ACADEMIE VOOR DE HEBREEUWSE BIJBEL EN DE HEBREEUWSE TAAL

Artikelen in de pers

IKOR-CVK/televisie

DE MEDEMENS EN FRYDRYK WEINREB

uitzending: donderdagavond, 28 mei 1970

22,20 - 22,55, Nederland 2

Weinreb:

Ik geloof: geen mens doet opzettelijk slecht. Niemand zal zeggen; "nu ga ik even slecht zijn". Zelfs zijn slechte daden zijn de gevolgen van zijn structuur, hij "beseft het niet, Steeds veel later beseft hij dat en ik geloof dat heel veel mensen - de meeste mensen - zelfs denken dat ze het goed doen, zoals ze doen. En dan is het heel moeilijk over anderen te praten en ik geloof dat je dan vooral moet blijven kijken naar wat zijn de gevolgen van die persoon voor het leven van zichzelf en voor anderen. Daar kun je naar kijken voor zover je als mens die reikwijdte hebt om te zien wat dit aangeeft. Misschien hoe die mens voor die wereld beoordeeld kan worden. Ik zeg nog met nadruk voor dié wereld want je weet toch niet voor verder. Er zijn Duitsers die voor de wereld naar hun resultaten zeer slecht hebben gehandeld maar ik geloof niet dat ze ooit gezegd hebben; "Nu gaan we even een dagje slecht zijn, en gaan een conferentie houden om heel slecht te zijn” Zij namen besluiten te goeder trouw en het beroerde is dus, dat die mens nou eenmaal zo is, dat dàt zijn goede trouw is, zijn goede bedoeling. En dan krijg je gevolg van opvoeding, van denken en nu ben ik ook wel overtuigd dat daar altijd je leven doorheen speelt. Als je in je leven dingen doet die dan menselijk gezien onjuist zijn, dan houdt dit al in, dat er daden komen voortvloeiend daaruit. Dat dan die verder gaat, die negatieve weg. Dat geloof ik wel, dus dat is een punt dat je heel moeilijk in een gesprek of dat iemand anders kan zeggen, die man of die vrouw is goed of slecht. Een heel gevaarlijk punt

Suèr:

U heeft in uw leven allerlei dingen gedaan die voor een heleboel mensen moeilijk te accepteren zijn, u heeft valse verklaringen afgelegd, u heeft gelogen, u heeft mensen gecreëerd, die helemaal niet bestonden, is dat voor u de waarheid; zit er misschien een waarheid achter?

Weinreb:

Ja, luister het was oorlog en u weet dat je in de oorlog, - je kunt mensen doodschieten wat ik eventueel gekund had, als ik wapens had gehad maar ik had het nooit gedaan. Dat ligt niet in me. Ik zou ook geen Duitser kunnen doodschieten - of op een andere manier iemand vermoorden, dat vindt men blijkbaar wel goed, Maar een vijand een weg opleiden, dat hij dus zijn slachtoffers niet kan krijgen? Dat vindt men meteen liegen. Hoeveel is er niet gespeeld? Ik heb bijvoorbeeld niet lang geleden gelezen, dat de Engelsen vlak voor de invasie in Normandië - een maand of wat eerder - hebben ze mensen gedropt, Fransen meen ik, in Frankrijk, die overtuigd waren, (zoals hen verteld was) dat de invasie ergens anders zou plaats vinden. Die hebben ze dus in handen laten vallen van de Duitsers; die hebben ze op een Duitse manier verhoord en er zijn veel omgekomen, of allemaal. Ik weet het niet precies. Ik heb het later eens gelezen. Om de Duitsers te misleiden dat de invasie ergens anders zou plaats-vinden en niet daar in Normandië. Kijk dat vind ik liegen en bedriegen van de vijand en je eigen mensen, waar ik gewoon niet toe in staat zou zijn. Ten eerste sterven die mensen daaraan, aan die opdracht terwijl ze te goeder trouw zijn. Na veel moeite en pijn biechten, dat die invasie daar en daar zal plaats vinden, waar die helemaal niet plaats vond. Het is overigens geweldig listig bedacht, dat vindt men heldhaftig, omdat er dooien vallen. Omdat er bij mij dus geen dooien gevallen zijn, dat ergert de mensen. Het ergert ze haast tot krankzinnigheid toe.

