ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Artikelen in de pers

29 NOVEMBER 1969

VRIJ NEDERLAND

'IK BEN ALTIJD DE VERRADER GEWEEST’

WEINREB: 'IK BEN STEEDS MEER IN MEZELF GAAN GELOVEN DOOR MIJN VIJANDEN'

DOOR BIBEB

Op de HBS was ik het best in opstellenmaken. Ik ben naar de Handelshogeschool gegaan, dat was met HBS de enige mogelijkheid, maar ik had een reuze hekel aan economie. Vader stierf, er was geen geld maar dankzij professor Verrijn Stuart kon ik door studeren. Ik werd hij hem assistent en twee jaar later schreef ik een dik boek Wiskundige economische beschouwingen. Toen kwam Tinbergen. Hij vond mij de enige wiskundige econoom. Ik was al een instituut. Als het zo gebleven was, zou ik vrij gauw hoogleraar zijn geworden. Maar toen ik dertig was zaten de Duitsers al hier.'

In de oorlog moest ik improviseren van positie naar positie verschuiven. Maar van nature ben ik niet een vechter en tacticus. Veel meer iemand die nadenkt, bespiegelend, mensen dwingt tot nadenken.'

Dit zegt prof. F. Weinreb. Vijf dagen logeerde ik bij hem en zijn vrouw ('Dat mijn man me in de oorlog niets heeft verteld vind ik zijn grootste heldendaad'). Urenlang heb ik naar hem geluisterd en op hem gelet. Ik ben ervan overtuigd dat hij ook in deze tweede rechtzaak het slachtoffer is geworden. En dat hij nooit de dingen gedaan kan hebben waarvoor hij veroordeeld werd tot 8 maanden gevangenisstraf.

 

F Weinreb: fors gebouwd, rechte rug, lichte ogen, vriendelijker, ook af en toe onhandiger dan ik me hem had voorgesteld. Vertelt met vrij zachte stem en steeds snel en veel. Niet onrustig; alleen op treffende momenten licht snuivend en het hoofd naar rechts wendend of er iets steekt, in zijn nek.

“We waren bij een boer ondergedoken, 7 km van de Harskamp, waar de Duitsers zaten. 16 april zijn we bevrijd door de Canadezen. Ze kwamen in tanks. We hoorden geweldig geknal, er werd gevochten. Op een gegeven moment zag ik dat Canadezen hun tank begonnen in te graven in kuilen. Ik ben ernaar toe gegaan en ik zei, dat ik wist hoe je langs een andere weg naar de Harskamp kon komen. Na enig overleg werd me gevraagd of ik hen die wou wijzen. Ik heb dat gedaan. Ik heb met de majoor voorin gezeten en achter ons kwam de hele colonne tanks. Zo vielen ze de Duitsers in de rug aan. Uit dankbaarheid heeft die Canadese divisie een huis voor ons gebouwd. Ze hebben gezorgd dat alles erin kwam, meubels, alles. Het was prachtig. Tot Ik 7 mei naar Den Haag ging, ongelukkigerwijze.

Ja, ik drong er op aan naar Den Haag te gaan. Nee, ik wist met wat me daar wachtte. Integendeel, ik dacht, dat ik gevierd zou worden. Het hoofd van de illegaliteit, in Ede, die wist wie ik was, zei ga niet, het is een verwarde toestand, het zit er vol gangsters. Ik zei, ik ben niet bang voor gangsters. Een heleboel schurken ken ik, er is zoveel te vertellen. Er gebeurden tijdens de tocht erheen ongelukken die me hadden moeten waarschuwen niet te gaan, maar ik was te opgewonden om het op te geven. De eerste agent, die ik in de Bloemenbuurt vroeg waar ik me kon melden, zei: Ze hadden jullie allemaal moeten vergassen. Nou begint de rotzooi opnieuw.'

Dezelfde dag liep Weinreb in de val van de BS-man en dubbelspion (in zijn boek Van Breukelen genoemd).

“Hij wist dat ik hem gezien had, hij wou me liquideren. Dat is tot twee keer toe mislukt. Wel werd ik zijn gevangene. Hij hitste de rare bende om hem been, jongetjes die een beetje soldaat speelden, tegen me op. Zei dat ik een grote verrader was. Mijn vrouw en zeven(!) kinderen had verraden. De Canadezen hebben nog geprobeerd mij te bevrijden, maar officieel was ik er niet. Ik zat daar onder de naam De Bruin. Ik moest onvindbaar blijven. Een Kafka-verhaal. Ja, die tijd is Holland vergeten. Mijn vrouw heeft tot begin '46 in het huis gewoond, toen moest ze er op staande voet uit. Ze was al veel te geslagen om zich te verzetten. Ik was toen al de grote schoft. Er is een NSB-er in het huis gekomen.’

