik zou eens moeten vertellen, zoals Kelder deed, dat ik vrij kwam door het leveren van een taart aan Zöpf (daarmee is de munitiegeschiedenis en de revolver en geheime radio etc. nog niet van de baan, want onder Zöpf vielen alleen Joden-zaken) en ik zou eens moeten vertellen, dat ik Koch tot een boks-match had uitgenodigd, bij mij zou die taart niet voor zoete kook zijn geslikt en mijn boks-mentaliteit zou grote hoon hebben ontmoet. Overigens zijn over deze zaken al zoveel argumenten naar voren gebracht, dat het m.i. afdoende was en niet beter kon. 

            Ten slotte zei de procureur fiscaal nog, dat het niets zeggen wilde, als de S.D. mij als "verrader" meenam in het geval Ringeling of wel mijn huis gebruikte in het geval Van Walt. Hij wees daarbij op een verraad-zaak Geerts, die kort tevoren door het Hof was behandeld en waarbij deze Geerts blijkbaar eveneens op de voorgrond trad bij de arrestatie na het verraad. Het is heel goed mogelijk, dat het in dat geval zo is geweest. Indien de S.D. maar éénmaal, of de laatste maal, van iemands verraad gebruik wilde maken, dan kon het haar niets schelen of de verrader daarmee gecompromitteerd werd. Voor de S.D. had die persoon geen interesse meer en dan lette men niet op gevoeligheden. Ik echter moest juist nog de buit leveren. Von Rath moest nog gevonden worden en daar draaide alles om. Alleen al daarom zou de S.D. mij in het geval Ringeling niet op het toneel laten verschijnen, geheel onnodig bovendien, want de S.D. had Ringeling toch al en zonder mij. Dan zou ik ook niet de dwaze situatie hebben gehad, dat ik op Windekind moest binnenkomen om Ringeling's getuigenis te bevestigen. Alleen maar om mij even te presenteren. En dan zou ik        ook niet Van Walt bij mij thuis zijn gearresteerd, of wel, om precies te zijn vlak voor de deur. 

            Doch juist omdat de S.D. dacht Von Rath al te hebben, speelden mijn huis en mijn naam in de omgeving geen rol meer, en werd Van Walt gearresteerd zonder de minste "Rücksicht" op mij.  

            Toen de S.D. daarna haar vergissing inzag, werk ik weer voorzichtig gespaard, totdat ik Six.-Kotte uitleverde, en daarna de gehele intrige uitkwam.  

            Daarom gaat de vergelijking, die de procureur fiscaal maakt, niet op. Ik moest de buit nog leveren. Zolang de S.D. Von Rath niet had werd mijn naam zorgvuldig schoon gehouden. Overigens, ter zitting loochende Koch zowel het mij ten laste gelegde verraad van Van Walt als dat van Ringeling. Althans, het resultaat van al het gedraai was, dat hij mij niet als de dader noemde en terugkwam op zijn verklaring aan de P.R.A., waarin hij mij wel in verband had gebracht met de arrestatie van Van Walt. De procureur fiscaal gaat nu verder en zegt, dat mijn verslag alleen indruk maakt, als men de andere gegevens niet kent, dus dat men ook het dossier dient te bestuderen, naast het verslag.

            De P.R.A. deed dat meer dan grondig en kwam tot de conclusie, dat er niets van de beschuldigingen overbleef, hetgeen in het rapport der rechercheurs van Maart 1943 is neergelegd.

            Juist als men mijn verslag gelezen heeft en kennis genomen heeft van mijn werkelijke rol, dan begrijpt men al die geruchten en verhalen en begrijpt men ook de vele dingen in het dossier. Men weet dan dat de mensen alle denken dat ik werkelijk zo dik in de Duitse relaties zat en dat ik daar bij die Duitsers altijd persona grata was geweest. En dat zij op grond van deze hun overtuiging, al deze verhalen doen. Dan begrijpt men ook, waarom deze verhalen tezamen zulk een ontzettende warboel veroorzaken, namelijk omdat zij gebaseerd zijn op geruchten, die blijken op geheel foutieve veronderstellingen te zijn opgebouwd. Eerst dan is het dossier begrijpelijk. Eerst dan begrijpt men waarom iedere verklaring daarin weer afwijkt van iedere andere. Omdat er geen ware feiten aan ten grondslag liggen. Dan begrijpt men de verhalen van Gudema, van Kornmehl, van De Wit, van Ritmeester, en zo vele andere. Want zonder mijn verslag is het dossier een volkomen raadsel en alleen mijn verslag is de sleutel ter oplossing ervan. Dat mijn verslag juist is, is op zovele punten gebleken, is van zovele zijden bevestigd, en wordt door ieder nieuw onderzoek opnieuw bevestigd, dat het wel zeer onbillijk is dit verslag op een wijze af te doen als de procureur fiscaal doet.   