Suèr:

Begrijp ik het goed, dat uw leven dan toch een strijd is tegen de bestaande orde?

Weinreb:

Hou, een strijd niet, ik geloof dat ik die bestaande orde, door hem rustig te bekijken en ervaren te hebben en daarin heel veel manco's zie tegenover het menselijke, de menselijke waardigheid. En dan heb ik voor mezelf steeds beslissingen willen nemen. Daarvoor hoef ik me niet te schamen, Heb ik hier gedaan wat ik als mens had moeten doen en niet op papiertjes letten en wat de krant zegt of wat die zegt want dan zou ik heel anders hebben moeten handelen, dan had ik een heel populair iemand kunnen zijn. Maar ik zou dan waarschijnlijk een neuroticus zijn geworden of ik weet niet wat, misschien was ik al dood geweest. Ik kan dat niet, dat verdragen word ik ziek van. Maar dat ik strijd tegen de bestaande orde? Nee, ik ben toch een eenling in deze dingen en iedereen is een eenling als hij daar ook gevoel heeft, Het gaat om de mens en niet om een soort constructie die men opgesteld heeft, hetzij om een orde te handhaven, of om een regering de kaste te handhaven of een religieuze kaste te handhaven of om een heel maatschappij-beeld daarmee in overeenstemming te brengen er zijn nog zoveel mogelijkheden om dit te interpreteren, dat doet er niet toe, ik geloof dat heel veel mensen -- ook in de oorlog -- gezegd hebben; "ik doorbreek dit, ik ga van huis en ik ga er wat tegen doen en ik riskeer van alles". Maar in vredes-tijd is het heel wat anders, daar zijn natuurlijk ook vaak kwesties van de menselijke waarde en de menselijke waarheid en wat ik noem het spel van de maatschappij. En dan is voor mij altijd de menselijke waarde, waarheid, veel belangrijker dan het spel van de maatschappij. Je moet dus altijd afwegen, de keuze is er in het leven altijd, iets niet doen, iemand niet helpen is soms heel makkelijk en heel gauw verenigbaar met allerlei normen. Maar hem wel helpen is moeilijk vaak, en dan die strijd met die normen. Dan moet ieder mens regelmatig kiezen en ik weet dat veel in de grote massa dat doet, altijd handelt naar de norm, naar het gemak. Maar de geschiedenis wordt niet bepaald door die massa. U weet dat. Altijd zijn het enkelingen geweest die de geschiedenis bepaald hebben. Neem nu de bijbel, het Oude Testament, later in het Nieuwe Testament zijn er altijd enkele personen die voor de wereld-geschiedenis beslissend zijn geweest. Die massa, de regeringen en koningen en generaals in die tijden hebben zelfs uiteindelijk toch verloren. Maar die enkeling die anders handelt dan de norm, dat was bij Abraham al, die anders handelde dan de norm, daar is dus de grootste revolutie, kun je zeggen ter wereld door ontstaan. Hij heeft het niet beseft. Ik geloof dat ieder mens de verantwoordelijkheid bij zichzelf moet voelen, Dat van hem het zelfde verlangd wordt als van Abraham bijvoorbeeld. Dat hij niet zegt; "ik ben maar een gewoon mannetje en van mij gaat niets af". Dan wordt zijn leven zinloos. Daar handelt hij ook naar, hij wordt toch eigenlijk misselijk van zichzelf en zoekt dan allerlei uitwegen om zich dan toch via een roes, verdoving toch ergens weer gezellig te gaan voelen en dat is dan geen werkelijk leven meer.