Vertelt (gebalde vuisten, knokkels tegen elkaar) dat zijn vrouw meermalen naar haar vader in Brussel, en haar broer in Parijs ging.

‘Men moet gedacht hebben dat ze achter het Mauretania-dossier heen zat (dossier met de namen van Nederlanders, die joden hadden verraden). Mijn vrouw was in die tijd overspannen, daar hebben ze misbruik van gemaakt. Ze zou via een arts naar het ziekenhuis Zuidwal gaan maar werd naar de Ramaerkliniek gebracht en toen naar Oud Rozenburg, daar kwam ze op de afdeling zware gevallen. In de gevangenis had ik de commandant gevraagd of ik haar mocht bezoeken. Nee, zei hij, alleen bij de begrafenis. Later in Vught hoorde ik dat, je een bezoek mocht aanvragen. Dat heb ik gedaan. Het werd toegestaan en een groep SS-ers ging ook. Ik was de oudste, ik leek een man van zestig; ik was de enige die een stok in mijn broekspijp kreeg. Er waren mensen bij die 20 jaar hadden. Mijn vrouw was in zo’n slechte toestand, als ze een maand langer gezeten had, was ze gek geworden. Van toen af heb ik alles toegeven wat ze maar wilden. Ik kwam zaterdag, 3 december vrij. Ik ben onmiddellijk van Scheveningen naar Loosduinen gelopen. Ik besloot haar te kidnappen en nam de situatie op, dat heb ik in de oorlog geleerd. De volgende dag ben ik naar de kinderen gegaan, die zaten in kindertehuizen. En toen heb ik een ziekenauto gehuurd. Die werd voorgereden bij Oud Rozenburg, net echt. Ik ben overrompelend opgetreden, ik heb gezegd, ik kom mijn vrouw halen. Ze gaat naar een andere kliniek, D. had met mij samengespeeld. Ik had een briefje gekregen, dat ze in de zenuwkliniek in Apeldoorn zou worden opgenomen. Vandaar heb ik haar de volgende dag meegenomen en ben met haar ondergedoken.

OPROEP

Zijn vrouw werd door de rust gauw beter. Hij huurde een huis in de Nassau Dillenburgstraat voor 400 gulden in de maand, gemeubileerd. 'Ik had geen cent. Ik moest wel. Bij de huisvesting zeiden ze, ga maar naar Duitsland, vuile verrader. Toen we daar vier dagen woonden, kreeg ik van de politie een oproep. Ik moest inlichtingen verstrekken. Ze sloten me in een cel. Ik moest vertellen, waar het geld was gebleven. Pesterij. We zijn steeds gepest. Ook in Rotterdam. Zelf wen je eraan. Maar nu, die laatste zaak, toen ben ik wel geschrokken. Niet van de gevangenisstraf, maar van de voorwaardelijke terbeschikkingstelling. Als een psychiater zegt: hij is gek, geloven ze dat. Ik bedoel een ploertenpsychiater, de menselijke houden zich daarbuiten. Aan mijn vrouw heb ik gezien, dat ze je opsluiten. En als ze mij pakken, misschien pakken ze mijn vrouw dan ook meteen. Daarom ben ik ondergedoken.' Zwijgt. Lippen naar binnen, de mond een lange scheve streep, tussen wit en grijs haar.

Ja, die tijd vlak na de oorlog is veel meer sinister dan het hele oorlogsverhaal. In de gevangenis zag ik Koch vaak. Hij zei, zie je wel, het Hollandse volk is het domste wat er is. Koch werd beter behandeld. Al de SS-ers werden beter behandeld dan ik. De grootste SS-er was commandant van de gevangenis. Corrupte boel. Het was niet te berechten. Alles had contact met elkaar, dekte elkaar. Daarom, ik zou een boek willen schrijven over die jaren '45-'48.'

Zijn vrouw, steeds zorgzaam in de weer met eten en drinken brengen, zegt: 'Oh, doe dat toch niet. Veterman is vermoord omdat hij te veel wist en De Bruin omdat hij een notitieboekje had met namen van mensen die fout waren ...