            De procureur fiscaal zegt dan onder 1°, dat het mijn systeem is, ieder verdacht te maken, die mij aanvalt. In punt 1 van mijn opmerkingen na de zitting bespreek ik deze beschuldiging. Overigens blijkt uit het dossier hoeveel mensen, zoals intussen reeds overduidelijk is gebleken, mij ten onrechte aanvallen en verdacht maken. Alleen maar op grond van geruchten om zich gewichtig voor te doen. Ik heb alleen die personen aangevallen, waarvan ten slotte langs andere wegen gebleken is, dat mijn aanval zeer gegrond was. Op iemand, die het gehele geval niet kent maakt zulk een uitval van den procureur fiscaal wellicht indruk. Ik verzoek echter mijn opgaven over de personen die ik aanval na te gaan. Aan de hand van de gegevens die reeds buiten mij om werden verkregen. Dan zal men zien, dat ik juist heb gehandeld. Het is tenslotte toch niet verboden de werkelijke schuldigen aan te wijzen, al is dit niet aangenaam voor den procureur fiscaal.

            Het onder 2° genoemde is weer een zeer onbillijke insinuatie. Iedereen, die de zaak serieus onderzoekt zal vinden dat ik niets bewust verdraai. Waar ik niet geheel zeker van mijn woorden ben, zeg ik dat uitdrukkelijk. De procureur fiscaal speculeert echter op de bezwaren verbonden voor een buitenstaander om van alle details kennis te nemen. Ik vind.deze houding niet fraai. Mijn verdediging kan hierin niet anders zijn dan al die twee jaren: ik verzoek grondig van het verslag kennis te nemen en de feiten en de gegevens te toetsen. Men zal dan vinden, wat voor het grootste deel trouwens reeds gevonden is, namelijk dat ik op nagenoeg ieder punt de waarheid spreek en bij de uitzonderingen nergens bewust feiten verdraai.  

            Het onder 3° genoemde is een verwijt, dat niet mij treft, doch de wijze waarop het onderzoek werd verricht en door de procureur fiscaal nog steeds verder wordt uitgebreid. Het dossier bestaat uit 'een verbijsterende opeenhoping van feiten en bijzonderheden', de getuigenverklaringen zijn zo onduidelijk en verward, dat geen mens daaruit wijs kan worden als men ze onderling vergelijkt. En daartoe zijn toch meerdere getuigenverklaringen verzameld? Toch om ze onderling te kunnen vergelijken? Uit dit dossier valt alles te bewijzen, en alles te loochenen. Er is te kust en te keur. Men moet maar een enkel zinnetje uit het ene proces verbaal lichten (vooral niet het daaropvolgende, want daar wordt vaak net andersom beweerd) en een zinnetje uit een ander en weer een uit nr. 100 en zo kan men bewijzen wat men wil. Men kan met behulp van dit dossier bewijzen, dat ik S.S.-man was, dat ik honderden Joden heb verraden, dat ik Hammacher heb verraden en niet hij mij, dat ik meisjes 'keurde', dat ik economische plannen verried, etc., etc. En alsof het dossier op 27 Mei j.l., bij het begin van de zitting nog niet groot genoeg was en nog niet verward genoeg, en alsof er geen Raadsheer-Commissaris was, die nog enige duistere punten had op te lossen, wierpen P.R.A. en procureur fiscaal zich met enorme ijver op een verdere uitbreiding van het dossier, haalden er alles en nog wat bij, dingen die dan ook helemaal niets met de zaak hadden uit te staan. Alleen maar om de chaos nog groter te maken en om de procureur fiscaal de gelegenheid te bieden hier en daar een greep te doen en een of ander dwaas verhaal met ernstig gezicht voor te lezen. Op hoorders, die de samenhang niet kennen moet zo'n verhaal dan indruk maken. Alles is berekend op show en chaos.