Ik geloof juist dat dit gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel één van de voorname punten is, die ik dan voor mezelf gesignaleerd heb in de maatschappij en nogmaals, ik kijk toch nooit naar wat de massa doet, Ik zeg wat ik vind dat de mens moet doen, en daarnaar probeer ik te handelen. Nogmaals, niet met een groots gebaar, wat ben je nou een fijne vèrziende man, helemaal niet. Dat gaat vaak in een vervelende toestand van: verdraaid nog toe, nou weer dat doen of dit, ik had liever een boek zitten lezen. Ik hoop dat men mij vooral niet gaat zien als een uitzonderlijk iemand. Iedereen moet zichzelf belangrijk voelen, niet in de zin van op te scheppen maar in de zin van een beslissing, die ik nu ga nemen die is belangrijk. Wat me wordt voorgelegd, daar kan ik me niet aan onttrekken. Neem bijvoorbeeld de illegaliteit. Laten we aannemen dat 1% van de bevolking erbij betrokken is geweest, d.w.z. dat ongeveer 40.000 50.000 mannen mee konden doen. Dat is ontzettend veel, voor een volk heel erg veel. Ik geloof dat het zelfs te veel is. Maar goed, laten we het even aannemen. Deze mensen waren dus, ieder voor zich ook in strijd met de maatschappelijke norm. Een overval op het distributiekantoor. Normaal zou je zeggen, er is geroofd. Maar daar was het een vanzelfsprekende zaak. Als het niet gedaan zou worden, was de keus geweest: we overvallen niks, maar laat al die onderduikers maar omkomen. Er is een overval geweest op de Nederlandse bank, in Almelomeen ik, waar ook wat slachtoffers van gevallen zijn later, en dat ging om vele tientallen millioenen, die gestolen zijn. In normale tijd heet dat diefstal, maar je kunt dat in dit geval, waar het grootste deel van het geld naar onderduikers gaat geen diefstal noemen. Dus deze mensen hebben blijk gegeven dat ze de orde, de maatschappelijke orde niet zo serieus namen als de keus was tussen de mens en die orde. En dat zijn dus mensen met een karakter, dat in strijd is met de normale rechtsorde. Daarom vind ik dat gebruik van woorden als liegen of zo, dat vind ik heel onjuist, want dat laat wel zien de relativiteit ervan. Waar het leven en de waarheid en de echte waarheid in het spel in het spel is daar vervalt de leugen, die relatief is tegenover die grote waarheid. Als je iemand zegt de mens leeft eeuwig, dan zeggen ze "dat lieg je", want ik zie allemaal begraafplaatsen en crematoria. En toch is die leugen; die dan zegt "de mens leeft eeuwig" veel meer waar dan dat ik zeg de mensen gaan allemaal dood, daar blijft niets van over.

Suèr:

Vindt u dat de zaken zich na de oorlog teleurstellend ontwikkeld hebben, voor u persoonlijk maar ook maatschappelijk ?

Weinreb:

Ja kijk, na de oorlog is er natuurlijk veel teleurstelling geweest en beslist niet alleen bij mij. Ik weet hoe we in de oorlog vooral het laatst van de oorlog veel hebben zitten praten over de wereld hoe die nou geworden was, tengevolge van wat en hoe men zich de toekomst voorstelde. En dan waren de verwachtingen voor nà de oorlog beslist zeer positief. En men heeft daarbij de fout gemaakt dat men vergeten heeft dat de grote massa niet zo gemakkelijk in beweging komt en men heeft ook eigenlijk vergeten te bedenken dat het misschien aan leidende persoonlijkheden zou mankeren. Leidende om de wereld inderdaad een ander aangezicht te geven. En daarom was de teleurstelling bij vele van die duizenden heel groot. Ik herinner me nog hoe jaren na de oorlog - het zal begin van de vijftiger jaren geweest zijn - een blad van de voormalige illegaliteit geklaagd heeft dat mensen uit de illegaliteit zo ontzettend moeilijk een functie konden krijgen in het Nederlandse bedrijfsleven of ergens in een handel of een boekbinderij, maar dat wel in het bedrijfsleven oud N.S.B.ers weer opgenomen werden omdat - en dat heb ik zo zèlf verklaard - omdat die N.S.B.ers - redeneerde men - eigenlijk gewone mensen waren. Een beetje gek geweest op een bepaald moment maar die hebben zich aan de normale orden gehouden. En illegalen die hebben overvallen gepleegd, hebben geplunderd, hebben geschoten, hebben de gekste dingen gedaan. En sommigen kunnen het nog niet laten, zei men, die zijn nog vreemd. En die heeft men dan eigenlijk haast instinctief niet genomen. Dat is een teken hoe men eigenlijk ontzettend graag terug wilde naar de orde van de dertiger jaren en weer verder gaan, Men sprak van een doorbraak en die doorbraak was toen heel iets anders dan het werkelijk veranderen van het gezicht van de wereld, dat is niet alleen in Nederland zo geweest, in alle landen, dat is in Frankrijk in België overal zo geweest. Veel van de vroegeren, die eigenlijk gefaald hadden zijn toch weer aan het bewind gekomen, hebben zich in het bewind genesteld en de massa kijkt naar wie regeert er nou en dan was het zo. Dat was de grote teleurstelling, je had zo gehoopt dat men toch wakker geschud werd en ik geloof dat het wakker zijn van de mens het voornaamste is wat je verwachten kunt. Als iemand wakker is zal hij nadenken, zal hij gaan inzien. Maar dit suffe, steeds meelopen in het gareel en dan vechten om 2 of 3 of 6 % loonsverhoging, daar alles voor inzetten dat is een soort spelletje. Dat met vakantie gaan en een auto kopen en een huisje kopen. Dat zijn de ellendige dingen, dat was de teleurstelling en daarom geloof ik dat de jonge generatie die nu begint in te zien. En als ik dan zeg de jonge, dan wil ik niet zeggen dat alle jongeren zo zijn, nee de massa wéér niet, die zitten ook alleen maar op de gewone dingetje te letten, maar er zijn bij de jonge generatie en die grens van leeftijd mag je niet zo te jong zetten zo tot veertig vijftig jaar is ook nog jong, die voelen dat ze eigenlijk genomen zijn na de oorlog, dat men zo'n oorlog niet maar kan passeren. De eerste wereldoorlog- een crisistijd- wat er niet allemaal gebeurd is en nu nog gebeurt. Daar uit zich die grote ontevredenheid met die orde. Dat is hoopvol en ik hoop dat ze er doorheen komen.

Suèr:

Welke idealen vindt u nou de moeite waard om te verdedigen?

Weinreb:

Ach ja, ik kan pertinent geen programma geven. Ik ben ten eerste geen man die een organisatieplan op wil zetten en ook die een programma gaat geven. Als ik een paar punten zou noemen zou ik heel ruw doen en dit zeggen: Je moet beginnen met de bestaande orde tot de grond toe af te breken, dat wil niet zeggen, dat je dat moet doen met schieten of bloedvergieten, want dan krijg je alleen maar Stalins en Hitlers, dat leidt tot niets. Ik bedoel met afbreken vooral innerlijk afbreken. Dat men in opvoeding, in voorlichting deze norm die eigenlijk huichelarij is een spelletje is, dat on-serieus is moet afbreken. Dus versta mij niet verkeerd, ik ben geen revolutionair van slaan en schieten. Het begint bij de mens, daar moeten we doorbreken. En ik geloof dat als het eenmaal bij een bepaalde groep doorbreekt. Een groep bedoel ik niet als een uitsluitend iets maar hier één en daar één en door een gezamenlijke optel zou het dan een groep kunnen zijn, hoewel ze elkaar niet eens hoeven te kennen zelfs. Als het daar doorbreekt dat er dan de kans bestaat dat er iets nieuws zou kunnen komen. En als het eenmaal doorgebroken is, voor de opbouw, kan ik alleen maar één groot punt geven: denk aan de ander, heb je naaste lief. Voor je omgeving: heb er aandacht voor, voel er verantwoordelijkheid voor en denk ook na over de zin van het leven en durf er over te praten, eerlijk. Niet volgens schablones en theologieën, maar denk er eerlijk over na. Dat volgt dan wel als men dit afgebroken heeft, want ik vind die orde - neem mij de uitdrukking niet kwalijk - maar het is een schijnheilige orde, het is een vreselijk gehuichel en dat voelt men wel. En daarom is ook de onlust met die orde zo groot. En ik sta dus echt aan die kant die zeer ontevreden is met die orde, er geen vrede mee heeft maar dat wil nog niet zeggen dat ik gevechten daartussen of een ondermijnende aktie zou willen doen en ik geloof dat dat niet de goede weg is, de weg is om hem mogelijk te maken zó met die orde verder te leven, dat bedoel ik.