' W.: 'Toch zal het moeten. Men springt nu over naar '50, maar er zijn 130.000 mensen geïnterneerd na de oorlog, dat wreekt zich. Ach, die rechtszaak, ik wou geen revisie, ik had geen geld en het waren toch dezelfde rechters. Ze hadden nooit dergelijke dingen meegemaakt, deden geen moeite zich in te werken. Je was als een student die bij voorbaat is gezakt. Een, ding werd me verweten dat ik zo ingebeeld was, mezelf zo hoog achtte. Ik zei over mijn ijdelheid, ik ben ook mens, ik ken ook het spelelement, ik ben geen engel. Dat is meteen in het vonnis gekomen. Zo blij waren ze dat hadden. Het tweede en zwaarste punt was dat ik ten dode opgeschreven mensen in Westerbork voedingsmiddelen had gegeven, dat, had vele duizenden guldens gekost, zonde van het geld, en steun aan de vijand, want die had ze moeten voeden. Ja, het Nederlandse Rode Kruis is het enige geweest dat geen voedselpakketten naar de kampen stuurde, want, zeiden ze daarsteun je de vijand mee. Ik voelde alleen radeloosheid. Ik mocht niks zeggen, de advocaat zou het wel zeggen. Maar dat was ook een buitenstaander. De advocaat die later kwam, wist er veel meer van, maar kende ook niet alle details. Alleen de term verraad kende men. En de term misdadig, die is in het requisitoir vaak gevallen. Het was misdadig dat ik in ’42 op een invasie had gerekend. Wertheim, die gezegd had dat er wel degelijk toen een invasie verwacht werd, is het aan De Jong van het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie gaan vragen. En De Jong heeft daarop positief geantwoord.

Toen ik vrij was, ik ben vier keer voor geweest, elke keer moesten ze me vrij spreken, ben ik naar De Jong gegaan om hem te bedanken. Ik nam meteen een stukje Krant mee waarin stond: Rijksinstituut vindt Weinreb schuldig. Ik vroeg of De Jong dat wilde dementeren. Hij zei, ach, daar kan ik niets aan doen, laat maar zitten. Ik dacht, dat is raar. Toen in '65 Pressers 'Ondergang' verscheen en er allemaal kritiek opkwam van justitie en politie vanwege zijn steun aan mij, is De Jong helemaal omgezwaaid, heeft zich tegen me gekeerd.'

ADVIESBUREAU

Vertelt dat hij nergens een voet aan de grond kreeg. Hij was en bleef de verrader. 'Ik ben een adviesbureau begonnen, maar ik kreeg geen goeie cliëntèle. Ik vermeed het me voor te stellen, het bureau heette Era. Economische Raad en Adviezen. Ze vroegen toch "hoe heet u" en dan werden ze onbeschoft: "met u doen we het niet. U hebt gezeten". Ik kreeg wel zaken te regelen maar altijd op de rand van het verbodene.

Echte verraders, daar gaan ze wel mee om. Die zaten met mij in de gevangenis maar ze zeiden al meteen, ik kom zo vrij, ik ken alle agenten. De politie maakte de processen-verbaal.

Nu is men om die rehabilitatie aan het zeuren. Ik zal het niet tegenwerken, maar ik doe er geen stap voor. Al dat gepraat over verzet en heldendaden. In veel gevallen is het klets. Die echt wat deden zwijgen. Die kinderen op de Dam bij het monument weten dat instinctief. Ze weten dat het grootste deel van de oude generatie bestaat uit huichelaars. En die drie van Breda. Schmidt von Windekind, de chef van, Fischer, die wilden ze niet hebben en die was de ergste. Ik persoonlijk zeg, geef ze de vrijheid, als ze hun schuld nog niet begrepen hebben, heeft het geen zin ze te laten zitten tot hun dood toe’.'

In ’52 kreeg ik via Tinbergen de gelegenheid naar Indonesië te gaan. Maar niet zodra was ik daar benoemd of prompt kwamen uit Holland de oorlogsverhalen.

Er werd steeds gestookt, ik kreeg er allerlei rotzooi. Het beviel verschillende mede- hoogleraren ook niet dat er zo'n schurk als ik doceerde. Overal waar ik ben volgt me de roddel en zodra ik een boek publiceer over mijn leven komt er een zedendelict. Maar tot hun ergernis word ik steeds vitaler. Ik 'ben door dit alles ontzettend gegroeid.'

Na drie jaar verbonden te zijn geweest aan de universiteit in Ankara ('dat was mijn mooiste tijd') volgde Geneve, de UNO. 'Ik heb daar "De bijbel als Schepping" geschreven. Hoogenwerf schreef uit Holland dat er grote kans was op een bijzondere leerstoel voor mij in Leiden. Ik wou eerst niet, maar we zijn toch teruggekomen. Hoogenwerf had al een huis gehuurd voor 900 gulden per maand, gemeubileerd. Toen we daar zaten ging het niet door. Ze wilden zo'n schurk als Weinreb niet. Hoogenwerf heeft twee maanden de huur betaald. Ik ben toen voor de verzekeringsmaatschappij P. gaan werken. Ik werd benoemd tot adviseur met volmacht voor de directie. Ik heb het daar goed op orde gezet. Er werkten 150 mensen. Nadat het artikel in de Telegraaf was verschenen over de zedenzaak en ik gevallen was, zweeg daar alles, halve één man. Er werkten zoveel meisjes, daar had ik altijd een correcte omgang mee gehad, als ze problemen hadden met anderen, had ik ze opgelost... Maar nièts.