            Mijn eerste verslag vertelt alles vrij sober. Ik heb nu eenmaal veel meegemaakt, en daarom moest ik, wilde ik niet in de verdenking komen, bepaalde dingen opzettelijk te hebben willen verzwijgen, vrij veel schrijven. Doch niemand kan zeggen, dat het verhaal of de gegevens verwarrend zijn. Integendeel. Iedereen, ook de P.R.A. gaf toe dat mijn verslag zeer verhelderend werkte en het verdere onderzoek vergemakkelijkt heeft. Ik noemde vele namen als getuigen; niet om verwarring te stichten, doch integendeel de keuze voor het onderzoek gemakkelijk te maken. Men kon steekproeven nemen als men wilde. Ik heb erop gerekend. Door schriftelijke verklaringen, door getuigenis bij de zitting, door het onderzoek van den Raadsheer-Commissaris is de juistheid van de financiële gegevens voor een groot deel reeds aangetoond   

            Het tweede en derde verslag waren slechts nodig, omdat het fantastisch uitgebreide, verwarde, chaotische dossier het onmogelijk maakte verder wegwijs te blijven in deze zaak. Eerst was het chaotische dossier er, en daarna pas was ik genoodzaakt mijn volgende verslagen te schrijven. Met de bedoeling uitsluitend eerst, om mijn raadsman in deze chaos enigszins te oriënteren. Niet voor niets sprak ik al in het 2e verslag van het Schumann-duiveltje dat een onevenredig groot dossier had gefokt, en in mijn 3e verslag, van October 1946, van de Bergwerk-Katastrophe. Ik zag toen al, dat met dit dossier niets en alles was aan te vangen. Niets, door een onbevangen en serieus onderzoeker, alles door een kwaad willende te kwader trouw zijnde.  

            Zoals de Stürmer door losse citaten, uit het verband gerukte stukken, alles kon bewijzen, wat hij maar behoefde, zo kan en wil de procureur fiscaal nu met dit dossier werken. De lezer van het dossier zegt wanhopig: 'Daar komen wij nooit uit'. Want het wemelt van tegenspraken en dwaasheid. Het is er door opgebouwd. Juist omdat meer dan honderd personen aan de opbouw ervan meewerkten, ieder zijn visie lozend die hij verkregen had aan de hand van de geruchten waarvan hij nog niet wist wat zij waard waren, juist daarom is dat dossier een onovertroffen meesterstuk van chaos. 

            Dat mijn 2e en 3e verslag tracht, daarin orde te brengen, te schiften, te vergelijken, de achtergrond tracht aan te geven, moet als verdienste worden gezien. Ik stelde ze samen voor mijn raadsman en niemand kan beweren dat het mijn belang was deze in de war te brengen. Ik zag juist het hopeloze van zijn positie tegenover dit massale catastrofen-dossier en heb voor hem uitsluitend voor hem, mijn 2e en 3e verslag geschreven. En mijn raadsman vond het, ik meen dat hij geen reden had tegenover mij comedie te spelen, verhelderend, duidelijk. En om deze reden gaf hij het aan de procureur fiscaal om ook deze te helpen door de chaos heen te komen. Natuurlijk begreep hij, dat de procureur fiscaal zijn eigen oordeel zou houden, dat was mij ook duidelijk. Het was echter bedoeld om bewerking, bestudering van de zaak te versnellen, omdat mijn gezin door de langdurige gevangenschap van mij, te gronde ging. Geenszins was het de bedoeling de zaak gecompliceerd te maken. Zou ik geweten hebben, dat de procureur fiscaal dit gebaar zo zou willen opvatten (in het openbaar tenminste), dan was overhandiging van het 2e en 3e verslag, bedoeld als Baedeker voor mijn raadsman, zeker achterwege gebleven. 

            Ik nam aan, dat ook een procureur fiscaal de zaak objectief en serieus zou willen bekijken. Van de zijde van den aanklager, doch daarom toch ook objectief. Zou ik toen geweten hebben, wat ik wist toen ik de perscampagne meemaakte, toen ik de dagvaarding en de zitting zag, dan zou zeker het 2e en 3e verslag nooit in het dossier zijn terechtgekomen (het zou in mijn voordeel zijn geweest).    