Suèr:

Welke ontwikkelingen van nu vindt u beangstigend, het succes van het onbenul wat we hier nu toch wel zien?

Weinreb:

Ja, eigenlijk op elk gebied. Je kunt dat niet meer specificeren, want ik ken geen enkel gebied waar ik de ontwikkeling dan hoopgevend vind. Het enige waar ik ontevredenheid zie dat is hoopgevend. Weet u, in het verhaal van Ezechiël komt dit ook voor. Het gaat er slecht toe in Jeruzalem en dan worden er engelen-mensen naar beneden gestuurd naar Jeruzalem om een teken te maken op het voorhoofd van de mensen die zuchten. Dat zijn degenen die dan nog wel goed zijn. Gezien van dat standpunt. Nou ja, diegeen die nu zucht en zegt dat kan zo niet, dat gaat zo niet de wereld, dat is het niet! Ik kan dus niet zeggen, in dat gebied gaat het wel goed.

Suèr:

Heeft u geen hoop dat we ergens naar toe leven waar het beter is dan nu?

Weinreb:

Nee, ik geloof dat men naar een explosie toeleeft, Het hoeft dus nogmaals niet (en ik hoop het ook niet) een oorlog te zijn of een bloedige revolutie maar het kan een explosie zijn dat inderdaad de nieuwe generatie zegt: wij doen niet meer mee, daarmee. Het maakt de wereld zo op die manier als jullie leven onleefbaar. Maar we gaan een leven beginnen, een wereld beginnen, die heel anders is. Ik zie geen punten, waarvan ik zou zeggen, nou dat gaat goed. Men maakt zich dan wel eens druk over ontwikkelingshulp, over 1% bruto van het inkomen of dat dan wel of niet gegeven moet worden. Daar gaat het helemaal niet om. Dat is een soort dooddoenertje, een smoesje voor jezelf, Je moet gewoon zeggen, het kan zo niet verder in de wereld zoals het nu gaat. En we zullen het heel anders gadoen. Geef de helft van je inkomen weg of nog meer. In de oorlog heeft men veel meer weg moeten geven. En veel politieke problemen probeert men te lijmen, een oplossingtje zus of zo. Men ziet, het lost niets op. Dat heeft Hitler ook getracht. Dit en dat. Met München, dat is bekend, was het niet in 1930?, dat waren ook van die lijmoplossingtjes. Dat wordt niets, met die diplomatieke wegen is het niets, je moet het doorbreken en ik geloof dat die wereld op die manier niet zoveel verder meer kan.

Suèr:

Doet de publieke opinie u veel? De reactie in Nederland?