Toen ik gevallen was, zei de directie, we hebben tienduizenden verzekerden ... u begrijpt het wel...Met andere woorden: u hoeft, niet meer te komen terwille van de zaak. Ik zou In zo'n geval gezegd hebben, nu de u juist wel. Mijn cursisten zijn me trouw gebleven.

OVERTUIGEN

Ja, als ik van iets overtuigd ben kan ik mensen meekrijgen. Ik heb die man, die kanker had, genezen door te zeggen: ik geloof dat het niet zo is. Door hem te overtuigen, dat hij zich zelf ziek maakte. Ik zei, je hebt het niet, het: is gelogen. Ik heb hem dingen laten lezen die hem moesten overtuigen. Soms gefingeerde dingen. Ik heb er succes mee gehad. Maar dat irriteert anderen. Ach, mijn eigen moeder heeft nadat vader overleden was, acht maanden kanker gehad en ze is er aan gestorven. Voordien had ze het niet. Ik weet zoveel mensen... ze hebben te lijden van een chef en dan komt er iets, een ziekte, uitslag, pijn. Ik heb een man gekend wiens ogen steeds slechter werden. De oogarts had gezegd, dat hij blind zou worden. Ik zei, dat is niet waar. Ik heb heel veel gepraat en z'n ogen zijn steeds beter geworden. Dat is gebeurd, hij had respect voor mijn gezag. Maar het is nooit zo dat ik ze van het gaan naar de arts afhou. Ik help ze alleen als ik ze geen schade kan berokkenen. En ik heb ze ook wel doorgestuurd naar een arts of een psychiater van wie ik wist dat ze goed en menselijk waren.

Kijk, In m'n studententijd werkte ik veel te erg, ik kreeg te weinig slaap en had het gevoel dat ik het aan mijn hart had. Mijn vader is op zijn 53ste aan een hart-kwaal gestorven ... De arts zei tegen me, niet vermoeien, geen trappen lopen, oppassen, geen sport. Ik was 23 en werd toen ziek. Een internist, die me later onderzocht zei, ga maar werken, sporten, alles is goed. En ik heb alles doorstaan, het gevangenkamp, alles. Zo was het in de oorlog ook. Ik zei, het gaat goed, we gaan naar het buitenland, maar eerst onderduiken. Ik overdonderde ze met die reis naar het buitenland. Ik wilde dat ze wat gingen doen inplaats van dat wachten tot ze opgehaald zouden worden. Over het geld heb ik nooit zorgen gehad. Ik dacht als de bevrijding er is dan regelt de regering dat.

Ja, ik overdonder. Ik weet bedrijven, als ik er binnenkwam als economisch adviseur en op de directiestoel ging zitten, dat tijdelijk het hele bedrijf opveerde. Eén bedrijf had een enorme schuld bij de bank, die heb ik in twee maanden gesaneerd. Gewoon propaganda gemaakt: we gaan goed. Een directeur wou in de Maas springen, kon de schande niet verdragen Ik zei: man, je hebt niet gestolen, ga weer werken. Ik zal met; de crediteuren spreken, verlenging vragen. Ik heb voor die diensten nooit veel gevraagd. 't Zal wel zo zijn dat dat wantrouwen wekt.

Zelf heb ik een lening moeten sluiten destijds, die in vijf jaar moest worden afbetaald. De eerste verzekering had me afgekeurd, ernstige uitputtingstoestand, ze zeiden ik was helemaal versleten. Toen ben ik bij een andere aangenomen tegen een verhoogde premie. En kijk, ik werk steeds meer, 18 a 20 uur per dag. In drieëneenhalf jaar in de gevangenis heb ik achtduizend pagina’s geschreven. Ik roep tegenkrachten op, niet bij mensen die me echt kennen, daar ben ik goed mee, wel bij hen die het verkeerde willen. Soetendorp heeft via rabbijn Levison in Duitsland systematisch tegen mij gestookt. Levinson neemt niet de moeite mij te leren kennen, nee hij belt op en schrijft brieven over mij. Ik heb een lezing gehouden in de katholieke academie in Westfalen. De directeur vertelde mij dat tijdens het weekend Levinson aan één stuk door had gebeld om tegen mij te waarschuwen. Ik was gevraagd voor de Bayerische Rundfunk te spreken met buitenlandse filosofen over traditie. Prompt kwamen er brieven, die hebben wij, waarin gewaarschuwd werd tegen de misdadiger, die door Interpol werd gezocht. In de Allgemeine Zeitung für das Judentum heeft een schandelijk stuk tegen mij gestaan, geschreven door Levinson en mevrouw Naweh, lerares in Jeruzalem. Op het symposion waar ik was uitgenodigd in Heidelberg was ze gasthoogleraar en ze heeft iedereen daar tegen me opgehitst. Ze beroept zich op Levinson en Levinson op Soetendorp. Ze deed in het openbaar zo'n felle aanval op mij dat er met de voeten werd getrappeld en gejoeld... Ze werd verzocht de zaal te verlaten. Maar ik zei, laat ze blijven. Ik dacht, ze is de enige joodse vrouw onder al die Duitsers. En ze giweer zitten ook. Wat het nationalisme tot stand kan brengen, zo'n felheid . .. Hoe kan dat toch?'