            Daarom is deze onder 3e genoemde aanval van den procureur fiscaal op mijn verslagen meer dan onbillijk. Het is een volkomen omdraaien van de rollen. Het is mogelijk, dat de procureur fiscaal gemerkt heeft, dat ik in mijn verslagen de getuigenverklaringen, die hij ‘duidelijk genoeg’ vindt, aan de hand van de feiten en aan de hand van onderlinge vergelijking tot niets uiteenrafel, dat ik aantoon wat de achtergrond is van de meeste getuigenverklaringen, namelijk, het niet kennen van de ware situatie met de lijsten, en dat dit de procureur fiscaal ergert, omdat ik hem hiermee de wapens uit handen sla. En dat hij zich daarom vol woede op deze verslagen werpt. Ik weet echter alweer, dat iedere onderzoeker zal toegeven, dat mijn verslagen juist zijn, dat zij verhelderend werken.

            Zeker, iemand die haast heeft met zulk een zaak en ieder vel papier, dat daarover is geschreven, met wrevel terzijde legt, omdat het hem ophoudt, iemand die het er niet om te doen is het rechte van de zaak te weten, doch die aan de hand van enkele losse gegevens en willekeurige processen verbaal wil oordelen over dit alles, zo iemand ergert zich natuurlijk een iedere bladzijde die naast dit ontzettende dossier nog op de koop toe wordt geschreven. 

            Voor mij staat de zaak echter anders. Ik heb ook haast en wel haast om eindelijk weer eens thuis te komen. Daarom heb ik er belang bij, juiste en onmiddellijk te controleren gegevens te verschaffen voor het onderzoek" Ik weet heel goed, dat ik met misleidende gegevens eventueel een tijdelijk goede indruk zou kunnen maken, doch dat ik dan uiteindelijk veel langer van huis zou blijven. Daarom is het mijn belang de zaak zo eenvoudig mogelijk te maken, om te wijzen op de oorzaken van de chaos in het dossier en om gegevens te verstrekken, die eenvoudig zijn te controleren. Gecompliceerd maken wil alleen hij de zaak, die de waarheid schuwt en die vreest, dat door het eenvoudig stellen der feiten aan de zaak te spoedig een einde zou komen. Daarom zijn P.R.A. en Parket na de zitting met onvermoeide kracht erop uit getogen, om het dossier nog veel gecompliceerder te maken. Omdat zij vreesden, dat ik anders toch nog aan hun klauwen zou ontkomen. Er zijn nu zovele nieuwe complicaties bijgekomen, dat de geesten van de chaos zullen juichen. Want dan duurt het weer eventueel langer met deze zaak en kunnen zij nog blijven vasthouden. Voor hen waren die twee jaren detentie van mij, na de zitting van het Hof, het onderzoek van den Raadsheer-Commissaris niet voldoende. Dat dreigde de zaak weer te eenvoudig te maken. Daarom creëerden zij een nieuw dossier, weer uitvoerige proces verbaal’s, die weer zo zijn gemaakt, dat alles eruit kan worden gelezen. 

            De schuld ligt niet bij mij. Noch wat betreft misdaden tijdens de bezetting als wat betreft bewust traineren en saboteren van de behandeling. Het verhaal van de behandeling door B.N.V., P.R.A., advocaten-fiscaal is te verbijsterend om geloofwaardig te zijn. Ik beschuldig het Parket, tegen beter weten in, mijn zaak speciaal te misbruiken voor zijn doeleinden. De perscampagne vòòr de zitting wees er reeds op. Ik vrees, dat de rechters de zaak niet kunnen overzien door haar gecompliceerdheid, die met de dag groter wordt, bewust groter wordt gemaakt. Ik heb geen reden aan de goede bedoelingen en de goede trouw van het Hof te twijfelen. Doch ik twijfel aan de mogelijkheid om zich in zó korte tijd met de vele andere zaken, voldoende in mijn geval in te werken en in te leven om op grond daarvan recht te doen en niet slachtoffer te worden van bewust verdraaide feiten en voorstellingen. Voor mij en mijn gezin staat veel op het spel. Ik zou niet gaarne slachtoffer worden van deze bewust geschapen chaos. Daarom vraag ik het Hof deze zaak serieus te willen bekijken, zich niet te laten misleiden, doch recht te doen op basis van een door rustige bestudering verkregen overtuiging. Dan ben ik ervan overtuigd, dat ik nu eindelijk naar huis zal kunnen gaan. 

 

 

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.