Weinreb:

Ja, kijk ik geloof dat men altijd - dat is een menselijke zwakte - graag aardig gevonden wordt, dat is een zekere kracht in de mens in zijn zucht naar behoud. Maar aan de andere kant geloof ik dat men daar niet naar mag kijken omdat, zoals ik al eerder zei, het gaat hier om heel belangrijke dingen bij de mens in zijn leven. Hij moet beseffen dat dit leven voor hem uiterst belangrijk is en dat elke daad en elke gedachte van eeuwige waarde is, voor altijd bestaat. En dan mag men niet kijken naar wat men zegt, bovendien: wat is publieke opinie? Die wordt gemáákt, door massamedia zoals dat heet, kranten. Hoe groter ze zijn hoe platter ze moeten schrijven, ik wil niet beledigend zijn, maar het kan niet anders blijkbaar. Men moet meepraten met de massa opdat hij dat dus fijn vindt, gezellig en genoeglijk vindt. Dus men moest daar eigenlijk niet om geven. Ik herinner me dat kort geleden zich zoiets bij mezelf heeft voorgedaan. Toen werd ik opgebeld uit Nederland door iemand die mij vertelde: er was een enquête gehouden over kwestie mijzelf betreffende. Het resultaat, dat ik eerder niet kende, was die dag bekend geworden. Daar bleek uit, dat 62 % van de ondervraagden van me wisten en vonden, dat er iets gebeuren moest. De eerste flits is dan, zo dat is mooi 62 %, maar tegelijkertijd kwam die flits, maar ik wou er niets van zeggen, want je kunt maar niet zo reageren, want dat is niet netjes, maar tegelijkertijd kwam die flits bij me op, tjonge, tjonge nou ben je echt op weg naar de 98 % van Hitler. Als je maar populair en plat genoeg bent dan krijg je ook 98 %. Als je iedereen maar gelijk geeft en naar zijn zin praat. Ik wou eigenlijk antwoorden, ik heb zo niet geantwoord, maar ik wou antwoorden: kijk, ik ben inderdaad dan op heel gevaarlijk terrein en als je mij vraagt, eerlijk vraagt dan heb ik liever 10, 20 of 100 mensen die me kennen en die goed bevriend met me zijn en mijn dingen goed begrijpen. Dat is waardevol voor altijd en dat is geloof ik het moeilijke punt in de wereld nù. Men kijkt teveel naar wat men zegt. En dat "men" wordt weer gekweekt door wat men dan de massamedia noemt. Bepaalde mensen zijn pro dit of anti dat omdat hun krant dat zegt of omdat ze dat zo door de radio gehoord hebben. Ze hebben helemaal geen inzicht, ze willen dat niet eens hebben, ze praten nà. En, kijk om populair te zijn is heel goedkoop maar ik geloof: ik zou het niet kunnen, ik zou er dood aan gaan, en dat meen ik letterlijk, helemaal niet als een figuurlijk iets, ik zou er zwaar ziek van worden, geloof ik. Ik zou schrikken als ze mij zouden zeggen, jo hebt 5000 aanhangers, dan zou ik zeggen, tjonge, hoe raak ik er nu 4000 kwijt. Dat kan niet, ik ben altijd bang als men te gauw zegt van "je hebt gelijk". Je kent me niet eens.

Suèr:

Ik heb hier een vertelling; iemand wordt achtervolgd door soldaten, hij vlucht een dorp binnen en wordt verborgen door de rabbi, de soldaten komen aan de deur en de rabbi ontkent de aanwezigheid van de onderduiker. "We komen morgen om 8 uur terug, levert u hem dan niet uit dan vermoorden we het hele dorp", zeggen de soldaten. Wat moet naar uw mening de rabbi doen?

Weinreb: Hoe komt u aan dat verhaal?

Suèr:

Dat heeft iemand ons toegestuurd en dat lijkt me wel illustratief. voor de situatie waarin u verkeert.