BOEK

Laat me een artikel zien In de Allgemeine Zeitung waarin zijn boek 'Die Rolle Esther' zeer wordt geroemd en men hem zelfs een geleerde en vrome jood noemt.

Vertelt van zijn ervaringen in Israel. Eerst was hij er kort op uitnodiging om lezingen te houden.

Ik was er bij mensen op heel orthodox niveau. Later ben ik wéér gegaan en ik heb er zeven maanden gewoond. Ik heb me er vreemdeling gevoeld. Het grieft me dat, de Arabieren worden bekeken als tweederangs mensen. Je kan zeggen dat joden ook zo bejegend zijn. Juist daarom. Je weet de smaak ervan, dan moet je het juist niet doen. Wat wij tweeduizend jaar ondervonden en niet goed was, ga je zelf doen. Heel triest. In zulke dingen sta ik nog veel meer alleen. Daarbij kwamen er brieven uit Holland, hij is een jodenverrader. Ze vroegen: je had lijsten? En die had ik juist niet. De Joodse Raad werkte met lijsten ... Ach, ik heb daar genoeg gezien en gehoord.

Het zionisme is een onjoodse beweging, daarom zijn ze wreed. Als kind had ik al het angstige gevoel dat het zo onjoods was. Toen ik zes jaar was leerde ik Hebreeuws bij een leraar...Ja kijk, ik was een wonderkind. Met drie jaar las ik de krant voor. Met vijf jaar maakte ik voor m'n ouders en familieleden een bloemlezing van berichten uit de krant. Toen die leraar hevig enthousiast was voor het eigen land, zei ik: waarom moeten we een land hebben, de hele wereld is er toch. Nergens staat in de bijbel: heb je vaderland lief. Ik dacht er anders over dan mijn ouders, het was een moeilijke tijd voor mij.

Nathan Birnbaum, de grote joodse leider en cultuurfilosoof en zijn zoon, de dichter Uriel, hebben hun stempel op mijn leven gedrukt. Toen Nathan zeventig was, en ik twintig, zei hij: jij wordt mijn opvolger. Maar er was al gauw niets op te volgen. Nathan Birnbaum heeft steeds gezegd, als de joden allemaal naar Palestina, gaan is dat fataal. De Arabieren zitten daar nu eenmaal, we moeten naar terreinen die niemand claimt. We gaven de Israëlitische Volksdienst uit en verspreidden die gratis. Dat was in '36. '37, daarin stonden aanwijzingen waar joden zouden kunnen wonen. Ecuador, Peru... Ik was de emigratie-expert.

Ja, generaal Schuman kwam niet uit de lucht vallen…Ik had toen al een rotnaam. Ik was toen al een verrader. Ik ben altijd de verrader geweest.

Dat is het grote van Willem van Oranje, dat hij gezegd heeft, je hoeft niet te hopen om te ondernemen, noch te slagen om vol te houden. Uriel Birnbaum is in '56 gestorven. De mensen meden hem omdat hij de waarheid zei.' Geeft me een pas uitgekomen boek, 'Die Errettung der Welt' van 'Uriel Birnbaum, met een voorwoord van prof. dr. F. Weinreb. 'Ik geef zijn werk zelf uit van m'n eigen inkomen. Elk jaar tenminste één ding, hoop ik. Verder is er geen mens die er interesse voor heeft. Het is een andere tijd. Nathan en hij waren mensen van geestesadel, En altijd als je er kwam, alles netjes, hei huis schoon, in elk opzicht. Dat hoort erbij.

Ik zal nooit heel intiem met mensen worden. Ik wil lezen, schrijven, ik ben erg op mezelf.’

DOCEREN

Ik heb een keer In mijn leven een intieme vriend gehad, op de HBS. Mijn ouders deden erg hun best als humanisten te leven, alle-mensen-gelijk, hun ideaal was zionistisch getint. Ik voelde altijd dat het jodendom nog iets anders moest zijn. Op de HBS had je twee groepen jongens, een zionistische en een chassidische. Wij bekeken die laatste als een beetje duistere, middeleeuwse toestanden, beetje vreemde, primitieve mensen. Totdat ik op school die jongen ontdekte, Nussbaum, een bijzonder geniale kerel. Zonder hem zou ik nooit tot die dingen gekomen zijn.'

Vertelt dat hij, toen zijn ouders gestorven waren en hij die ene vriend was ontgroeid, op reis ging naar allerlei grote joodse leiders. 'In de hoop van hen dingen te horen die ik zelf niet wist. Maar niemand kon mij helpen. Ik ben wiskundig geschoold en filosofisch .. In gezelschap kan ik alleen doceren of niets zeggen. Ik heb het gevoel dat niemand mij wat vertellen kan. Dat, Is de reden dat ik misschien ingebeeld ben geworden, en ook dat ik niet gauw tot vriendschap kom. Ik wil van een vriend iets kunnen leren. Maar altijd worden de vragen aan mij gesteld. Ik moet het allemaal zelf beslissen. In de oorlog ook. Mijn grootvader was een heel wijze man, maar hij was te oud, hem wou ik niet bang maken. In de oorlog had ik zo graag iemand willen hebben die me raad zou geven. Ik stond steeds alleen en nadien is het altijd zo gebleven. Maar één keer had ik een vreemd avontuur in '34. Ik studeerde in Wenen moderne wiskunde, toegepast op medicijnen. Daarom weet ik op medisch gebied vrij veel. Ik weet van de samenhang vrij veel. Ik zou uit, Wenen naar een Pools instituut in Warschau gaan. De trein had moeilijkheden op Pools gebied, ik stapte uit en kwam in een dorp. Voor een huis stonden joden met mutsen op. Ik ging naar binnen en daar was een rebbe, een oude man met grijze baard. Hij wist, dat ik komen zou. Hij zei, je leest een boek over de vierde dimensie en je denkt, daar klopt iets niet. Hij wist wat het was. Hij heeft me veel verteld op joods gebied. Hij is de enige die mij geïnspireerd heeft. Iemand met paranormale gaven, grote kracht, groot inzicht.’

Ik: 'U hebt merkwaardige ogen. (Licht-grijs, af en toe wisselend van bijna kleurloos tot helder blauw.) Ik kan begrijpen dat u mensen fascineert. Worden vrouwen die u raad geeft vaak verliefd op u?'

W.: 'Ach nee. Er was wel een geval van een vrouw, maar dat is geen verliefdheid. Ze was gewend dat mannen voor haar door de knieën gaan en als het niet gebeurde werd ze boos. Ze voelde het a1s een vernedering. Ik ben heel erg ouderwets. Wat ieder ander gewoon vindt, dat doe ik niet. Sommigen prikkelt dat.'

Wat leidt naar zijn veroordeling. En het voorlichtingsrapport van de reclasseringsambtenaar A. Lahuis, die overtuigd is van Weinrebs onschuld en uitvoerig aantoont waarom. Het is onheilspellend dat iemand, terwijl er zo'n rapport bestaat, toch veroordeeld kan worden.

W.: 'Stel dat u mij van zulke dingen zou beschuldigen. Dan zou de politie zeggen dat is een eerlijke vrouw . .. 'Maar als ze de moeite zouden nemen om te komen kijken, dan zouden ze weten dat het hier niet kon. Mijn vrouw is steeds hier of ze gaat in en uit de kamer. En daar was het nog moeilijker. In dat huis, waar ik adviezen gaf en lezingen hield woont een echtpaar met veertien kinderen. Je moest door de kamer, waar ik zat, naar de kinderkamer. En beneden zaten mensen te wachten op de lezing. Want. daarvoor en in de pauze sprak ik persoonlijk met, de mensen,

Ach, mijn advocaat was er toch van overtuigd, dat er wel wat van waar was. Als het zo was, waarom is die vrouw dan teruggekomen en waarom heeft ze haar zuster naar me toe gestuurd? En die injecties. Als ze wisten dat ik injecties gaf, waarom deden ze dan niet een inval. Ik heb nooit injecties gegeven. Ik had het gevoel, je kan er niet over praten, zolang dat vooronderzoek zo is. Het was bij voorbaat een verloren zaak. Ze wilden geloven In het vooronderzoek, de politie heet onkreukbaar. Ook een Schalkhaaragent is onkreukbaar. Het rapport van Lahuis is niet meer bekeken. Mijn advocaat zei, als je tegenwerkt gaan ze je arresteren. Om dat, vóór alles, te voorkomen, zou ik gezegd hebben dat ik Wilhelmina in de grafkelder had aangerand. Alles had ik toegegeven. De advocaat, zei, als je vier maanden krijgt. loopt het wel los, dat hoeft niemand te weten. En toen kwam De Telegraaf met dat artikel. Toen kon het me niet meer schelen. Ik wou niet meer braaf zijn, Ik ben naar het buitenland gegaan. En toen hij later zei, als je komt, word je gearresteerd ben ik ondergedoken.’ Laat me een brief lezen van een getuige die haar verklaring intrekt: ‘Nog steeds ben ik professor Weinreb dankbaar voor de raad, die hij me daar (bij die familie in Vlaardingen) heeft gegeven.’