Weinreb:

Dus het komt er op neer dat de rabbi nu moet beslissen of hij die onderduiker uitlevert of het hele dorp in gevaar brengen. Om te beginnen, ik zou geen van beide doen, maar dat kun je natuurlijk niet zeggen. Of als je mij vraagt wat ik zou doen, de rabbi, ik ben geen rabbi, maar stel dat je dan in dit verhaal dat zou zijn, dan zou ik meteen zeggen, ik zie geen uitweg, ik wil noch de onderduiker uitleveren, noch het dorp in gevaar brengen. Die vijand is een heel onmenselijke boosaardige vijand, een duivel kan je zeggen, die dit alternatief stelt. Dus ik zou precies dat doen wat ik dan in die gevallen al gedaan heb. Ik zou een list gebruiken. Ik zou die vijand toch aan de praat houden of ik zou zeggen, waar een stuk woestijn ligt of een moeras, daar ligt een nog veel mooier dorp, ga daar maar heen. En ik zou hem natuurlijk echt voor de gek houden, om dus te voorkomen dat het gebeurt. Dan zal misschien de maatschappelijke orde zeggen, je had niet mogen liegen, want die vent met dat mooie uniform aan was legaal. Maar dan lap ik die anderen aan mijn laars. En ik zou dus pertinent zorgen of althans trachten dat hij noch het dorp noch die onderduiker kreeg.

Suèr:

Maar is uw antwoord nou het gevolg van uw inzichten over de mens en over de wereld?

Weinreb:

Natuurlijk.

Suèr:

Ik vraag dus eigenlijk naar uw visie op de mens, en wat u de zin van het bestaan vindt.

Weinreb:

Ja, kijk daar komt men dan inderdaad tenslotte op, dat is goed dat u die vraag stelt, want dat is het essentiële. Wat eigenlijk moet de mens dus volgens mij dan doen. Ja, ik zeg het al: hij moet doen. Niet het praten over iets en het denken, of het veel weten, maar doen. En dit doen is een kwestie van: ik leef in een wereld met andere mensen. Van alle soorten, rassen, godsdiensten, volkeren, talen. Doorbreek ook die ban van een ingestelde orde dat, alleen deze godsdienst goed is, of die kerk is juist of dit ras is beter, doorbreek dat, krijg een gevoel voor de mensheid, voor iedereen. En dan blijf je wat je bent. Je mag Jood blijven, je mag iets anders blijven, zoals iemand die kleur haren en die kleur ogen heeft. Maar de mens is een mens, naar het beeld van God gemaakt, en krijg een gevoel van verantwoordelijkheid voor de mens überhaupt, waar die ook is. Dat is punt 1. En ik geloof door dit te doen komt wel de rechte gedachte en het juiste weten over het bestaan. Want alleen theoretiseren over hoe mooi de hemel is, hoe mooi die in elkaar zit of hoe de vierde dimensie eruit ziet. Dat is theorie, dat kan gepaard gaan met een oerslecht mens. Maar je moet beginnen met het doen, en dit doen breekt ook de barrières weg. Want ik geloof dit tijdperk, toen heb ik zo negatief geantwoord, maar een ding zou ik positief kunnen zeggen, dat is dit: dat misschien in dit tijdperk de barrières weggebroken worden. Dat men niet meer dat heeft, wat ik dan nog voel als een soort nacht in de wereld waar men nog volkeren-barrières heeft, en rassen en godsdiensten en kerken en sekten maar dat dit doorbroken wordt een soort universaliteit komt over de mens, En wat hij is is punt 1: hij is een mens, of hij nou katholiek is of Jood, of wat, hij is een mens, zo heb je ook Joden en Arabieren het zijn mensen aan beide kanten, dat moet men ook beginnen te beseffen. Ik geloof dat deze tijd dit inziet, vooral de jeugd dit gaat voelen. Zo is er een oud Joods gezegde, dat vertelt dat de mens, eerst doet, en op grond daarvan komt zijn denken, zijn inzicht. Ik heb het heel vaak in het leven gemerkt. Je kunt natuurlijk niet zeggen pertinent dat gaat eerst, maar de aanwezigheid van het doen dat wordt teveel getheoriseerd. In de ene kerk bidden ze op zondag in de andere op zaterdag en dan is er een half uur preek en dan gaan de mensen