SEX

W.: "Ze hebben geroddeld over mijn cursisten, mijn lezingen werden als orgieën voorgesteld. Nou, u bent gisteravond met me mee geweest, u hebt het kunnen zien.' (De cursisten: vooral oudere en enkele jonge mensen aandachtig luisterend, schrift en notitieboekjes in de hand, naar professor Wein, die rechtop, correct in zwart kostuum, doceerde. Af en toe Hebreeuwse woorden schrijvend op een schoolbord. Streng zeggend tegen een cursist, die met een bekende vraag kwam: 'het is goed dat u bij mij geen examen hoeft te doen. Dat is al behandeld’)

Nadat dr. Weinreb, zoals elke dag, een half uur voor tafel zich heeft teruggetrokken om zijn gebeden te zeggen en hij, het hoofd bedekt met zijn zwarte mutsje, aan tafel de koosjere spijzen van zijn eindeloos zorgzame vrouw heeft gegeten, begin ik over sex.

Driftig zegt hij: 'Men vindt dat men recht heeft op wellust, men eist dat op en als men dat krijgt, wordt men boos. Iedereen die dat niet begrijpt vindt men gevaarlijk en stiekem. Jongens en meisjes gaan gewoon samen naar bed, men vindt dat normaal. Dat is het niet. Nee, dat mag niet om de wellust, dat is schadelijk. Onze joodse Jongens hebben dat niet. Die zijn echt rein, helder, niet slaperig suf. Tegen een jongen, die zei dat hij het moeilijk had door de provocerende kleding, heb ik gezegd, wat is het vlees? Soms stinkt het. Binnenkort Is het een lijk. Als je vlees door een microscoop bekijkt, zie je de poriën. Wat je provoceert is de reuk, de kleren, je bent dan een soort reagens, geen mens. Een vrouw is een menselijk wezen, anders dan jij en dat je hoog moet stellen. Er zijn heel veel die dat inzien. Ze gaan echt houden van een vrouw. Ze gaan er heel anders van houden.. Onze orthodoxe jongens kennen de waarde van de menselijkheid. Het gaat niet om het uiterlijk, niet om een knie, een heup. Die opvatting is in deze tijd voor velen irriterend.

Nee, ik heb er nooit moeite mee gehad. Dat is de opvoeding. De mensen zijn vaak suf door overdreven roes. Ik ben altijd helder omdat ik dat niet doe. Ik zal ook nooit varkensvlees eten, 't zal heel lekker zijn, maar ik zou het een straf vinden. Die sexuele zaak is als het eten van een muis, een poes voor mij. Ik walg als ik het zie. Maar ik weet het, dat irriteert. In Djakarta ook, de feesten, waar ik niet aan meedeed, dat irriteerde.

In Holland vroeg een collega of ik met z'n dochter wou praten. Ze had zoveel vrienden, Ze wist zich geen raad. Ik zei: als je meteen stopt, is het goed. Haar vader had haar ook naar een psychiater gestuurd. Die belde me op en zei: waar bemoeit u zich mee. Het kind kan zelfmoord plegen. Hij was ontzettend boos. Hij zei, meneer, u zit met verdrongen complexen. Ach, dat is allemaal ver van mij. M’n eigen kinderen zijn net zo. Alle vijf. Ik weet blindelings dat het goed zit en met de mannen net zo. Polygamie is een soort wildheidstoestand. Je kan met evenveel recht zeggen, een mens draagt ook moord in zich en diefstal.

Ik weet dat het vrouwen geïrriteerd heeft dat ik helemaal niet aardig doe. Maar de meesten hebben later begrepen, dat ik hen in hun waarde liet als mens. Daarbij, ik heb een vreemde humor, die lief bedoeld is maar niet zo begrepen wordt en tot huilen heeft gebracht.’

Er is overdadig veel smerigheid in de wereld maar er is maar één waarheid wat de mens werkelijk is. Een normaal mens weet het verschil tussen goed en kwaad, maar tegenwoordig worden ze zo meegesleept, in een roes, ze willen het niet meer weten. Ik vind het een vieze toestand, al, die sexplaatjes en sexpraatjes.'

PIL

De pil. ‘Werkt de demonische maatschappij in de hand. Dan gaat alles om de wellust.’

‘Ik vind een gesprek altijd fijn, vooral als ik merk dat mensen in mijn ogen de goede weg in slaan.’

Vertelt van een jongeman, die getrouwd en met kinderen, verleid werd door een man, er niet meer af kon en dat toch wel wou. 'Ik zou meteen stoppen. En niet met je vrouw voordat je echt van haar houdt. Ik ben tegen ontwennen. Dat is volgens joods inzicht, terugkeer kan alleen via een hoek, radicaal. De jongeman heeft, me later opgebeld, het was helemaal goed gekomen. Ik zeg, realiseer je dat je een mens bent, Gods evenbeeld. Wat zou je zeggen als er een film van je werd gemaakt? Zo’n film is er, want elk gebeuren blijft in het heelal bestaan.

Bei een vrouw komen, alleen omdat je er behoefte aan hebt, is onwaardig, dan wordt ze gebruikt als instrument. 'Nooit genot zonder doel en het doel is kinderen krijgen, het nieuwe leven. Wil je mens blijven, temper deze dingen, zodra je toe gaat geven ben je onverzadigbaar. Sommige mensen vinden dit abnormaal. Maar er leven veel orthodoxe joden zo in Jeruzalem. Het houdt jezelf gezond en wakker en helder denkend.

Ik heb altijd raad gegeven, op de HBS al, aan vriendjes Dat groeide, hoorde erbij; toen ik getrouwd was in Scheveningen ook, altijd. Daarna in de oorlog en zo automatisch verder. Ik ben in feite een rabbi, mens onder de mensen. Ik geloof dat het voornaamste voor een mens is los te zijn van elke slavernij, van werk, sigaretten, vrouwen, psychiaters. Vrij te zijn. Je van elke roes en verleiding vrij te houden. Uw man schildert, een beeldhouwer hakt, en ik, wat mooier gemaakt kan worden, maak ik mooier. Koch heb ik als een wild dier getemd. Maar de mensen die raad vragen wil ik juist los van me houden. Ik heb geen aanhangers, ik wil vrij blijven. Ik zeg altijd na een tijd: nu moet ik u in de steek laten. Dan ben ik wel 'es lelijk. Ik zeg, het is jouw naam, jouw leven, mijn naam, mijn leven. Ik heb wel mensen een tijdje aan de hand genomen omdat ze zonder dat volkomen de puree in gingen, dan zei ik, kom naar m'n lezing. Maar er komt een eind aan als ze het zelf kunnen. Als ze boos worden, merk ik het wel, ik heb het mijne gedaan. Het laat me dan koud. Maar verreweg de meesten zijn goed met me gebleven. Een geval, waar ik erg veel voor gedaan heb, die is boos. Roddelt.'

Via ‘Goena-Goena' van Daum, dat hij heeft gelezen en erg goed vindt, naar hoe meer men met de natuur leeft, hoe meer men van die dingen weet. In oude spookhuizen komt het voor en in Indonesische tovenarijen, dáár kan het zich uiten. Hier uit het zich in uitslag, ziekte neurose, hysterie. De psychiatrie kijkt alleen naar wat men kan waarnemen, niet naar wat het wezen is.'

Ik vertel hem de inhoud van Rosemary's baby.

W.: ‘Oude joodse verhalen handelen over het paren van mensen met demonen. Ik geloof die verhalen wel, maar ze spelen in een andere wereld Het is wel zo, dat de mens een satanische bezetenheid kan krijgen. De mens, verslaafd aan verdovende middelen en sex, is bezeten door deze wezens. Ook psychiaters kunnen het zijn en daarom is er contact mogelijk langs die weg. Niet de goede psychiaters, die menselijk blijven. Ik ken er één (noemt de naam van een bekende psychiater uit ons land) die ophouden wil zich psychiater te noemen Hij wil gewoon menselijk met mensen zijn.

DE WERELD

Volgens de oude overlevering zal in de eindfase de wereld bevolkt worden met wezens die niets menselijks meer hebben. De laatste schepping Gods is knap efficiënt maar zonder ziel, die heeft God niet gegeven omdat dan de wereld eindigt. Ik heb de overtuiging, dat de wereld in haar ontwikkeling die weg uit gaat. De enorme knapheid, die we nu zien. Maar van de drieëneenhalf miljard is een klein deel waarschijnlijk mens, de rest is demon. Om naar de maan te gaan worden miljarden uitgegeven en de wereld is opgewonden, terwijl men zich voor de wezenlijke dingen niet interesseert. Het wordt steeds erger, ik heb het in de oorlog gemerkt en daarna. Er zijn velen die zich alleen als mens kleden maar geen mens meer zijn. Je hebt nog wel menselijke mensen en af en toe contact; maar ook gezelschappen waarin je uren lang niet kan praten. Maar je mag niet oordelen, je mag niet zeggen: dat is een demon. Het beste is, voor je zelf eerlijk te zijn met het voornaamste. Met het leven ben ik eerlijk. Ik heb in de gevangenis die drieëneenhalf jaar 7838 pagina’s aantekeningen geschreven. Ik heb er nu 40.000, notities in telegramstijl. Daar heb ik microfilmpjes van, die worden bewaard in een kluis. De bedoeling is dat ik ze eens uitwerk. Over de zin van het leven op elk gebied, belicht uit het oude weten. Ik heb nu mijn boeken niet, maar ik heb ze in mijn hoofd. Ik weet waar ik gegevens kan vinden, waar ze staan. Mijn boek "Jona", dat nu uitkomt, heb ik uit het hoofd geschreven.

Ik ben steeds meer in mezelf gaan geloven door mijn vijanden. Toon me je vijanden en ik zal zeggen wie je bent.’

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.