heel tevreden weg als ze flink op hun kop gehad hebben, of als ze allemaal mooie dingen gehoord hebben. Dat is het niet. Dit is ook een onderdeel van het spel van de maatschappij, het is niet serieus, Daarom lopen de mensen daarvan weg, het gaat voornamelijk om het doen en ik geloof dat een groot iets voor de mensheid is, dat men zich realiseert dat om ons heen mensen wonen. Niet alleen in Vietnam, dat zijn ook mensen, maar ook in Amsterdam, daar wonen ook mensen, de buren die hebben misschien ook dingen, rekening houden met al die mensen en besef steeds weer het alternatief, niet doeof wel doen, en niets doen kan betekenen: die mensen in de steek laten, de kans niet waarnemen, die je zou hebben om in contact met hem te komen, of wel doen, en dat wel doen kan wel eens een offer betekenen. Dat je zegt ik moet hier kiezen ik durf het, er is een grote waarheid en er is een gemaakte, en de mens weet drommels goed bij zichzelf waar de echte waarheid is en wat er gemaakt is. Hij wil het feitelijk niet weten. Maar hij moet wel eens wakker geschud worden, dat doen de omstandigheden wel en dan moet hij weten hoe hij kiest. Die verantwoordelijkheid moet hij beseffen en zich dit realiseren, ik lééf in een wereld. Niet, ons vaderland gaat goed, deze vlag wappert fier. Dat is ook een deel van het spel, ik heb niets tegen een vlag, maar dat symbool mag niet iets dwaas gaan worden. Het mag je herinneren aan je omgeving en die naaste omgeving dat zeer zeker. Maar je moet niet je naaste omgeving meer lief hebben dan je verdere omgeving, je moet de mens lief hebben. Want wat zou nou een wereldbeschouwing kunnen geven als je, zeg maar de negers of de Papoea’s of Zuidamerikaanse indianen er buiten liet omdat ze onontwikkeld waren. Alles moet inbegrepen zijn, en voor iedereen verstaanbaar zijn. En ik geloof dat dit soort denken en er naar verlangen samenhangt met je doén. Het doen kan een mens vergiftigen als het egoïstisch is, en slecht is en het doen kan een mens bevruchten en echt wakker maken, als het op de anderen gericht is. Ook op jezelf: je mag jezelf natuurlijk niet negeren, stel je voor dat zou toch een dwaas leven zijn, je bent het centrum toch van de wereld, ieder mens voor zichzelf is weer het middelpunt, en hij moet natuurlijk aan zichzelf denken maar niet in de zin van, ik moet carrière maken of ik moet een auto kopen of ik moet dit kopen of een reis maken, maar ik moet in terreinen komen met mijn benen, ik moet wakker zijn, dat is één van de dingen die ik verlang, wéés wakker. En als je gewekt bent dan zul je wel eens met dingen ernstig in aanraking komen.

Suèr:

Is er voor u een hand, die de mens begeleidt? Een geest die werkzaam die niet des mensen is?

 

Weinreb:

Zeker, ik ben overtuigd, dat men dit leven niet begrijpen kan, als men alleen de verschijnselen uit dit leven bestudeert. Het komt ergens vandaan, het gaat ergens naartoe, het is een eenheid. Het voor ons in de tijd voormalige en het voor ons in de tijd nakomende dat is een eenheid met het nu en de mens kan alleen tot rust komen als hij die eenheid beseft. Als men eenmaal wakker is, ach weet u dan heb je ook geen haat en geen moeilijkheden. Ik leef voor mezelf heel gelukkig en ik ben heel blij en tevreden en ik weet dat er velen zo zijn, die ik ontmoet heb, ook in Nederland, ook in andere landen, maar haat en dit soort dingen komt alleen voor als je dingen verdringt, dat je met dingen niet in het reine gekomen bent. De mensen zijn zielig eigenlijk, ik heb medelijden met ze, ik zou ze niets willen aandoen, ik vind ze alleen maar vreselijk zielig, dit soort mensen, zielig in de eerste plaats en daarna pas gevaarlijk.

 

Copyright © 2017 Academie voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse Taal.